Note 5 — OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Wij zullen eerst de bewijsgronden beschouwen, die men kan aanvoeren ten gunste der meening, dat de menschenrassen als afzonderlijke soorten behooren te worden gerangschikt, en daarna die, welke daartegen pleiten. Indien een natuuronderzoeker, die nooit te voren zulke wezens had gezien, een Neger, Hottentot, Nieuw Hollander of Mongool met elkander moest vergelijken, zou hij dadelijk bespeuren, dat zij in een menigte van kenmerken, sommige van weinig, andere van groot belang, van elkander verschilden. Bij nader onderzoek zou hij vinden, dat zij ingericht waren om in zeer verschillende klimaten te leven, en dat zij een weinig in lichaamsgestel en geestelijken aanleg verschilden. Indien men hun dan zeide, dat honderden dergelijke voorwerpen uit de zelfde landen konden worden overgebracht, zou hij zeker verklaren, dat zij even goede soorten waren, als vele waaraan hij gewoon was geweest bepaalde soortnamen te geven. Dit besluit zou zeer worden versterkt, zoodra hij zich had overtuigd, dat deze vormen alle gedurende vele eeuwen de zelfde kenmerken hadden behouden, en dat negers, blijkbaar volkomen gelijk aan de thans bestaande negers, reeds voor minstens 4000 jaar hadden geleefd.5 Hij zou ook van een uitnemend waarnemer, Dr. Lund6, hooren, dat de menschelijke schedels, in de holen van Brazilië gevonden, begraven in gezelschap van die van vele uitgestorven zoogdieren, tot het zelfde type behoorden als die welke thans over het geheele Amerikaansche vasteland heerscht. (5)