Note 71 — OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Men vergelijke S. B. Sketchley, „On the Occurrence of Stone Mortars in the ancient river-gravels of Butte-County (California)”, in „Journ. of the Anthrop. Institute of Great Britain and Ireland”, 1889, blz. 332. De geheele tertiaire steentijd wordt tegenwoordig door de Mortillet eolithische periode genoemd, een slecht gekozen naam! Wij zouden liever spreken van een pliolithische, miolithische en eolithische periode, al naar de bewerkte vuursteenen in pliocene of eventueel in miocene of eocene lagen waren gevonden.
Omtrent de in onze aanteekening 22, blz. 43, vermelde indeeling der voorhistorische tijden in steen-, brons- en ijzertijd (in 1836 in de wetenschap ingevoerd door den Deenschen oudheidkundige Thomsom, op grond zijner studiën in het rijke museum van oudheden te Kopenhagen), wenschen wij hier nog mede te deelen, dat in de laatste jaren van verschillende zijden in twijfel is getrokken, of zelfs ontkend, dat men van een bepaalden bronstijd mag spreken, en beweerd, dat de kennis van het ijzer ouder was dan die van het brons. Men vergelijke: R. Andree, „Die Metalle bei den Naturvölkern”, Leipzig, 1884; Dr. L. Beck, „Die Geschichte des Eisens”, Braunschweig, Vieweg, 1885; Dr. M. Alsberg, „Die Anfänge der Bronzecultur”, Berlin, 1885; Dr. A. J. C. Snijders, „De oorsprong der menschelijke nijverheid” (Slot), in den „Tijdspiegel” van Maart, 1891. Men zie omtrent den bronstijd en den tusschen dezen en den steentijd te plaatsen kopertijd echter ook Prof. R. S. Tjaden Modderman in „Album der Natuur”, 1891, blz. 81. ↑