’t Is voor moeder Plutarchus niet moeielijk een verschijnsel te verklaren.
Reading edition
Op zekeren avond had de kleine Gavroche niet gegeten; hij herinnerde zich, dat hij ook den vorigen middag niet had gegeten; dat werd onaangenaam. Hij besloot een poging te doen om zich een avondmaal te bezorgen. Hij ging dus voorbij la Salpetrière, naar eenzame plaatsen, waar het best iets te vinden is; waar niemand is, vindt men iets. Hij kwam aan eenige huizen, die hem het dorp Austerlitz schenen te zijn.
Op een zijner vroegere tochten had hij hier een ouden tuin opgemerkt, bewoond door een oud man en een oude vrouw, en in dien tuin een tamelijk goeden appelboom. Naast dien appelboom stond een fruithok, dat slecht gesloten was en waar gemakkelijk een appel was te kapen. Een appel is een avondmaal, een appel is het leven. Wat Adam deed verloren gaan, kon Gavroche redden. Langs den tuin liep een eenzame ongeplaveide straat, tusschen struikgewas, in afwachting dat er huizen zouden komen; een heg scheidde haar van den tuin.
Gavroche ging naar dien tuin; hij vond de straat terug, herkende den appelboom, en het fruithok daarnaast; onderzocht de heg, die hij gemakkelijk kon overspringen. De avond daalde, geen kat was in de straat, ’t oogenblik was gunstig. Gavroche wilde juist over de heg gaan, maar bleef plotseling staan. In den tuin werd gesproken. Gavroche tuurde door de heg.
Twee schreden van hem, aan gene zijde van de heg, juist ter plaatse waar hij bij zijn overklimming zou terecht zijn gekomen, lag een steen, die voor bank diende en waarop de oude huurder van den tuin zat. Een oude vrouw stond voor hem. Deze bromde. Gavroche luisterde nieuwsgierig.
„Mijnheer Mabeuf!” zei de oude vrouw.
„Mabeuf!” dacht Gavroche, „een grappige naam!”
De aangesproken oude man verroerde zich niet. De oude vrouw herhaalde:
„Mijnheer Mabeuf!”
De grijsaard antwoordde eindelijk, zonder de oogen op te slaan:
„Wat is er, moeder Plutarchus?”
„Moeder Plutarchus!” dacht Gavroche, „weder een grappige naam.”
Moeder Plutarchus hernam, en de oude man was gedwongen in een gesprek te treden:
„De huisheer is ontevreden.”
„Waarom?”
„Ge zijt hem drie kwartalen huur schuldig.”
„Na drie maanden zal ik hem vier kwartalen schuldig zijn.”
„Hij zegt dat hij u uit het huis zal laten zetten.”
„Ik zal gaan.”
„De groentevrouw wil betaald worden. Zij wil geen brandhout meer geven. Wat zullen wij van den winter stoken? Wij zullen geen hout hebben.”
„Wij hebben de zon.”
„De slachter wil niet meer borgen; hij wil geen vleesch meer leveren.”
„Dat komt heel goed. Mijn spijsvertering is slecht en het vleesch voor mij te zwaar.”
„Wat zullen wij dan eten?”
„Brood.”
„De bakker wil iets op rekening betaald hebben, en zegt: geen geld, geen brood.”
„Goed.”
„Wat zullen wij dus eten?”
„De appels van den appelboom.”
„Maar, mijnheer, men kan toch zonder geld niet leven.”
„Ik heb het niet.”
De oude vrouw verwijderde zich, de grijsaard bleef alleen. Hij gaf zich aan zijn gedachten over. Ook Gavroche dacht. ’t Was bijna donker.
Het eerste resultaat van Gavroches overdenking was, dat hij, in plaats van over de heg te klimmen, er zich tegen legde. Onder aan de heg vormden de takken een kleine holte.
Zie! dacht Gavroche, een volmaakte bedstede; en hij kroop er in. Hij lag met den rug schier tegen de bank van mijnheer Mabeuf, en hoorde den tachtigjarige ademen.
In plaats van te eten, poogde hij nu te slapen.
’t Was een hazenslaap, met één oog open. Sluimerende bleef Gavroche opmerken.
De heldere schemering van den hemel viel op de aarde, en de straat vormde een vale streep tusschen twee donkere heggen. Eensklaps verschenen in die schemerachtige streep twee donkere gestalten. De eene ging vooruit, de andere volgde op eenigen afstand.
„Daar komen er twee,” bromde Gavroche.
De eerste gestalte scheen een oud, gebogen, peinzend burgerman, meer dan eenvoudig gekleed, die uithoofde van zijn ouderdom langzaam ging, en een avondwandeling scheen te doen.
De tweede gestalte was recht, stevig en slank. Zij regelde haar stap naar dien van de eerste; maar in de vrijwillige langzaamheid van haar gang erkende men lenigheid en vlugheid. Deze gestalte had, bij iets schuws en verontrustends, de volkomene houding van ’t geen men destijds een elegant noemde; de hoed had een goeden vorm, de zwarte jas was van nieuw-modischen snit, waarschijnlijk van goed laken, en sloot net om het lijf. Het hoofd was met een zekere fiere bevalligheid opgericht, en onder den hoed merkte men in het schemerlicht een bleek jongelingsgelaat. Hij had een roos in den mond. Gavroche kende deze tweede gestalte zeer goed; ’t was Montparnasse.
Van de andere had hij niets kunnen zeggen, dan dat ’t een eenvoudig oud man was.
Gavroche legde zich dadelijk op de loer. De eene dezer twee wandelaars had duidelijk bedoelingen jegens den anderen. Gavroche was goed geplaatst om te zien wat er gebeuren zou. Zijn „bedstede” was zeer van pas een schuilhoek geworden.
Dat Montparnasse op zulk een uur, in zulk een streek, ter jacht ging, was iets gevaarlijks. Gavroche voelde zijn straatjongenshart bewogen van medelijden met den ouden man. Wat te doen? Zou hij tusschenbeide treden? Zou de eene zwakke den anderen zwakke helpen! Montparnasse zou er om lachen. Gavroche verheelde het zich niet, dat beiden, de oude man en de knaap, voor den vreeselijken achttienjarigen bandiet kinderspel waren.
Terwijl Gavroche overlegde, had plotseling de aanval op een afschuwelijke wijze plaats; een aanval van den tijger op het schaap, een aanval der spin op de vlieg. Eensklaps wierp Montparnasse de roos weg, sprong op den grijsaard toe, vatte hem in zijn das en drukte hem met alle kracht. Gavroche had moeite een kreet te bedwingen. Een oogenblik later lag een der mannen onder den anderen, hijgend, reutelend, spartelend, terwijl een marmeren knie zijn borst drukte. Maar ’t was niet juist zooals Gavroche verwacht had; want op den grond lag Montparnasse en op hem de oude man. Dat alles gebeurde op slechts korten afstand van Gavroche.
De oude man had den stoot ontvangen en dien teruggegeven, en wel zoo geducht, dat in een oogenblik de aanvaller en de aangevallene van rol veranderd waren.
Dit is een dappere invalide, dacht Gavroche.
En hij kon niet laten in de handen te klappen. Maar deze toejuiching was nutteloos; zij bereikte het oor van geen der beide strijders, die met elkander worstelend en wederzijds verdoofd, beiden hijgden en zwoegden.
Er ontstond een pauze. Montparnasse hield op zich te verweren, en Gavroche vroeg bij zich zelven: „Is hij dood?”
De oude man had geen woord gezegd, geen kreet geslaakt. Hij richtte zich op, en Gavroche hoorde hem tot Montparnasse zeggen:
„Sta op!”
Montparnasse stond op, maar de oude man hield hem vast. Montparnasse had de vernederende, maar woedende houding van een wolf, die door een schaap was gebeten. Gavroche tuurde en luisterde, en deed moeite om zijn gezicht door zijn gehoor te versterken. Hij had een ongelooflijken schik.
Hij werd beloond voor zijn beangste nieuwsgierigheid. Hij kon de volgende samenspraak opvangen, welke in de duisternis iets sombers had. De oude man vroeg, Montparnasse antwoordde:
„Hoe oud zijt ge?”
„Negentien jaar.”
„Gij zijt sterk en gezond. Waarom werkt ge niet?”
„Dit verveelt mij.”
„Wat is uw beroep?”
„Nietsdoener.”
„Spreek ernstig. Kan er iets voor u gedaan worden? Wat wilt ge zijn?”
„Dief!”
Er ontstond een pauze. De grijsaard scheen diep in gedachten. Hij stond bewegingloos en hield Montparnasse steeds vast. Ieder oogenblik deed de sterke, vlugge, jonge bandiet zijsprongen, als een in den strik gevangen dier. Hij stiet, trok, beproefde den ouden man een been te lichten en poogde te ontsnappen. De grijsaard scheen er geen acht op te slaan en hield hem met ééne hand vast, met de onbezorgde overtuiging van een overwegende kracht.
