Note 1 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Sommige natuuronderzoekers, op welke de verstandelijke en geestelijke vermogens van den mensch een diepen indruk hadden gemaakt, hebben de geheele organische wereld in drie rijken verdeeld, het Menschenrijk, het Dierenrijk en het Plantenrijk, en dus den mensch tot een afzonderlijk Rijk gebracht.1 (1) Geestvermogens kunnen door een natuuronderzoeker niet worden vergeleken noch geklassificeerd; maar hij kan beproeven om aan te toonen, zooals ik heb gedaan, dat de geestvermogens van den mensch niet in hoedanigheid, ofschoon verbazend in hoeveelheid van die der overige dieren verschillen. Een verschil in hoeveelheid, hoe groot het ook zij, geeft ons nog geen recht om den mensch in een afzonderlijk Rijk te plaatsen, zooals wellicht het best zal worden bewezen door de geestvermogens van twee insekten, een schildluis (Coccus) en een mier, die ontegenzeggelijk tot de zelfde klasse behooren, met elkander te vergelijken. Het verschil is hier grooter, hoewel van eenigszins verschillenden aard, dan tusschen den mensch en het hoogste zoogdier. De vrouwelijke schildluis hecht zich, terwijl zij jong is, met haar zuigsnuit aan een plant, zuigt het sap uit, maar verandert nooit meer van plaats, wordt bevrucht en legt eieren, en dit is haar geheele geschiedenis. Daarentegen zou, zooals Pierre Huber heeft aangetoond, de beschrijving der gewoonten en geestvermogens van een vrouwelijke mier een dik boekdeel vullen; ik wil echter eenige punten nader opnoemen. Mieren doen elkander mededeelingen en verscheidene vereenigen zich tot het volbrengen van het zelfde werk of om met elkander te spelen. Zij herkennen hun medemieren na maandenlange afwezigheid. Zij bouwen groote gebouwen, houden die schoon, sluiten ’s avonds de deuren en zetten schildwachten uit. Zij maken wegen en zelfs tunnels onder rivieren. (2) Zij verzamelen voedsel voor het gemeenebest en wanneer een voorwerp, te groot om binnen te komen, naar het nest wordt gebracht, vergrooten zij de deur en herstellen die later weder.2 Zij trekken in geregelde benden ten strijde, en offeren vrijwillig hun leven op voor het algemeen welzijn. Zij verhuizen volgens een vooraf beraamd plan. Zij houden slavenjachten. Zij houden bladluizen als melkkoeien. Zij brengen de eieren van hun bladluizen even goed als hun eigen eieren en poppen naar warme plaatsen in het nest, opdat zij spoedig zouden worden uitgebroed; tallooze dergelijke feiten zou men kunnen opsommen. Over het geheel is het verschil in geestvermogens tusschen een mier en een schildluis verbazend groot; en toch heeft niemand er ooit over gedacht ze tot verschillende Klassen, laat staan tot verschillende Rijken te brengen. Ongetwijfeld wordt deze tusschenruimte overbrugd door de tusschen beide in staande geestvermogens van vele andere insekten; en dit is niet het geval met den mensch en de hoogere apen. Wij hebben echter alle reden om aan te nemen, dat dergelijke gapingen in de reeks eenvoudig het gevolg zijn van het uitsterven van vele vormen.