Het oppervlakkige der quaestie.
Reading edition
Waaruit bestaat een oproer? Uit niets en uit alles. Uit een allengs ontwikkelde electriciteit, uit een plotseling uitslaande vlam, uit een zwevende kracht, uit een voorbijgaanden adem. Deze adem ontmoet hoofden die spreken, hersens die peinzen, zielen die lijden, hartstochten die branden, ellendigen die brullen, en hij voert ze mede.
Waarheen?
Naar het toeval. Door den Staat, door de wetten, door den voorspoed en de onbeschaamdheid van anderen heen.
De elementen van den opstand zijn een getergde overtuiging, een verbitterde geestdrift, een opgewekte verontwaardiging, een onderdrukte krijgszucht, geprikkelde jeugdige heldenmoed, edelmoedige verblindheid, nieuwsgierigheid, lust naar verandering, zucht naar het onverwachte, het gevoel waarmede men het aankondigingsbiljet van een nieuw tooneelstuk leest en men op het tooneel het gefluit van den machinist hoort; een onbepaalde haat, wraakzucht, teleurstelling, iedere ijdelheid welke gelooft, dat het lot haar te kort doet; de nood, de utopieën, de met steilten omgeven eerzucht, ieder die van een instorting een uitkomst verwacht; eindelijk, in de diepste laagte, het turfmoeras, dat vuur vat. Kortom het grootste en het kleinste; die wezens, welke buiten alles omzwerven en steeds een gelegenheid wachten; landloopers, vagebonden, lieden die den nacht, zonder ander dak dan de koude wolken des hemels, in een huizenwoestijn doorbrengen, zij die dagelijks hun brood aan het toeval en niet aan den arbeid vragen, de onbekenden der ellende en van het niet, die lieden met bloote armen en voeten, deze allen zijn de bestanddeelen van het oproer.
Wie in de ziel een heimelijken wrok wegens een of ander feit van den staat, van het leven of van het lot draagt, is rijp voor het oproer en voelt zich, zoodra het verschijnt, huiveren en door de werveling opgenomen.
Het oproer is een soort van wervelwind in den maatschappelijken dampkring, die plotseling bij een zekere weersgesteldheid ontstaat en in zijn draaiingen stijgt, vliegt, dondert, wegrukt, vernietigt, verplettert, omverwerpt, ontwortelt, en zoowel het groote als het kleine, den krachtigen als den zwakken mensch, den boomstam als de stroohalm medevoert.
Wee, zoowel hem, dien het medevoert, als dien het treft! Het verbrijzelt den een tegen den ander.
Aan hen, welke het grijpt deelt het een onbekende, buitengewone macht mede. Het vervult den eerste den beste met de kracht der gebeurtenissen; het maakt van alles zijn wapenen. Het maakt van een straatsteen een kogel, en van een lastdrager een generaal.
Volgens sommige orakels der sluwe politiek, is, uit het oogpunt van het gezag, een weinig oproer wenschelijk. ’t Is het stelsel, dat het oproer de gouvernementen bevestigt, welke het niet omverwerpt. Het beproeft het leger; het vereenigt de burgerij; het sterkt de spieren der politie; het toont de kracht van het maatschappelijk gebouw aan. ’t Is een soort van gymnastiek, schier een gezondheidsmiddel. Het gezag is gezonder na een oproer, evenals de mensch na een aderlating.
Dertig jaren geleden werd het oproer uit nog andere gezichtspunten beschouwd.
Voor alle zaken is een theorie, die zich zelve „gezond verstand” noemt; ’t is Philintus tegen Alcestus; een bemiddeling tusschen het ware en het valsche; een verklaring, vermaning, een eenigszins op hoogen toon verleende verzachting, die, wijl zij met berisping en verontschuldiging is vermengd, wijsheid meent te zijn, en niets dan pedanterie is. Daaruit is een geheele politieke school, het juiste-midden (juste-milieu) genoemd, ontstaan. Tusschen het koude en het heete water is het de partij van het lauwe water. Deze school veroordeelt, met haar geheel oppervlakkige, valsche diepte, zonder dat zij tot de oorzaken opklimt, van de hoogte eener halve wetenschap, de straatberoeringen.
Volgens deze school, „ontnamen de oproeren, die met het feit van 1830 gepaard gingen, aan deze groote gebeurtenis een gedeelte harer zuiverheid. De Juli-revolutie was een volks-rukwind geweest, waarop eensklaps een blauwe hemel was gevolgd. De oproeren veroorzaakten weder een bewolkten hemel. Zij deden deze aanvankelijk zoo eensgezinde revolutie in twist ontaarden. Zoowel in de Juli-omwenteling, als bij elken vooruitgang door schokken teweeggebracht, waren verborgen breuken; het oproer maakte ze merkbaar. Men kon zeggen: O, dit is gebroken. Na de Juli-revolutie gevoelde men niets dan de bevrijding; na de oproeren gevoelde men de rampen der gebeurtenis.
„Ieder oproer sluit de winkels, drukt de fondsen, beangstigt de Beurs, schorst den handel, belemmert de zaken, veroorzaakt bankroeten; er is gebrek aan geld, de welgestelden zijn ongerust, het openbaar crediet is geschokt, de nijverheid ontsteld, de kapitalen verwijderen zich, het werk vermindert, overal heerscht vrees; in alle steden voelt men den invloed. Hieruit ontstaan instortingen en afgronden. Men heeft berekend, dat de eerste dag van een oproer Frankrijk twintig millioen, de tweede veertig, de derde zestig millioen francs kost. Een oproer van drie dagen kost honderd twintig millioen, dat wil zeggen, alleen de geldelijke uitkomst in ’t oog houdende, staat gelijk met een ramp, een schipbreuk of een verloren zeeslag, welke een vloot van zestig linieschepen zou vernietigen.
„Uit een geschiedkundig oogpunt hadden de oproeren gewis hun schoone zijde; de straatoorlog is niet minder grootsch en pathetisch dan de oorlog in de bosschen; deze heeft de ziel der wouden, gene het hart der steden, de eene heeft Jean Chouan, de andere Jeanne. De oproeren doen in rooden, maar prachtigen glans al de zonderlingste eigenaardigheden van het Parijsche karakter uitkomen; de edelmoedigheid, de opoffering, de woeste vreugd; de studenten, die de vereeniging van moed en verstand toonen; de onwrikbare nationale garde; de bivakken van winkeliers, de forten van straatjongens, de verachting van den dood der voorbijgangers. Scholen en legioenen, die tegen elkander stieten. Tusschen de strijders was overigens geen ander verschil dan dat des ouderdoms; ’t is hetzelfde ras, ’t zijn dezelfde stoïcijnsche mannen, die op twintigjarigen leeftijd voor hun ideeën, op veertigjarigen voor hun gezinnen sterven. Het leger, dat in burgeroorlogen altijd een treurige rol speelt, stelde de voorzichtigheid tegenover de vermetelheid. De oproeren, die de onversaagdheid van het volk bewezen, oefenden tevens den moed der burgers.
„Het zij zoo. Maar is dat alles het vergoten bloed waard? En reken bij het vergoten bloed ook de verduisterde toekomst, den bedreigden vooruitgang, de ongerustheid der besten, de wanhoop der eerlijke liberalen, het vreemde absolutisme, verheugd over deze door de revolutie zich zelve toegebrachte wonden, de verwonnelingen van 1830, die prachend zeggen: Wij hadden het wel gezegd! Voeg hierbij: Parijs misschien vergroot, maar Frankrijk stellig verkleind. Voeg hierbij, want wij moeten alles zeggen, de moorden, welke te dikwerf de overwinning der orde, wreed geworden, op de tot waanzin overgeslagen vrijheid onteerden. Kortom, de oproeren zijn verderfelijk geweest.”
Zoo spreekt de halve wijsheid, waarmede de burgerij, dit halve volk, zich zoo gaarne tevreden stelt.
Wij, onzerzijds, verwerpen dit te ruim, en bijgevolg te gemakkelijk, woord: oproeren. Wij maken onderscheid tusschen volksbeweging en volksbeweging. Wij vragen niet, of een oproer evenveel kost als een veldslag. Vooreerst, waartoe een veldslag? Hier werpt zich de oorlogsquaestie op. Is de oorlog een mindere geesel dan het oproer een ramp is? En zijn alle oproeren rampen? Mocht nu de 14 Juli honderd twintig millioen kosten; de bevestiging van Filips V in Spanje kostte Frankrijk twee milliards. Zelfs voor denzelfden prijs, zouden wij den 14 Juli verkiezen. Wij stellen overigens deze cijfers ter zijde, die redenen schijnen en slechts woorden zijn. Wij beschouwen een oproer, wanneer het er is, op zich zelf. In alles wat de doctrinaire tegenwerping hierboven zegt, wordt slechts van het gevolg gesproken; wij zoeken de oorzaak.
Wij verklaren ons nader.