Note 21 — OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Het is echter mogelijk, hoewel ver van waarschijnlijk, dat de vroege voorouders van den mensch eerst zeer uiteenloopende kenmerken vertoonden, totdat zij meer ongelijk aan elkander werden dan eenige der bestaande rassen; maar dat zij vervolgens, zooals Vogt21 heeft vermoed, in kenmerken tot elkander naderden. Als de mensch met het zelfde doel de jongen van twee verschillende soorten voor de teelt uitkiest, veroorzaakt hij soms, voor zoover het algemeen uiterlijk aangaat, een belangrijke toenadering in kenmerken. Dit is het geval, zooals von Nathusius22 heeft aangetoond, met de verbeterde varkensrassen, die van twee verschillende soorten afstammen, en op minder goed uitgesproken wijze met de verbeterde veerassen. Een groot ontleedkundige, Gratiolet, houdt vol, dat de anthropomorphe apen geen natuurlijke ondergroep vormen, maar dat de orang een hoog ontwikkelde gibbon of slankaap (Semnopithecus), de chimpanzee een hoog ontwikkelde macacus, en de gorilla een hoog ontwikkelde mandril is. Indien dit besluit, dat bijna uitsluitend op hersenkenmerken berust, juist mocht zijn, zouden wij hier een geval van toenadering (convergentie) ten minste in uitwendige kenmerken hebben; want de anthropomorphen gelijken zeker in vele punten meer op elkander, dan op andere apen. Alle gelijkenissen die op analogie berusten, zooals die van een walvisch op een visch, kunnen inderdaad worden gezegd gevallen van toenadering (convergentie) te zijn; doch deze uitdrukking is nooit gebruikt voor oppervlakkige en op geschiktwording voor een zelfde levenswijze (adaptatie) berustende gelijkenissen. Het zou in de meeste gevallen uiterst overijld zijn, om groote overeenkomst in vele punten van het maaksel toe te schrijven aan toenadering (convergentie) van wezens die eens zeer verschillend waren geweest. De vorm van een kristal wordt alleen door moleculaire krachten bepaald, en het is niet te verwonderen, dat ongelijksoortige zelfstandigheden somtijds den zelfden vorm aannemen; maar bij organische wezens moeten wij bedenken, dat de vorm van elk hunner van een oneindig aantal samengestelde betrekkingen afhangt, namelijk van de wijzigingen die plaats hebben gehad, en welke het gevolg zijn van veel te ingewikkelde oorzaken, dan dat men die geheel zou kunnen doorgronden,—van den aard der wijzigingen die behouden zijn gebleven, en deze hangt af van de omringende physische toestanden, en in nog hooger mate van de omringende organismen waarmede elk in wedstrijd is gekomen,—en ten laatste, van overerving (hetwelk op zich zelf een ongestadig (fluctueerend) element is) van tallooze voorouders waarvan de vormen op hun beurt allen door even samengestelde betrekkingen werden bepaald. Het schijnt geheel ongeloofelijk, dat twee organismen, indien zij werkelijk verschilden, later zoo sterk tot elkander zouden naderen (convergeeren), dat zulks bijna volkomen gelijkheid van hun geheele organisatie ten gevolge had. In het bovenvermelde geval van de tot elkander naderende (convergeerende) varkensrassen, zijn er volgens von Nathusius nog duidelijke bewijzen van hun afstamming van twee oorspronkelijke stamvormen in zekere beenderen van hun schedels bewaard gebleven. Indien de menschenrassen, zooals door sommige natuuronderzoekers wordt ondersteld, van twee of meer verschillende soorten afstamden, die zooveel of bijna zooveel van elkander verschilden, als de orang van den gorilla, kan men nauwelijks betwijfelen, dat werkelijke verschillen in het maaksel van sommige beenderen nog zouden zijn aan te wijzen bij den mensch, zooals hij nu bestaat. (14)