← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 27 — OVER DE MENSCHENRASSEN.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Daar het onwaarschijnlijk is, dat de talrijke onbelangrijke punten van gelijkenis tusschen de verschillende menschenrassen in lichamelijk maaksel en geestvermogens (ik beroep mij hier niet op overeenkomst in gewoonten) alle onafhankelijk van elkander zouden zijn verkregen, moeten zij zijn overgeërfd van stamouders welke die kenmerken bezaten. Wij verkrijgen aldus eenige kennis omtrent den vroegsten toestand van den mensch, voor hij zich stap voor stap over de oppervlakte der aarde had verspreid. De verspreiding van den mensch over streken die door groote zeeën worden gescheiden, ging ongetwijfeld vooraf aan elke aanmerkelijke uiteenwijking (divergentie) in kenmerken van de verschillende rassen; want anders zouden wij somtijds het zelfde ras in verschillende vastelanden ontmoeten; en dit is nimmer het geval. (16) Sir J. Lubbock somt, na de kunsten te hebben vergeleken, welke thans door de wilden in alle werelddeelen worden beoefend, die op, welke de mensch niet kan hebben gekend toen hij het eerst verhuisde uit zijn oorspronkelijk vaderland; want, eens geleerd, zouden zij nimmer zijn vergeten.27 Hij komt zoo tot het besluit, dat „de speer, die slechts de ontwikkeling van een mespunt, en de knots, die slechts een lange hamer is, de eenige zaken zijn, die overblijven.” Hij neemt echter aan, dat de kunst om vuur te maken waarschijnlijk reeds was ontdekt; want zij is gemeen aan alle thans bestaande rassen en was aan de oude holbewoners van Europa bekend. Wellicht was de kunst om ruwe kano’s of vlotten te maken, eveneens bekend, maar, daar de mensch reeds in een zeer lang geleden tijdperk bestond, waarin de verdeeling van land en water op vele plaatsen geheel verschillend was, zou hij ook in staat zijn geweest zich zonder behulp van kano’s ver te verspreiden. Sir J. Lubbock merkt verder op, hoe onwaarschijnlijk het is, dat onze vroegste voorouders „tot tien hebben kunnen tellen, in aanmerking nemende, dat zoovele thans bestaande rassen het niet verder kunnen brengen dan vier.” Toch kunnen in dat vroege tijdperk de verstandelijke en sociale vermogens van den mensch moeielijk zeer veel geringer zijn geweest, dan die welke thans de laagste wilden bezitten; anders zou de oorspronkelijke mensch in den levensstrijd niet zoo uitnemend voorspoedig kunnen zijn geweest, als door zijn vroege en verre verspreiding wordt bewezen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings