Note 45 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Lankester zegt t.a.p.: „De kieuwspleten der Craniata worden, als zij tot de ademhaling dienen, over het algemeen beschermd door een operculaire45 plooi van den lichaamswand, die er overheên hangt, en homoloog is met den epipleuralen46 plooi van Amphioxus, den kraag van Balanoglossus en wellicht met den wand der atriale kamer van de Urochorda. De uitbreiding van deze plooi langs de zijden van het middelste gedeelte van het lichaam (tusschen de keelstreek en de aars) verkreeg bij voorouders der Craniata de functie van een doorloopende rechter- en linker zijdelingsche vin (zie Fig. 9). Tegelijkertijd ontwikkelde zich een doorloopende onparige vin, over rug- en staartgedeelte tot den aars om het lichaam heên, welke overeenstemt met de rug-, staart- en aarsvinnen der bestaande visschen. Zoowel in de parige als in de onparige vinnen ontwikkelde zich een kraakbeenig geraamte, bestaande uit een overlangs loopende staaf, die een aantal stralen, evenals de tanden van een kam gerangschikt, steunde. De oorspronkelijke vorm van het vinskelet is in de onparige vinnen van sommige haaien bewaard gebleven; de oorspronkelijke zijdelingsche vin is in alle gevallen òf geheel verdwenen (lampreien) evenals haar verlenging aan den voorkant (het operculum), òf zij is met de elementen van haar skelet geconcentreerd in twee streken en heeft aldus aan de borst- en buikvinnen, met haar respectieve gordels, het aanzijn gegeven.