Note 72 — OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
In 1889 heeft echter de Deensche anthropoloog Soren Hanssen een uitvoerige beschrijving van bovengenoemde beenderen uit de holen van Lagoa-Santa gegeven.72 De meeste daarvan zijn uit het Samiroudohol afkomstig; er werden daar echter geen dierenbeenderen er bij gevonden, door welke een bepaald besluit zou kunnen worden gemaakt omtrent de geologische periode waarin de menschen, waarvan de beenderen afkomstig waren, hebben geleefd. Evenmin vond men er werktuigen of wapenen bij. De beenderen zijn echter blijkbaar zeer oud, zij zijn gecalcineerd en meer of min met ijzerconglomeraten geïncrusteerd. Hun kleur varieert van bleekgeel tot donkerbruin. Zij zijn afkomstig van een zeer krachtig ras, dat echter klein van gestalte was. De 16 schedels uit voornoemde holen, waarvan er zich 14 op het museum te Kopenhagen bevinden, vertoonen een opmerkelijke gelijkvormigheid; zij zijn zeer hoog en tevens lang met afgeronde schedelwelving. Het gelaat is van middelbare grootte, het voorhoofd geenszins achteruitwijkend, maar veeleer van pyramidalen vorm, de wenkbrauwbogen en de streek tusschen de oogholten zijn goed ontwikkeld. Het prognathisme komt bij de onder de neusopening gelegen deelen der bovenkaak bijzonder duidelijk te voorschijn. De doorsnede van den schedel, van jukbeen tot jukbeen gemeten, is groot, de basis van den jukboog breed, de boven de tepelvormige uitsteeksels van het slaapbeen gelegen streek van den schedel aanmerkelijk ontwikkeld. De omtrek der schedels is van middelmatige grootte; zij zijn dolichocephaal, een nauwkeurige bepaling van hun inhoud was wegens hun beschadigden toestand onmogelijk.