← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Begin der schaduw.

Reading edition

Jean Valjean vermoedde zijnerzijds niets.

Cosette, iets minder mijmerend dan Marius, was vroolijk, en dit was voor Jean Valjeans geluk voldoende. De gedachten, welke Cosette bezig hielden, haar liefdebekommeringen, de beeltenis van Marius welke haar hart vervulde, ontnamen niets aan de onvergelijkbare reinheid van haar schoon, kuisch en glimlachend voorhoofd. Zij was in die jaren dat de maagd haar liefde draagt, gelijk de engel zijn lelie. Jean Valjean was dus gerust. Trouwens, wanneer twee gelieven elkander verstaan, gaat alles steeds goed, een derde persoon, die hun liefde zou kunnen storen, wordt in de volkomenste blindheid gehouden door enkele, weinige voorzorgen, die voor alle gelieven steeds dezelfde zijn. Ook maakte Cosette Jean Valjean nimmer tegenwerpingen. Wilde hij wandelen? Goed, vadertje. Wilde hij te huis blijven? Best. Wilde hij den avond bij Cosette doorbrengen? Het verheugde haar. Wijl hij zich dan immer te tien uren ’s avonds verwijderde, kwam Marius niet dan na dit uur in den tuin, wanneer hij, op de straat, Cosette de glazendeur hoorde openen. Het spreekt vanzelf dat men des daags Marius nooit zag. Jean Valjean dacht er zelfs niet meer aan, dat Marius bestond. Maar eens op een morgen zeide hij tot Cosette: „Zie, ge zijt geheel wit op den rug!” Den vorigen avond had Marius in zijn verrukking Cosette tegen den muur gedrukt.

Vrouw Toussaint, die gewoon was vroeg ter rust te gaan, dacht, zoodra haar werk verricht was, aan niets dan om te slapen, en wist evenmin iets als Jean Valjean.

Nooit zette Marius den voet in het huis. Wanneer hij bij Cosette was, verscholen beiden zich in een hoek bij de stoep, ten einde van de straat noch gezien noch gehoord te worden, en daar zetten zij zich neder. In plaats van te spreken stelden zij zich vaak tevreden met elkander twintigmalen in de minuut de hand te drukken, terwijl ze naar de takken der boomen zagen. Indien op zulk een oogenblik de bliksem dertig voeten van hen gevallen ware, zouden zij het niet opgemerkt hebben, zoozeer was de eene in de mijmering van den ander verzonken.

Doorschijnende helderheid. Sneeuwwitte uren; schier alle gelijk! Zulk een liefde is een mengsel van leliebladeren en duivenvederen.

De geheele tuin lag tusschen hen en de straat. Telkens wanneer Marius in- en uitging, zette hij zorgvuldig de tralie van het hek weder terecht, zoodat niets merkbaar was.

Gewoonlijk verwijderde hij zich tegen middernacht en keerde tot Courfeyrac terug. Deze zeide tot Bahorel:

„Kunt ge het gelooven? Marius komt tegenwoordig te een uur ’s morgens te huis.”

Bahorel antwoordde:

„Wat zal ik zeggen! men kan de vromen nooit vertrouwen.”

Soms sloeg Courfeyrac de armen over de borst en zeide met een ernstig gebaar tot Marius:

„Gij wordt een losbol, jongmensch!”

Courfeyrac, een practisch mensch, nam dien weerschijn van een onzichtbaren hemel bij Marius niet in een goeden zin op; hij was aan dergelijke hartstochten niet gewoon; hij werd er ongeduldig om en vermaande Marius dikwijls tot het wezenlijke weder te keeren. Op zekeren morgen hield hij deze toespraak tot hem:

„Mijn waarde, ’t schijnt mij alsof ge tegenwoordig in de maan zijt, in het koninkrijk Droomen, provincie Hersenschimmen, hoofdstad Zeepbel. Kom, biecht eens eerlijk op; hoe heet zij?”

Maar niets was in staat Marius te „doen spreken.” Hij had zich liever de nagels laten ontscheuren dan een der drie geheiligde lettergrepen, waaruit deze onuitwischbare naam Cosette bestond. De ware liefde is lichtend als het morgenrood, en stil als het graf. Courfeyrac vond Marius slechts hierin veranderd, dat hij een schitterende stilzwijgendheid bezat.

Gedurende deze liefelijke maand Mei leerden Marius en Cosette de volgende onmetelijke zaligheden kennen:

Te twisten en elkander mijnheer en mejuffrouw te noemen, alleenlijk om een oogenblik later met te meer genot weder vertrouwelijk met elkander te zijn;

Lang en tot in de kleinste bijzonderheden over lieden te spreken, waarin zij niet het minste belang ter wereld stelden; een bewijs te meer dat in de bekoorlijke opera, welke men de liefde noemt, de tekst bijna niets is;

Voor Marius: Cosette over kleedertooi te hooren praten;

Voor Cosette: Marius over politiek te hooren spreken;

Knie tegen knie, de rijtuigen in de Babelstraat te hooren rollen;

Dezelfde planeet in het uitspansel, of denzelfden glimworm in het gras te aanschouwen;

Samen te zwijgen; een nog grooter genoegen dan te praten;

Enz., enz.

Ondertusschen naderden verscheidene verwikkelingen.

Op een avond begaf Marius zich naar de samenkomst langs den boulevard des Invalides; als gewoonlijk ging hij met gebogen hoofd. Toen hij om den hoek der straat Plumet ging, hoorde hij in zijn nabijheid zeggen:

„Goeden avond, mijnheer Marius.”

Hij richtte het hoofd op en herkende Eponine.

Dit maakte een zonderlingen indruk op hem. Hij had geen enkelen keer meer aan dit meisje gedacht sedert den dag dat zij hem naar de straat Plumet had gevoerd; hij had haar niet weder gezien en zij was geheel uit zijn gedachte verdwenen. Hij had alle reden om dankbaar jegens haar te zijn, hij had haar zijn tegenwoordig geluk te danken, en evenwel hinderde ’t hem haar te ontmoeten.

Men dwaalt, wanneer men meent dat de liefde, zoo zij gelukkig en zuiver is, den mensch tot een staat van volmaaktheid brengt; zij brengt hem eenvoudig, zooals wij hebben aangetoond, tot een staat van vergetelheid. In dien toestand vergeet de mensch slecht te zijn, maar hij vergeet ook goed te zijn. De dankbaarheid, de plicht, de wezenlijke en onaangename herinneringen verdwijnen. In ieder anderen tijd zou Marius geheel anders voor Eponine zijn geweest. Geheel van Cosette vervuld, had hij zich zelfs niet duidelijk rekenschap gegeven, dat deze Eponine Thénardier heette, en zij een naam droeg, die in het testament zijns vaders stond geschreven, een naam, voor welken hij zich, eenige maanden vroeger, met zooveel vuur zou opgeofferd hebben. Wij schetsen Marius gelijk hij was. Zelfs zijn vader verdween een weinig uit zijn ziel voor den glans zijner liefde.

Hij antwoordde eenigszins verlegen:

„Ha, zijt gij ’t Eponine?”

„Hoe zijt gij zoo deftig jegens mij? Heb ik u iets misdaan?”

„Neen,” antwoordde hij.

Hij had werkelijk niets tegen haar: integendeel. Maar hij gevoelde, dat hij niet anders doen kon; nu hij zoo gemeenzaam met Cosette sprak, kon hij dit onmogelijk met Eponine doen.

Wijl hij zweeg, riep zij:

„Zeg eens....”

Toen zweeg zij. Het scheen, dat thans de woorden ontbraken aan dit anders zoo onbeschroomde en stoutmoedige meisje. Zij wilde glimlachen, maar kon niet. Zij hernam:

„Nu?”

Toen zweeg zij weder en hield haar oogen nedergeslagen.

„Goeden avond, mijnheer Marius,” zeide zij plotseling en ging heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings