Note 48 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Tot staving dezer meening voert Haeckel aan, dat de scheikundigen tal van organische verbindingen uit anorganische stoffen door zuivere synthese hebben gevormd, dat zulks derhalve ook in de natuur onder den invloed der anorganische natuurkrachten heeft kunnen geschieden, en dat op die wijze vormlooze klompjes eiwitachtige stof of Moneren kunnen zijn gevormd. Wij brengen hiertegen in, dat een vormloos klompje eiwit nog geen Moneer is. Een vormloos klompje eiwit, door synthese gevormd, zou zich niet voeden, bewegen en voortplanten, gelijk de Moneren volgens Haeckel doen; het zou, aan zich zelf overgelaten, verrotten en te gronde gaan. Ook komt het ons voor, dat de bekende proeven van Pasteur krachtig tegen het bestaan van de generatio spontanea, ten minste van wezens als de voor ons waarneembare, pleiten; wel is waar merkt Haeckel op, dat deze proeven betrekking hebben op de spontane vorming van organismen in vloeistoffen die organische stoffen bevatten (Plasmogenie), terwijl de door hem bedoelde generatio spontanea betrekking heeft op de vorming van organismen in anorganische vloeistoffen (Autogenie); maar wij meenen, dat wanneer zich niet eens spontaan organismen vormen in vloeistoffen die in overvloed de verbindingen bevatten, waaruit organismen bestaan, het al zeer onwaarschijnlijk is, dat zij zullen ontstaan in vloeistoffen waarin die verbindingen ontbreken! Ook is protoplasma geenszins eenvoudig eiwit, maar een zeer samengesteld mengsel van een groot aantal organische verbindingen (zie „Alb. d. Nat.”, 1882, blz. 384). Daarenboven valt niet te betwijfelen, dat ook het protoplasma een zeer ingewikkelde organisatie en bepaalde organen bezit, en alleen de onvolkomenheid onzer hulpmiddelen belet ons die in al haar fijnheid te leeren kennen. (Vergelijk Prof. H. de Vries, „Intracellulaire Pangenesis”, Jena, 1889.)
De Moneren zelven houden wij niet voor zelfstandige wezens, daar niet het protoplasma, maar de kern het oorspronkelijkste deel van de cel schijnt te zijn (vergelijk onze aanteekening, blz. 194 en 195, Deel II, van het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”) en de kern voor de voortplanting onmisbaar schijnt te zijn. Het protoplasma bezit, behalve de physische en chemische, ook historische eigenschappen, zonder welke de erfelijkheid onverklaarbaar is. Aan de morphologische deeltjes, die de dragers der erfelijke eigenschappen zijn, geeft de Vries, gelijk wij in een aanteekening in het „Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” Deel II, blz. 464, hebben medegedeeld, den naam van pangenen. Zij zijn niet identiek met de physico-chemische moleculen, maar daaruit opgebouwd en in de kern der cellen opgehoopt. Die kern is voor het leven der cel onmisbaar; gaat zij te gronde, dan sterft de cel weldra. Splitst men een cel zoo, dat de kern intact blijft, dan gaat het kernlooze deel spoedig te gronde. Wordt ook de kern bij het splitsen verdeeld, dan openbaart zich weldra in beide deelen het normale leven, de groei en de voortplanting! Het werkelijk bestaan van Haeckel’s Moneren, d.i. kernlooze naakte cellen, komt ons dus, zoowel tegenwoordig als in het verleden, hoogst onwaarschijnlijk voor. Zijn Bathybius is reeds gebleken geen levend wezen te zijn, maar slechts een neerslag van zwavelzure kalk in een fleschje waarin men andere organismen bewaarde, en ook het bestaan der andere Protamoeben komt ons zeer problematisch voor. De ontwikkelingstrap Moneren moet dus o.i. geheel vervallen. Wat ook ooit door Plasmogenie of Autogenie mag ontstaan, het kunnen onmogelijk Moneren of Amoeben zijn, maar hoogstens veel kleinere oorspronkelijke organische wezentjes, wier grootte ver beneden de grens van het door het sterkste microscoop zichtbare staat en die veel minder samengesteld van bouw en chemische constitutie zijn, dan de eenvoudigste ons bekende organismen. Die organische wezentjes zouden wellicht eeuwen noodig hebben, eer er zich vormen uit hadden ontwikkeld, met de moneren, bacillen enz. overeenkomstig, en groot genoeg om door ons met optische en andere hulpmiddelen te worden gezien en onderzocht. Zij zouden nog geen historische eigenschappen bezitten, maar die langzamerhand in den loop der generaties verkrijgen, naarmate zij in grootte toenamen en oorspronkelijk slechts de waarde van eenvoudige pangenen hebben. Een dergelijk denkbeeld is ook door Naegeli uitgesproken (vergelijk: Dr. Büchner, „Feiten en Theorieën”, bewerkt door Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen, Amsterdam Warendorf, blz. 279–282, waar men ook uiteengezet zal vinden, waarom ook de kosmische hypothese, volgens welke de kiemen der organismen uit de wereldruimte of van andere hemellichamen tot ons zouden zijn gekomen, ons causaliteitsgevoel volkomen bevredigt). ↑