← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

INLEIDING.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

De aard van het volgende werk zal het beste worden begrepen door een korte mededeeling der redenen, die mij aanleiding gaven het te schrijven. Gedurende vele jaren verzamelde ik aanteekeningen over den oorsprong of afstamming van den mensch, zonder eenig voornemen om iets over dat onderwerp in het licht te geven, of liever met het stellige voornemen om niets daarover in het licht te geven, daar ik meende, dat ik daardoor het vooroordeel tegen mijn beschouwingen slechts zou doen toenemen. Het scheen mij voldoende, in de eerste uitgaaf van mijn „Ontstaan der Soorten” aan te stippen, dat door dit werk „licht zou worden geworpen op den oorsprong van den mensch en zijn geschiedenis”, en hierin ligt opgesloten, dat elk algemeen besluit omtrent de wijze, waarop de organische wezens op aarde zijn verschenen, ook op den mensch toepasselijk is. Op dit oogenblik echter verschijnt de zaak in een geheel ander daglicht. Als een zoo beroemd natuuronderzoeker als Carl Vogt niet schroomt om in zijn toespraak als President van het Nationale Instituut van Genève (1869) te zeggen: „personne, en Europe au moins, n’ose plus soutenir la création indépendante et de toutes pièces des espèces”, dan is het duidelijk, dat ten minste een groot aantal natuuronderzoekers moeten aannemen, dat de tegenwoordig levende soorten de gewijzigde afstammelingen van andere soorten zijn; en dit is vooral het geval met de jonge en opkomende natuuronderzoekers. Het grootste gedeelte van hen nemen de werking der natuurlijke teeltkeus aan, schoon sommigen beweren, of het met recht is, moet de toekomst beslissen, dat ik de belangrijkheid er van veel te hoog heb geschat. Van de oudere en geëerde hoofden in de natuurwetenschap zijn ongelukkig velen nog tegenstanders van de ontwikkelingstheorie in welken vorm dan ook.

Ten gevolge van de beschouwingen, die tegenwoordig door de meeste natuuronderzoekers worden aangenomen, en die ten laatste, evenals in elk ander geval, door andere menschen zullen worden gedeeld, ben ik er toe gekomen om mijn aanteekeningen bijeen te brengen, om daardoor te zien in hoeverre de algemeene besluiten, waartoe ik in mijn vorige werken kwam, op den mensch toepasselijk waren. Dit scheen mij des te wenschelijker, daar ik met opzet deze beschouwingen nog nooit op ééne enkele soort, afzonderlijk genomen, had toegepast. Als wij onze aandacht tot een bepaalden vorm beperken, zijn wij beroofd van de gewichtige bewijsgronden, welke worden afgeleid uit den aard der verwantschappen, die geheele groepen van organismen onderling verbinden—hun geographische verspreiding, zoowel in vroegere tijdvakken als tegenwoordig, en hun geologische opeenvolging. De homologe structuur(1), embryologische ontwikkeling en rudimentaire organen(2) van een soort, hetzij het de mensch of eenig ander dier zij, waarop onze aandacht is gevestigd, blijven ter overweging over; maar deze groote klassen van feiten leveren, dunkt mij, overvloedige en afdoende bewijsgronden op ten gunste van het beginsel van trapsgewijze ontwikkeling. De sterke steun, dien de andere bewijsgronden daaraan nog geven, moet echter steeds in acht worden genomen.

Het eenige doel van dit werk is om na te gaan, eerstens, of de mensch, evenals elke andere diersoort, van dezen of genen vroeger bestaan hebbenden vorm afstamt; ten tweede, de wijze, waarop hij zich heeft ontwikkeld; ten derde de belangrijkheid van de verschillen tusschen de zoogenaamde menschenrassen. Daar ik mij tot deze punten wil beperken, zal het niet noodig zijn de verschilpunten tusschen de onderscheidene rassen uitvoerig te beschrijven—een hoogst uitgebreid onderwerp, dat in vele uitnemende werken grondig is besproken. De hooge oudheid van het menschelijk geslacht is sedert korten tijd bewezen door de onderzoekingen van een menigte uitstekende mannen, te beginnen met den heer Boucher de Perthes(3); en dit is een onmisbare grondslag voor het begrijpen van deszelfs oorsprong. Ik zal daarom dit feit voor bewezen houden, en mijn lezers verwijzen naar de bewonderenswaardige verhandelingen van Sir Charles Lyell(4), Sir John Lubbock en anderen. Ik zal ook geen gelegenheid hebben om meer te doen dan te zinspelen op de hoegrootheid van het verschil tusschen den mensch en de anthropomorphe apen; want Prof. Huxley heeft volgens de meening van zeer bevoegde rechters overtuigend aangetoond, dat de mensch in elk afzonderlijk zichtbaar kenmerk minder verschilt van de hoogere apen, dan deze van de lagere leden der zelfde orde van de Primaten.

Ik was eerst voornemens bij deze deelen nog een verhandeling te voegen over het uitdrukken der verschillende gemoedsaandoeningen bij den mensch en de lagere dieren. Mijn aandacht werd reeds vele jaren geleden op dit onderwerp gevestigd door het bewonderenswaardige werk van Sir Charles Bell. Deze beroemde ontleedkundige beweert, dat de mensch sommige spieren alleen bezit, ten einde daarmede zijn gemoedsaandoeningen uit te drukken. Daar dit gevoelen klaarblijkelijk in tegenspraak is met het geloof, dat de mensch van dezen of genen lageren vorm afstamt, was het noodig, dat ik het behandelde. Ik wenschte eveneens uit te maken, in hoeverre de gemoedsaandoeningen door de verschillende menschenrassen op de zelfde wijze worden uitgedrukt. Met het oog op de lengte van het onderhavige werk, heb ik echter gemeend, dat het beter was mijn verhandeling, die gedeeltelijk is voltooid, voor een afzonderlijke uitgave te bewaren.

Ch. DARWIN.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings