← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Des nachts.

Reading edition

Toen de bandieten zich verwijderd hadden, keerde in de straat Plumet alles weder tot nachtelijke stilte terug.

Wat in die straat gebeurd was, zou in een bosch geen verwondering hebben gebaard. In bosschen en kreupelhout vormen de ruw ineen gekronkelde takken een somber gewelf boven het hooge gras; het wilde gewemel ziet daar de plotselinge verschijningen van het onzichtbare; wat beneden den mensch is, onderscheidt er door den nevel heen wat boven den mensch is; en wat ons levend onbekend is, mengt er zich in den nacht. De woeste wilde natuur schrikt bij de nadering van iets, waarin zij het bovennatuurlijke meent te voelen. De krachten der duisternis kennen elkander en hebben onderling een geheimzinnig evenwicht. Tanden en klauwen vreezen het onvatbare. De van bloed dronken dierlijkheid, de verslindende vraatzucht loerend op haar prooi, de met nagels en muilen gewapende neigingen, wier oorsprong en doel de buik is, begluren en ruiken angstig de ongevoelige spookgedaante onder het lijkkleed, en meenen dat zij een doodelijk en vreeselijk leven heeft. Deze woestheden, welke slechts stof zijn, vreezen onduidelijk in de dichte duisternis met een onbekend wezen in aanraking te komen. Een zwarte gestalte, die den doortocht verspert, houdt plotseling het wilde dier tegen. Wat van het kerkhof komt verbijstert en beangst wat uit het hol komt; het wreede vreest het akelige; de wolven deinzen achteruit voor een aardmannetje!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings