Note 21 — OVER DE VERWANTSCHAPPEN EN DEN STAMBOOM VAN DEN MENSCH.
H. (Hermanus) Hartogh Heys van Zouteveen translation
Het is echter zeker, dat er groepen van dieren hebben bestaan of nog bestaan, welke dienen om verscheidene groote klassen van Gewervelde Dieren meer of minder nauw met elkander te verbinden. Wij hebben gezien, dat het vogelbekdier (Ornithorhynchus) een overgang vormt tot de Reptielen; en Prof. Huxley heeft de merkwaardige, door den heer Cope en anderen bevestigde ontdekking gedaan, dat de voormalige Dinosauriërs in vele belangrijke punten tusschen zekere Reptielen en zekere Vogels in staan—welke laatste bestaan uit de struisvogelachtige vogels (zelven blijkbaar een wijdverspreid overblijfsel van een grootere groep) en uit de Archaeopteryx, dien vreemdsoortigen vogel uit het secundaire tijdvak, die een langen staart bezat, op dien van een hagedis gelijkende. (14) Verder vertoonen volgens Prof. Owen21 de Ichthyosauriërs—roeipooten bezittende, groote zeehagedissen—vele punten van verwantschap met de Visschen, of liever, volgens Huxley, met de Amphibieën. Deze laatste klasse (tot de hoogste afdeeling waarvan de kikvorschen en padden behooren) is blijkbaar verwant met de Ganoïde Visschen. Van deze laatste visschen wemelde het gedurende de oudere geologische vormingen, en zij waren gebouwd volgens hetgeen men een sterk gegeneraliseerd type noemt, dat is, zij vertoonden verschillende punten van verwantschap met verscheidene andere groepen van organismen. De Amphibieën en Visschen worden ook door de Lepidosiren zoo nauw verbonden, dat de natuuronderzoekers het gedurende langen tijd niet eens waren, tot welke dezer beide klassen dit dier moet worden gebracht. De Lepidosiren en eenige Ganoïde Visschen zijn voor volkomen uitsterving bewaard gebleven, doordat zij onze rivieren bewoonden, die vluchthavens zijn en tot de groote wateren van den oceaan in de zelfde betrekking staan, als eilanden tot de vastelanden.