← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Recruten.

Reading edition

De troep vermeerderde elk oogenblik. In de straat des Billettes voegde zich een man er bij, van rijzige gestalte, reeds grijzend, wiens ruw en stoutmoedig voorkomen Courfeyrac, Enjolras en Combeferre in ’t oog vielen, doch dien geen hunner kende. Gavroche, die onder ’t marcheeren druk in de weer was met zingen, fluiten, neuriën en met den knop van zijn pistool tegen de vensterluiken te kloppen, sloeg op dezen man geen acht.

In de straat la Verrerie gingen zij voorbij Courfeyracs woning.

„Dat komt goed uit,” zei Courfeyrac, „ik heb mijn beurs vergeten en mijn hoed verloren.” Hij verliet den troep en vloog de trap op. Hij nam een ouden hoed en zijn beurs. Tevens nam hij een vierkanten koffer ter grootte van een valies, die onder zijn vuil linnen was verborgen. Toen hij de trap weder afging, riep de portierster:

„Mijnheer de Courfeyrac!”

„Hoe heet ge, portierster?” hernam Courfeyrac.

De portierster antwoordde met verbazing:

„Gij weet immers wel, dat ik vrouw Veuvain heet.”

„Nu, zoo ge mij weder mijnheer de Courfeyrac noemt, zal ik u mevrouw de Veuvain noemen. Spreek nu, wat hebt ge mij te zeggen?”

„Er is iemand om u te spreken.”

„Wie?”

„Ik weet niet.”

„Waar?”

„In mijn loge.”

„Duivels!” zei Courfeyrac.

„Hij wacht reeds langer dan een uur op uw thuiskomst!” hernam de portierster.

Tezelfder tijd kwam een, naar het scheen, jong werkmaatje, mager, bleek, klein, ’t gezicht vol zomersproeten, met een gescheurden kiel en gelapte manchestersche broek, en die meer het voorkomen had van een verkleed meisje dan een jongen te zijn, uit de loge, en zeide tot Courfeyrac, met een stem die in geenen deele een vrouwenstem geleek:

„Kan ik mijnheer Marius spreken?”

„Hij is niet te huis.”

„Komt hij van avond te huis?”

„Ik weet niet.”

En Courfeyrac liet er op volgen: „Wat mij betreft, ik kom niet te huis.”

Het jonge mensch zag hem strak aan, en vroeg:

„Waarom niet?”

„Wel, daarom.”

„Waar gaat gij dan heen?”

„Wat kan u dat schelen!”

„Zal ik uw koffer dragen?”

„Ik ga naar de barricaden.”

„Mag ik met u gaan?”

„Zoo ge wilt!” antwoordde Courfeyrac. „De straat is vrij, de weg is voor ieder.”

Hij ging haastig voort, om zich bij zijn vrienden te voegen. Toen hij zich weder bij hen bevond, gaf hij aan een hunner den koffer te dragen. Eerst een kwartieruurs later merkte hij op, dat het jonge mensch hen inderdaad gevolgd was.

Een volkshoop gaat niet altijd waarheen hij wil. Wij hebben gezegd, dat een windvlaag hem medevoert. Zij gingen voorbij Saint-Merry en bevonden zich, zonder eigenlijk te weten hoe, in de straat Saint-Denis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings