Note 1 — OVER DE MENSCHENRASSEN.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Laten wij nu deze algemeen aangenomen beginselen op de rassen van den mensch toepassen, hen in den zelfden geest beschouwende als een natuuronderzoeker dit elk ander dier zou doen. Wat de hoegrootheid van het verschil tusschen de rassen aangaat, moeten wij eenigszins in rekening brengen, dat ons onderscheidingsvermogen daarvoor vrij wat is verscherpt door de langdurige gewoonte om op ons zelven te letten. Hoewel in Indië, zooals Elphinstone opmerkt1, een pas aangekomen Europeaan eerst de verschillende rassen van inboorlingen niet van elkander kan onderscheiden, schijnen zij hem toch weldra uiterst ongelijk; en de Hindoe kan eerst volstrekt geen onderscheid zien tusschen de verschillende Europeesche volken. (1) Zelfs de het meest van elkander afwijkende menschenrassen, zekere neger-stammen uitgezonderd, gelijken in vorm veel meer op elkander, dan men a priori zou onderstellen. Dit wordt goed bewezen door de Fransche photogrammen van menschen, tot verschillende rassen behoorende, in de „Collection Anthropologique du Muséum”, waarvan de meesten, gelijk vele personen, aan wie ik ze toonde, hebben opgemerkt, voor Europeanen zouden kunnen doorgaan. Desniettegenstaande zouden die menschen, als men ze levend zag, ongetwijfeld zeer verschillend schijnen, zoodat klaarblijkelijk eenvoudig de kleur van het vel en haar, geringe verschillen in de gelaatstrekken en de uitdrukking daarvan grooten invloed op ons oordeel uitoefenen.