← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 3 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

Wij kunnen begrijpen, waarom het bijna zeker is, dat een klassificatie, gegrond op één enkel kenmerk of orgaan,—zelfs al is dat orgaan zoo verwonderlijk samengesteld en belangrijk als de hersenen,—of op de hooge ontwikkeling der geestvermogens, steeds zal blijken onvoldoende te zijn. Men heeft inderdaad beproefd dit beginsel bij de Vliesvleugelige Insekten (Hymenoptera) toe te passen, maar toen zij op die wijze werden gerangschikt volgens hun gewoonten of instinkten, bleek dit een geheel en al kunstmatige klassificatie te zijn.3 Klassificaties mogen natuurlijk gegrond zijn op elk kenmerk, welk het ook zij, zooals op grootte, kleur, het element, waarin de dieren wonen; maar de natuuronderzoekers hebben reeds lang een diepe overtuiging gevoeld, dat er een natuurlijk stelsel bestaat. Dit stelsel moet, naar men tegenwoordig algemeen aanneemt, genealogisch zijn,—dat is, al de gezamenlijke afstammelingen van één en den zelfden vorm moeten in ééne groep te zamen gehouden, en van de gezamenlijke afstammelingen van elken anderen vorm worden afgescheiden; als er echter tusschen die stamvormen bloedverwantschap bestaat, zal dit ook het geval zijn met hun afstammelingen, en zullen de beide groepen gezamenlijk een grootere groep uitmaken. De hoegrootheid van het verschil tusschen de verschillende groepen,—dat is de hoegrootheid van het verschil dat elk daarvan heeft ondergaan—zal worden uitgedrukt door woorden, als Geslacht (Genus), Familie (Familia), Orde (Ordo) en Klasse (Classis). Daar wij geen registers hebben, waarin de lijnen van afstamming zijn opgeteekend, kunnen deze lijnen slechts worden ontdekt door de mate van gelijkenis tusschen de wezens die moeten worden gerangschikt. Voor dit doel zijn talrijke punten van gelijkenis veel belangrijker dan de hoegrootheid van de gelijkheid of ongelijkheid in eenige weinige punten. Wanneer men bevond, dat twee talen een menigte woorden en regelen van zinbouw gemeen hadden, zou algemeen worden erkend, dat zij een gemeenschappelijken oorsprong hadden, niettegenstaande zij in eenige weinige woorden of regelen van zinbouw sterk van elkander afweken. Bij organische wezens moeten echter de punten van gelijkenis niet bestaan in het geschikt zijn voor gelijksoortige levensgewoonten (adaptatie): het geheele geraamte van twee dieren kan bij voorbeeld zijn gewijzigd voor het leven in het water, en toch zullen zij daardoor in het natuurlijke stelsel volstrekt niet nader tot elkander zijn gebracht. Wij kunnen daaruit zien, hoe het komt, dat gelijkenissen in onbelangrijke deelen, in nuttelooze en rudimentaire organen, en in deelen die nog niet volkomen zijn ontwikkeld of nog tot geen bepaalde functie dienen, voor de klassificatie verreweg de nuttigste zijn; want zij kunnen moeilijk het gevolg zijn van geschiktwording (adaptatie) in een laat tijdperk; en zoo openbaren zij de oude lijnen van afstamming of van ware verwantschap.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings