← Table of contents
De afstamming van den mensch en de seksueele teeltkeus, deel 1 (van 2)

Note 32 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.

H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation

(3) Deze vier Onder-klassen dragen den naam van Archencephala, Gyrencephala, Lissencephala en Lyencephala. De Archencephala, waartoe alleen de Mensch (Orde der Bimana) behoort, zouden zich van alle andere zoogdieren onderscheiden, doordat bij hen alleen de halfronden der groote hersenen zich van boven tot achter de kleine hersenen zouden uitstrekken, en zij alleen ook een lobus posterior en hippocampus minor zouden bezitten. Wij hebben er reeds in aanteekening 10, blz. 39, op gewezen, dat Owen hierin dwaalde en de hersenen der hoogere apen de zelfde kenmerken aanbieden. Tot de Onder-klasse der Gyrencephala, bij welke de groote hersenen bijna altijd windingen bezitten en de groote hersenen de kleine nog steeds grootendeels bedekken, brengt Owen de Orden der Quadrumana, Carnivora, Artiodactyla32, Perissodactyla33, Proboscidea34, Toxodontia35, Sirenia en Cetacea. Tot de Lissencephala, bij welke de groote hersenen gewoonlijk glad zijn of slechts weinig windingen vertoonen, en de lobi olfactorii van voren en de geheele massa der kleine hersenen van achteren onbedekt laten, brengt Owen de Orden der Bruta36, Insectivora en Rodentia. De Onder-klasse der Lyencephala die zich door het gemis van het corpus callosum onderscheidt, bevat de Orden der Marsupialia en Monotremata (R. Owen, „On the Characters, Principles of Division and Primary Groups of the Class Mammalia.” Read at the Linnean Society, Febr. 17th and 21st, 1857).

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings