De knaap verwondert zich over den grijsaard.
Reading edition
Ondertusschen had Gavroche, op de St. Jansmarkt, waar de wachtpost reeds ontwapend was, zich aangesloten bij een bende, aangevoerd door Enjolras, Courfeyrac, Combeferre en Feuilly. Zij waren genoegzaam gewapend. Bahorel en Jean Prouvaire hadden hen wedergevonden en vermeerderden de groep. Enjolras had een jachtgeweer met dubbelen loop. Combeferre het geweer van een nationale garde, waarop het nommer van het legioen, en in zijn gordel twee pistolen, welke men onder zijn open jas kon zien, Jean Prouvaire een oud cavaleriemusket, Bahorel een karabijn; Courfeyrac zwaaide een blooten stokdegen. Feuilly ging vooraan met een sabel in de hand, en riep: „Leve Polen!”
Zij kwamen van de kade Morland, zonder das, zonder hoed, buiten adem, doornat van den regen, met bliksemende oogen. Gavroche naderde hen bedaard.
„Waar gaan wij heen?” vroeg hij.
„Ga maar mede,” zei Courfeyrac.
Achter Feuilly ging, of liever, sprong Bahorel, als een visch in het water des oproers. Hij droeg een rood vest en sprak woorden die alles vernielden. Zijn vest verschrikte een voorbijganger, die ontsteld riep:
„Daar zijn de rooden!”
„Het roode, de rooden!” hernam Bahorel. „Een grappige vrees, burger. Ik ben niet bang voor een klaproos, en roodkapje boezemt mij volstrekt geen vrees in. Geloof mij, burger, laten wij de vrees voor het roode aan het hoornvee over.”
Aan den hoek van een muur viel hem het onschuldigste plakkaat ter wereld in het oog, een verlof om eieren te mogen eten, een mandement van den aartsbisschop van Parijs aan zijn „kudde.”
Bahorel riep:
„Kudde; een beleefde manier om ossen te zeggen.”
Hij scheurde het plakkaat van den muur. Hierdoor won hij het hart van Gavroche. Van dit oogenblik af begon Gavroche belang in Bahorel te stellen.
„Bahorel,” merkte Enjolras op, „gij hebt ongelijk. Ge hadt dit mandement stil moeten laten zitten, wij hebben er niets meê te maken, ge verspilt nutteloos uw toorn. Behoud uw voorraad. Men vuurt niet buiten de gelederen, evenmin met de ziel als met het geweer.”
„Ieder zijn zin, Enjolras,” antwoordde Bahorel. „Dit bisschoppelijke proza stuit mij; ik wil eieren eten zonder dat men ’t mij vergunt. Ge maakt u zoo licht kwaad; ik vermaak er mij mee. Bovendien verlies ik er niets bij; het zet mij in vuur; en zoo ik dit plakkaat heb afgescheurd, was het om mijn eetlust op te wekken.”
Thans herkende Bahorel aan een venster een jongen man met zwarten baard, die hem zag voorbij gaan, waarschijnlijk een vriend van ’t A B C. Hij riep hem toe:
„Haastig, patronen! para bellum.”
„’t Is waar, een schoon man,” zei Gavroche, die nu Latijn verstond.
Een woelige troep vergezelde hen: studenten, kunstenaars, jongelieden die tot het geheim genootschap „de Kalebas” van Aix behoorden, werklieden, lastdragers, gewapend met knuppels en bajonnetten, sommigen, als Combeferre, met pistolen in hun broekzakken. Een man, die reeds zeer oud scheen, ging ook in dien troep. Hij had geen wapen, en repte zich om niet achter te blijven, hoewel hij een peinzend voorkomen had. Gavroche zag hem:
„Wie is hij?” vroeg hij aan Courfeyrac.
„Een oud man.”
’t Was de heer Mabeuf.