← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

INHOUD.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Darwin’s Biologische Meesterwerken.

III. De Afstamming van den Mensch en de Seksueele Teeltkeus.

EERSTE DEEL.

VOORWOORD BIJ DEN VIERDEN NEDERLANDSCHEN DRUK door Dr. H. H. H. van Zouteveen blz. 1.

VOORREDE VAN DE 2DE ENGELSCHE UITGAAF 5.

INLEIDING 7.

EERSTE GEDEELTE.

De Afstamming van den Mensch.

EERSTE HOOFDSTUK.

DE BEWIJZEN VAN ’S MENSCHEN AFSTAMMING VAN DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM.

Aard der bewijzen, die betrekking hebben op ’s menschen oorsprong.—Gelijkvormigheid van maaksel bij den mensch en de lagere diersoorten.—Verschillende punten van overeenstemming.—Ontwikkeling.—Rudimentaire organen, spieren, zintuigen, haar, geslachtsdeelen, enz.—Het gewicht van deze drie groote klassen van feiten voor het vraagstuk van den oorsprong van den mensch blz. 11.

AANTEEKENINGEN 33.

TWEEDE HOOFDSTUK.

OVER DE WIJZE, WAAROP DE MENSCH ZICH UIT DEZEN OF GENEN LAGEREN VORM HEEFT ONTWIKKELD.

Variabiliteit van lichaam en geest bij den mensch.—Erfelijkheid.—Oorzaken van variabiliteit.—De wetten der variabiliteit zijn bij den mensch de zelfde als bij de lagere dieren.—Rechtstreeksche invloed der levensvoorwaarden.—Gevolgen van het vermeerderd gebruik en van het niet-gebruiken van deelen.—Stilstand in de ontwikkeling.—Atavisme.—Variaties ten gevolge van correlatie.—Toeneming der bevolking.—Hinderpalen daartegen.—Natuurlijke teeltkeus.—De mensch is van alle dieren dat, hetwelk de grootste geographische verspreiding heeft.—Belangrijkheid van zijn lichamelijk maaksel—De oorzaken die hem hebben gebracht tot den opgerichten gang—Veranderingen in zijn maaksel die daarvan het gevolg zijn.—Afneming in grootte der hoektanden.—Vermeerdering der lichaamsgrootte en veranderde vorm van den schedel.—Naaktheid—Ontbreken van den staart.—Weerlooze toestand van den mensch blz. 52.

AANTEEKENINGEN 99.

DERDE HOOFDSTUK.

VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.

Het verschil in geestvermogens tusschen den hoogsten aap en den minst ontwikkelden wilde is verbazend groot—Sommige instinkten zijn aan beiden gemeen.—Gemoedsaandoeningen.—Nieuwsgierigheid.—Zucht tot navolging.—Oplettendheid.—Geheugen.—Verbeeldingskracht.—Rede.—Trapsgewijze ontwikkeling.—Werktuigen en wapenen door dieren gebruikt—Vermogen om afgetrokken denkbeelden te vormen, zelfbewustzijn.—Spraak.—Schoonheidsgevoel.—Geloof in God, in de werkzaamheid van geesten, bijgeloof blz. 111.

AANTEEKENINGEN 149.

OVER DEN OORSPRONG DER SPRAAK EN TAAL, door Dr. H. H. H. van Zouteveen 164.

VIERDE HOOFDSTUK.

VERGELIJKING TUSSCHEN DE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH EN DIE DER LAGERE DIEREN.—VERVOLG.

Zedelijk gevoel.—Fundamenteele stelling.—De eigenschappen van gezellig levende of sociale dieren.—Oorsprong van het gezellige leven.—Strijd tusschen tegenovergestelde instinkten.—De mensch is een sociaal dier.—De meer duurzame sociale instinkten overwinnen andere minder duurzame instinkten.—De sociale instinkten alleen worden door wilden gewaardeerd.—De deugden jegens zich zelven worden op een hooger trap van ontwikkeling verkregen.—De belangrijkheid van het oordeel van de leden van ééne en de zelfde maatschappij over het gedrag.—Erfelijkheid van zedelijke neigingen.—Besluit, waartoe de in de beide laatste hoofdstukken vermelde feiten leiden blz. 180.

AANTEEKENINGEN 215.

WALLACE OVER DE HOOGSTE GEESTVERMOGENS VAN DEN MENSCH, door Dr. H. H. H. van Zouteveen 226.

VIJFDE HOOFDSTUK.

OVER DE ONTWIKKELING DER VERSTANDELIJKE EN ZEDELIJKE VERMOGENS GEDURENDE DE VOORHISTORISCHE EN BESCHAAFDE TIJDEN.

De volmaking der verstandelijke vermogens door natuurlijke teeltkeus.—Belangrijkheid van de nabootsing.—Sociale en zedelijke vermogens.—Hun ontwikkeling binnen de grenzen van een zelfden stam.—De natuurlijke teeltkeus oefent ook op beschaafde volken invloed uit—Bewijzen dat de beschaafde volken eens in wilden staat verkeerden blz. 237.

AANTEEKENINGEN 260.

ZESDE HOOFDSTUK.

OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.

Plaats van den mensch in het dierenrijk—Het natuurlijke stelsel berust op de afstamming.—Adaptieve kenmerken hebben geringe waarde—Verschillende kleine punten van overeenkomst tusschen den mensch en de apen—Rang van den mensch in het natuurlijke stelsel.—Plaats van ontstaan en oudheid van den mensch.—Afwezigheid van fossiele verbindingsleden—Lagere trappen in den stamboom van den mensch, afgeleid, ten eerste uit zijn verwantschap, ten tweede uit het maaksel van zijn lichaam—Voormalige tweeslachtigheid (hermaphroditisme) der Gewervelde Dieren.—Besluit blz. 264.

AANTEEKENINGEN 289.

BIJLAGE, BEHOORENDE BIJ HET ZESDE HOOFDSTUK.

STELLINGEN BETREFFENDE DE ONTWIKKELINGS-HYPOTHESE EN DE AFSTAMMING VAN HET MENSCHELIJK GESLACHT, door Dr. P. Harting, in leven Hoogleeraar te Utrecht blz. 323.

ZEVENDE HOOFDSTUK.

OVER DE MENSCHENRASSEN.

De aard en waarde van soortkenmerken.—Toepassing op de menschenrassen.—Bewijsgronden voor en tegen het rangschikken der zoogenaamde menschenrassen als afzonderlijke soorten.—Onder-soorten (Sub-species).—Monogenisten en polygenisten.—Convergentie van kenmerken.—Talrijke punten van overeenkomst in lichaam en geest tusschen de meest verschillende menschenrassen.—De toestand van den mensch toen hij zich het eerst over de aarde verspreidde.—Elk ras stamt niet af van een enkel paar.—Het uit sterven van rassen.—Het ontstaan van rassen.—De uitwerkselen van kruising.—Geringe invloed van de directe werking der levensvoorwaarden.—Ook de natuurlijke teeltkeus heeft daarop weinig of geen invloed.—De seksueele teeltkeus blz. 329.

AANTEEKENINGEN 370.

VERHANDELING OVER DE PUNTEN VAN OVEREENKOMST EN VAN VERSCHIL IN HET MAAKSEL EN DE ONTWIKKELING DER HERSENEN BIJ DEN MENSCH EN DE APEN, door Professor Huxley, F. R. S. 389.

AANTEEKENING 399.

HET OORSPRONKELIJK VADERLAND VAN DEN MENSCH EN DE OUDSTE VOLKSVERHUIZINGEN IN HET PALAEOLITHISCHE TIJDVAK, door Dr. H. H. H. van Zouteveen 400.

AANTEEKENINGEN 430.

TWEEDE GEDEELTE.

De Seksueele Teeltkeus.

ACHTSTE HOOFDSTUK.

GRONDBEGINSELEN DER SEKSUEELE TEELTKEUS.

Secundaire seksueele kenmerken.—De seksueele teeltkeus.—Overmaat van mannetjes.—Veelwijverij.—Het mannetje alleen wordt gewoonlijk door de seksueele teeltkeus veranderd.—Begeerlijkheid van het mannetje.—Variabiliteit van het mannetje.—Keus door het wijfje uitgeoefend.—Vergelijking tusschen de seksueele en de natuurlijke teeltkeus.—Overerving op overeenkomstigen leeftijd, in overeenkomstige jaargetijden en haar beperking door de sekse.—Betrekking tusschen de verschillende vormen van erfelijkheid.—Oorzaken waarom de eene sekse en de jongen door de seksueele teeltkeus niet worden gewijzigd.—Bijvoegsel over de verhouding tusschen het aantal mannetjes en wijfjes in het geheele dierenrijk.—Over de beperking van het aantal individu’s van elke sekse door natuurlijke teeltkeus blz. 434.

AANTEEKENINGEN 501.

NEGENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE LAGERE KLASSEN VAN HET DIERENRIJK.

Deze kenmerken ontbreken bij de laagste klassen.—Schitterende kleuren.—Weekdieren (Mollusca).—Ringwormen (Annelida).—Schaaldieren (Crustacea); de secundaire seksueele kenmerken bij deze zeer ontwikkeld; dimorphisme; kleur; de kenmerken niet verkregen dan op volwassen leeftijd.—Spinnen (Arachnoïdea); haar seksueele kleuren; sjirpen der mannetjes.—Duizendpooten (Myriapoda) blz. 511.

AANTEEKENINGEN 528.

TIENDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN.

Verschillende organen van de mannetjes om de wijfjes te grijpen.—Verschillen tusschen de seksen, waarvan de beteekenis niet wordt begrepen.—Verschil in grootte tusschen de seksen.—Springstaarten (Thysanura).—Tweelingen (Diptera).—Halfvleugeligen (Hemiptera).—Gelijkvleugeligen (Homoptera); alleen de mannetjes bezitten het vermogen muzikale geluiden voort te brengen.—Rechtvleugeligen (Orthoptera); de muziekwerktuigen der mannetjes van zeer verschillend maaksel; strijdlustigheid; kleuren.—Netvleugeligen (Neuroptera); seksueele kleurverschillen.—Vliesvleugeligen (Hymenoptera); strijdlustigheid en kleuren.—Schildvleugeligen (Celeoptera); kleuren; sommige bezitten groote horens, die blijkbaar tot versiering strekken; gevechten; sjirporganen gewoonlijk aan beide seksen gemeen blz. 531.

AANTEEKENINGEN 570.

ELFDE HOOFDSTUK.

SECUNDAIRE SEKSUEELE KENMERKEN BIJ DE INSEKTEN, VERVOLG.—ORDE DER SCHUBVLEUGELIGEN (Lepidoptera).

Vrijage bij de Dagvlinders.—Gevechten.—Tikkend geluid.—Kleuren aan beide seksen gemeen of het schitterendst bij de mannetjes.—Voorbeelden.—Zij zijn niet het gevolg van de rechtstreeksche werking der levensvoorwaarden.—Kleuren die tot bescherming geschikt zijn gemaakt.—Kleuren der Nachtvlinders.—Pronkerij.—Waarnemingsvermogen der Schubvleugeligen.—Veranderlijkheid.—Oorzaken van het verschil in kleur tusschen mannetjes en wijfjes.—Nabootsing, vrouwelijke Dagvlinders die fraaier gekleurd zijn dan de mannetjes.—Schitterende kleuren van rupsen.—Overzicht en slotopmerkingen betreffende de secundaire seksueele kenmerken der Insekten.—Vergelijking tusschen Vogels en Insekten blz. 575.

AANTEEKENINGEN 607.

SUPPLEMENTAIRE AANTEEKENING OP HOOFDSTUK XI.

DE SEKSUEELE KLEUREN DER VLINDERS, door C. Darwin (vertaald uit Nature, vol. XXI, 1880, blz. 237) blz. 612.

AANTEEKENINGEN 614.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings