← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Eigenaardigheid van Parijs.

Reading edition

Sedert twee jaren had Parijs, zooals gezegd is, meer dan een opstand beleefd. Buiten de in opstand zijnde wijken, is gewoonlijk niets zoo zonderling kalm als het aanzien van Parijs gedurende een oproer. Parijs gewent zich spoedig aan alles,—’t is slechts een oproer,—en Parijs heeft zoovele zaken, dat het zich door geen kleinigheid laat storen. Slechts dergelijke reusachtige steden kunnen zulke schouwspelen opleveren. Slechts zulke ontzaggelijke ruimten kunnen tevens den burgeroorlog en een onbegrijpelijke rust bevatten. Gewoonlijk, wanneer de opstand begint, wanneer men de trom, het appel, den alarmslag hoort, zegt de winkelier eenvoudig:

„Er schijnt rumoer in de straat St. Martin te zijn.”

Of:

„In de voorstad Saint-Antoine.”

Hij voegt er soms onverschillig bij:

„Of ergens elders.”

Later, wanneer men het knetterend en beangstigend geknal der geweerschoten en het pelotonsvuur hoort, zegt de winkelier:

„Ha! ’t neemt toe! Waarlijk, ’t neemt toe!”

Een oogenblik later, wanneer het oproer nadert en zich uitbreidt, sluit hij haastig zijn winkel, en trekt zijn uniform aan, dat wil zeggen, hij brengt zijn waren in veiligheid en waagt zijn leven.

Men schiet op elkander op een plein, in een straat, in een steeg, men neemt, verliest en herneemt barricaden; het bloed stroomt, het schroot vernielt de gevels der huizen, de kogels dooden de menschen in hun bed, lijken bedekken den grond. Eenige straten verder hoort men in de koffiehuizen de biljartballen tegen elkander stooten.

De schouwburgen openen hun deuren en spelen vaudevilles; de nieuwsgierigen praten en schertsen op weinig schreden afstand van deze in vollen oorlog zijnde straten. De huurrijtuigen rollen; men gaat ten maaltijd; soms zelfs in de wijk waar gevochten wordt. In 1831 werd het vuren gestaakt, om een bruiloftspartij door te laten.

Bij den opstand van den 12 Mei 1839 reed een kleine, oude, gebrekkige man met een handkar, waarop een driekleurige lap wapperde, en waarin flesschen met een of anderen drank waren, in de straat St. Martin van de barricade naar de troepen en van de troepen naar de barricade, en bood onpartijdig—nu aan het gouvernement, dan aan de anarchie—zijn drank.

Niets is zonderlinger; en dit is het eigenaardige der oproeren in Parijs, ’t welk in geen andere hoofdstad gevonden wordt. Daartoe zijn twee dingen noodig: de grootheid van Parijs en zijn vroolijkheid. Het moet de stad van Voltaire en van Napoleon zijn.

Ditmaal echter, bij den opstand van den 5 Juni 1832, voelde de groote stad iets, dat misschien sterker was dan zij. Zij was angstig. Men zag overal in de verwijderdste en minst bedreigde wijken op klaarlichten dag de deuren, vensters en luiken gesloten. De moedigen wapenden, de bloodaards verscholen zich. De onverschillige, bedrijvige voorbijganger verdween. Vele straten waren zoo eenzaam als te vier uren in den morgen. Men verspreidde onrustbarende bijzonderheden en verschrikkelijke berichten.—Dat zij meester van de Bank waren;—dat er, alleen in de kerk van het klooster Saint-Merry, zeshonderd man verschanst waren;—dat men op de linietroepen niet kon rekenen;—dat Armand Carrel maarschalk Clausel had bezocht en dat de maarschalk tot hem gezegd had: „Zorg eerst een regiment te hebben;”—dat Lafayette ziek was; maar hun evenwel had gezegd: „Ik ben de uwe. Ik zal u overal volgen, waar plaats voor een stoel is;”—dat men op zijn hoede moest zijn; dat er lieden zouden wezen die des nachts de afgelegen huizen in de eenzame hoeken van Parijs zouden plunderen; dat in de straat Aubry le Boucher een batterij stond;—dat Lobau en Bugeaud samen overlegden, en dat te middernacht of uiterlijk met het aanbreken van den dag vier colonnes tegelijkertijd tegen het centrum van het oproer zouden oprukken;—dat de troepen misschien Parijs zouden ontruimen en naar het Marsveld terugtrekken;—dat men niet wist wat zou gebeuren, maar dat het ditmaal ernst was.—Men onderhield zich over de aarzeling van maarschalk Soult.—Waarom viel hij niet dadelijk aan?—’t Is stellig, dat hij de zaak ernstig inzag. De oude leeuw scheen in deze schaduw een onbekend monster te erkennen.

De avond kwam; de schouwburgen bleven gesloten; verbitterd doorkruisten patrouilles de stad; men onderzocht de voorbijgangers; men hield de verdachten aan. Te negen uren waren meer dan achthonderd personen in hechtenis genomen; de prefectuur van politie, de conciergerie, la Force waren propvol. In de conciergerie was de lange onderaardsche gang, die men de straat van Parijs noemt, met bossen stroo belegd, waar de gevangenen opgehoopt lagen, welke de man van Lyon, Lagrange, moedig toesprak. Dat stroo, door al deze mannen bewogen, maakte het geruisch als van een plasregen. Elders lagen de gevangenen op de binnenplaatsen onder den blooten hemel, naast en schier op elkander. Alom heerschten angst en schrik, iets dat aan Parijs niet gewoon was.

Men verschanste zich in de huizen; de vrouwen en moeders waren ongerust; men hoorde niet anders dan: „Ach, mijn God, hij is nog niet te huis!” Slechts in de verte hoorde men nu en dan een rijtuig rollen. Men luisterde aan de deuren naar het rumoer, het geschreeuw, het geraas; doffe, onduidelijke geruchten, waarvan men zeide: dat is cavalerie, of: dat is ’t gerommel der kruitwagens, naar het trompetgeschal, het tromgeroffel, de geweerschoten en vooral naar de sombere stormklok van Saint-Merry. Men wachtte het eerste kanonschot af. Mannen verschenen om de hoeken der straten en verdwenen weder, roepende: Gaat naar binnen. En men haastte zich de deuren te grendelen. Men zeide: Hoe zal het eindigen? Van oogenblik tot oogenblik en naar gelang de nacht daalde, scheen Parijs zich akeliger te kleuren met de vreeselijke vlammen van het oproer.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings