Note 29 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Toch is het vermoeden wel eens bij mij opgekomen, dat, lang nadat de stamouders van de geheele klasse der Zoogdieren hadden opgehouden hermaphroditen te zijn, beide seksen wellicht melk voortgebracht en de jongen daarmede gevoed hadden; en in het geval van de Buideldieren, dat beide seksen de jongen in haar buidels hadden gedragen. Dit zal niet volstrekt ongelooflijk schijnen, als wij bedenken, dat de mannetjes der Naaldvisschen of Zeenaalden (Syngnatus) de eieren der wijfjes in een door zijdelingsche uitbreiding der huid gevormden broedzak opnemen, ze uitbroeden en later, naar sommigen gelooven, de jongen voeden29;—dat sommige andere mannelijke visschen de eieren in hun bekken of kieuwholten uitbroeden;—dat de mannetjes van sommige soorten van padden de eiersnoeren aan de wijfjes ontnemen en om hun eigen dijen winden en ze daar houden tot de maskers geboren zijn;—dat de mannetjes van sommige vogels den geheelen plicht der uitbroeding op zich nemen en dat mannelijke duiven, even goed als de wijfjes, hun jongen met een in hun krop afgescheiden stof voeden. Het bovenvermelde vermoeden kwam echter het eerst bij mij op, omdat de melkklieren bij de mannelijke zoogdieren zooveel volkomener zijn ontwikkeld dan de rudimenten van die andere bijkomende voortplantingsorganen, welke men bij de eene sekse vindt, hoewel zij eigenlijk aan de andere toebehooren. De melkklieren en tepels, zooals zij bij de mannelijke zoogdieren bestaan, kunnen inderdaad nauwelijks rudimentair worden genoemd; zij zijn eenvoudig niet ontwikkeld en wat hun functie aangaat, niet werkzaam. Zij worden sympathetisch (19) aangedaan onder den invloed van sommige ziekten, evenals de zelfde organen bij het wijfje. Bij de geboorte scheiden zij dikwijls eenige weinige droppels melk af, en er bestaan voorbeelden dat zij nu en dan bij den mensch en andere zoogdieren goed ontwikkeld waren en een behoorlijke hoeveelheid melk afscheidden. Dit laatste was ook het geval bij dien jongen man, waarvan ik vroeger melding heb gemaakt, die twee paar tepels bezat. Indien wij nu onderstellen dat gedurende een vroegere langdurige periode de mannelijke zoogdieren de wijfjes behulpzaam waren in het voeden van hun jongen en dat naderhand door de eene of andere oorzaak, b.v. omdat er minder jongen werden voortgebracht, de mannetjes ophielden deze hulp te verleenen, zou onbruik dezer organen gedurende den volwassen leeftijd maken, dat zij ophielden werkzaam te zijn, en volgens twee welbekende beginselen van de erfelijkheid zou deze werkeloosheid waarschijnlijk overgaan op de mannetjes op den overeenkomstigen volwassen leeftijd. In vroegere leeftijden zouden zij daardoor echter niet zijn aangedaan, zoodat zij even goed ontwikkeld zouden zijn bij de jongen van beide seksen.