← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Uitwendige verwonding, inwendige genezing.

Reading edition

Trapswijze verduisterde zich alzoo hun leven.

Hun bleef echter nog een afleiding over, die vroeger een geluk was geweest, namelijk brood te brengen aan hen die hongerden, en kleederen aan hen die koû leden. Bij dit bezoek der armen, waarbij Cosette dikwerf Jean Valjean vergezelde, hervonden zij eenige overblijfselen hunner vorige verrukking; vaak, wanneer het een goede dag was geweest, wanneer veel nood gelenigd was, en vele kleine kinderen verkwikt en verwarmd waren, was Cosette des avonds eenigszins vroolijk. ’t Was in dezen tijd, dat zij Jondrette in zijn armoedig verblijf bezochten.

Den dag na dat bezoek verscheen Jean Valjean des morgens in het paviljoen even bedaard als gewoonlijk, maar met een groote, zeer ontstoken, boosaardige wonde aan den linkerarm, welke een brandwonde scheen, en die hij zoo goed mogelijk verklaarde. Deze wonde veroorzaakte, dat hij langer dan een maand de koorts had en niet uitging. Hij wilde geen heelmeester. Toen Cosette hierop bij hem aandrong, zeide hij: Roep den hondendokter.

Cosette verbond hem ’s morgens en ’s avonds met zulk een hemelschen glimlach en met zulk een engelachtige vreugde, hem nuttig te kunnen zijn, dat Jean Valjean zijn vroeger geluk voelde terugkeeren en zijn vrees en angst verdwijnen, en Cosette aanschouwende, zeide hij: „O welk een gelukkige wond! Welk een goed kwaad!”

Cosette had, bij de ongesteldheid van haar vader, het paviljoen verlaten en weder liefde voor de kleine woning en de achterplaats opgevat. Schier den ganschen dag bracht zij bij Jean Valjean door, en las hem uit de boeken, welke hij verkoos. Meestal waren ’t reisbeschrijvingen. Jean Valjean was als herboren; zijn geluk herleefde als met nieuwen glans; het Luxembourg, de onbekende jonge sluiper, Cosette’s verkoeling, al deze wolken zijner ziel verdwenen. Hij zeide zelfs bij zich zelven: „Ik heb mij dit alles slechts verbeeld; ik ben een oude dwaas.”

Zijn geluk was zoo groot, dat de schrikkelijke, onverwachte ontmoeting der Thénardiers, in het verblijf van Jondrette, om zoo te zeggen, bij hem was neergegleden. ’t Was hem gelukt te ontsnappen; zijn spoor was verloren, wat kon hem het overige schelen! hij dacht er slechts aan, deze ellendigen te beklagen. Nu waren zij in de gevangenis en buiten staat voortaan te schaden, dacht hij; maar welk een beklagenswaardige familie in nood en ellende!

Van de afschuwelijke verschijning aan de barrière du Maine had Cosette niet meer gesproken.

In ’t klooster had zuster St. Mechtilde Cosette muziek geleerd. Cosette had de stem van een nachtegaal, die eene ziel bezat, en soms zong zij des avonds in het eenvoudig kamertje van den gekwetste treurige liederen, die Jean Valjean opvroolijkten.

De lente kwam, de tuin was in dat jaargetijde zoo heerlijk, dat Jean Valjean tot Cosette zeide: „Gij komt bijna niet meer in den tuin; ga er wandelen.”

„Zooals ge wilt, vader,” zei Cosette.

En om haar vader te gehoorzamen, hervatte zij de wandelingen in haar tuin, meestal alleen, want, zooals gezegd is, kwam Jean Valjean, waarschijnlijk uit vrees van door het hek gezien te worden, er schier nooit.

De wonde van Jean Valjean was een afleiding geweest.

Toen Cosette zag, dat haar vader minder pijn had, dat hij genas en gelukkig scheen, gevoelde zij zich zoo tevreden, dat zij ’t zelfs niet eens opmerkte, zoo zacht en natuurlijk was dit gekomen. ’t Was bovendien Maart, de dagen werden langer, de winter ging voorbij; de winter neemt altijd iets van onze treurigheden mede; toen kwam April, die morgenstond van den zomer, frisch als iedere dageraad, vroolijk als de kindsheid; soms een weinig schreiend gelijk een pasgeboren kind, dat zij ook is. De natuur heeft in die maand een bekoorlijk licht, dat uit den hemel, uit de wolken, uit de boomen, uit de weiden, uit de bloemen in het hart van den mensch overgaat.

Cosette was nog te jong om door die vreugd van April, welke haar geleek, niet doordrongen te worden. Ongemerkt en zonder dat zij er aan dacht verdween de duisternis uit haar gemoed. In de lente is ’t licht in de treurige harten, evenals ’t op den middag licht is in de kelders. Cosette was zelfs niet zeer treurig meer. ’t Was inderdaad zoo, maar zij sloeg er geen acht op. Des morgens tegen tien uren, na het ontbijt, wanneer ’t haar gelukt was haar vader voor een kwartier mede naar den tuin te troonen, en zij met hem op de stoep in de zon wandelde, terwijl ze zijn gekwetsten arm in den haren hield, lette zij er niet op, dat zij telkens lachte en gelukkig was.

Jean Valjean was verrukt, haar weder blozend en opgeruimd te zien worden.

„O, welk een gelukkige wonde!” herhaalde hij zacht.

En hij was den Thénardiers dankbaar.

Toen zijn wonde genezen was, begon hij weder zijn eenzame wandelingen in den schemeravond.

Men zou zich vergissen, zoo men meende, dat men op deze wijze lang alleen in de onbewoonde streken van Parijs kan wandelen, zonder eenig avontuur te ontmoeten.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings