Note 1 — INLEIDING.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Dit werk bevat bijna geen enkel nieuw feit omtrent den mensch; maar daar de besluiten, waartoe ik na een ruwe optelling kwam, mij belangrijk voorkwamen, dacht ik, dat ook anderen er wellicht belang in konden stellen. Men heeft dikwijls met het meeste zelfvertrouwen verzekerd, dat de oorsprong van den mensch nimmer bekend kan worden; maar onwetendheid leidt dikwijls meer tot zelfvertrouwen dan grondige kennis; slechts zij die weinig weten, en geenszins zij die veel weten, verzekeren zoo stellig, dat het eene of andere vraagstuk nimmer door de wetenschap zal worden opgelost. Het besluit, dat de mensch gezamenlijk met andere soorten van den eenen of anderen ouden, lageren en uitgestorven vorm afstamt, is volstrekt niet nieuw. Lamarck kwam reeds lang geleden tot dit besluit, dat onlangs door verscheidene beroemde natuurkundigen en wijsgeeren is verdedigd; bij voorbeeld door Wallace, Huxley, Lyell, Vogt, Lubbock, Büchner, Rolle enz.1, en vooral door Haeckel. Deze laatste natuuronderzoeker heeft, behalve zijn groot werk „Generelle Morphologie” (1866) onlangs (1868, met een tweede uitgaaf in 1870) zijn „Natürliche Schöpfungsgeschichte” uitgegeven, waarin hij de afstamming van den mensch uitvoerig bespreekt. (5) Ware dit werk in het licht verschenen, voor mijn geschrift geheel was geschreven, dan zou ik het waarschijnlijk nooit hebben voltooid. Bijna al de besluiten, waartoe ik ben gekomen, vind ik door dezen natuuronderzoeker bevestigd, wiens kennis op vele punten veel vollediger is dan de mijne. Overal waar ik eenig feit of gevoelen uit Prof. Haeckel’s geschriften hieraan heb toegevoegd, geef ik zulks in den tekst op; andere opgaven laat ik zooals zij oorspronkelijk in mijn handschrift stonden, nu en dan in de noten naar zijn werken verwijzende, als een bevestiging van de meer twijfelachtige of belangrijke punten.