Note 13 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
„Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Deel I, blz. 371, 224, Deel II, blz. 97. Ik moet hier den lezer herinneren, dat de onvruchtbaarheid van soorten bij kruising geen afzonderlijk verkregen hoedanigheid is; maar evenals de onvatbaarheid van sommige boomen om op elkander te worden geënt, van andere verkregen verschillen afhangt. De aard van deze verschillen is onbekend, maar zij hebben meer in het bijzonder op het voortplantingsstelsel en veel minder op het uitwendig maaksel of gewone verschillen in gestel betrekking. Eén belangrijk element voor de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten ligt blijkbaar daarin, dat een of beide lang zijn gewend aan vaste levensvoorwaarden; want wij weten, dat veranderde levensvoorwaarden een bijzonderen invloed hebben op het voortplantingsgestel, en wij hebben goede gronden om aan te nemen (zooals vroeger is opgemerkt), dat de afwisselende levensvoorwaarden bij de temming een neiging doen geboren worden tot opheffing van die onvruchtbaarheid, welke zoo algemeen is bij de kruising van soorten in den natuurstaat. Elders (ibid. Deel II, blz. 185–191, en „Ontstaan der Soorten”, 3de Ned. Uitgaaf, blz. 425) is door mij aangetoond, dat de onvruchtbaarheid van gekruiste soorten niet is verkregen door natuurlijke teeltkeus (9); wij kunnen inzien, dat het, wanneer twee vormen reeds zeer onvruchtbaar zijn gemaakt, nauwelijks mogelijk is, dat hun onvruchtbaarheid zou toenemen door het behouden blijven of het overleven der meer en meer onvruchtbare individu’s; want als de onvruchtbaarheid vermeerdert, zullen er hoe langer hoe minder nakomelingen worden geboren, die zich kunnen voortplanten, en ten laatste zullen er slechts enkele individu’s met groote tusschenruimten worden geboren. Er bestaat echter nog een grooter graad van onvruchtbaarheid. Zoowel Gärtner als Kölreuter hebben bewezen, dat bij geslachten van planten, die talrijke soorten bevatten, een reeks kan worden gevormd van soorten die bij kruising hoe langer hoe minder zaden voortbrengen, tot soorten die nimmer een enkel zaad voortbrengen, maar op welke toch het stuifmeel van de andere soorten nog invloed uitoefent; want de kiem zwelt op. Hier is het klaarblijkelijk onmogelijk om de onvruchtbaarste individu’s, die reeds hebben opgehouden zaden te geven, voor de voortplanting uit te kiezen; zoodat het toppunt van onvruchtbaarheid, waarbij alleen de kiem wordt aangedaan, niet door teeltkeus kan worden verkregen. Dit toppunt, en ongetwijfeld ook de andere graden van onvruchtbaarheid, zijn toevallige gevolgen van zekere onbekende verschillen in den aard van het voortplantingsstelsel der soorten die worden gekruist. ↑