De oude man bleef eenigen tijd in gedachten, en aanschouwde Montparnasse met strakken blik; toen verhief hij zacht de stem in de duisternis, waarin zij zich bevonden, en sprak de volgende plechtige woorden, van welke Gavroche geen woord ontging:
„Mijn zoon, gij treedt uit luiheid in het moeielijkste leven dat bestaat. Ha! gij zegt een nietsdoener te zijn! bereid u liever tot den arbeid. Hebt ge ooit dit vreeselijk werktuig gezien, dat men een pletmolen noemt? Men moet er zich wel voor in acht nemen, ’t is een geniepig, wreed ding; zoo het slechts een punt van uw rok vat, gaat ge er geheel in. Deze machine is de ledigheid. Keer terug, terwijl het nog tijd is, en red u! ’t Is anders te laat! spoedig zult ge door het raderwerk gevat zijn. Zoo ge eenmaal gegrepen zijt, is er geen hoop meer. Aan ’t werk dus, luiaard, geen rust! De wreede hand van den onverbiddelijksten arbeid tast naar u. Den kost te verdienen, een taak, een plicht te vervullen, dit wilt ge niet; te zijn als de anderen, verveelt u. Nu, ge zult anders zijn. De arbeid is wet; die hem afwijst uit verveling, zal hem tot straf krijgen. Gij wilt geen arbeider zijn, gij zult slaaf wezen. De arbeid laat u slechts aan de eene zijde los, om u aan de andere te grijpen; gij wilt zijn vriend niet zijn, gij zult zijn neger wezen. Ha! gij hebt de vermoeidheid van den eerlijken man niet gewild; gij zult het zweet der verdoemden vinden. Waar anderen zingen, zult gij reutelen. Gij zult in de verte, uit de laagte, de andere menschen zien arbeiden; gij zult meenen, dat zij rusten. De landbouwer, de maaier, de zeeman, de smid zullen voor u in ’t licht verschijnen van gelukkigen in ’t paradijs. Welke helderheid omgeeft het aanbeeld! Den ploeg besturen, de garven binden, is vreugde. Welk een feest! de boot in den wind te doen schommelen! Gij, nietsdoener, delf, sleep, stuw, wroet! Draag uw halster, gij zijt een lastdier in het span der hel. Ha! het was uw plan niets te doen. Welnu, geen week, geen dag, geen uur zal er voor u zijn, zonder dat uw hart bezwaard is. Ge zult u slechts met angst kunnen bewegen. Iedere minuut die voorbijgaat zal uw spieren doen kraken. Voor u zal ’t een rots zijn, wat voor anderen een veder is. Het eenvoudigste zal moeielijk worden. Het leven zal u gedrochtelijk zijn. Gaan, komen, ademen, dit alles zal u zwaar vallen. Uw longen zullen u als van lood voorkomen. Of ge aan dezen of genen kant zult gaan, zal een gewichtig vraagstuk voor u zijn. Ieder ander, die wil uitgaan, opent zijn deur en hij is buiten. Zoo gij wilt uitgaan, moet gij uw muur doorbreken. Wat doet ieder, die op de straat wil gaan? Hij gaat de trap af; gij zult uw beddelakens scheuren, draad voor draad zult ge er een touw van vlechten; dan zult ge u uit het venster aan dien draad boven een afgrond hangen, en ’t zal des nachts zijn, in storm, in regen, in onweder; en zoo het touw te kort is, zal er slechts één middel zijn om beneden te komen, u van een hoogte te laten vallen, in een diepte, op iets dat onder is, onverschillig wat, op het onbekende. Of gij zult door een schoorsteen moeten klimmen, op gevaar af van u te branden; of gij zult door een riool kruipen, op gevaar af van te stikken. Ik spreek niet van de gaten, welke moeten worden verborgen, van de steenen welke losgebroken en twintigmaal daags weer op hun plaats gesteld moeten worden, van den kalk die in den stroozak moet worden verborgen. Daar is een slot; iedereen neemt daarvoor den sleutel, door een smid gemaakt, dien hij bij zich draagt. Gij, zoo gij het wilt openen, moet eerst een kunststuk vervaardigen; gij neemt een koperen sousstuk, dat ge aan twee plaatjes snijdt; met welk werktuig? gij moet het uitvinden. Dat is uw zaak. Dan holt ge deze twee plaatjes uit, zorgende het uitwendige niet te beschadigen, en maakt om den rand een schroefdraad, zoodat beide juist op elkander passen als een doosje en deksel. Zoo nu het bovenste op het onderste is geschroefd, is er niets van te ontdekken. Voor de bewakers, want ge zult bewaakt worden, zal ’t een stuiverstuk zijn; voor u zal ’t een doosje wezen. Wat zult ge in dit doosje leggen? Een stukje staal. De veer van een horloge, welke gij getand hebt en die nu een zaagje zal zijn. Met dit kleine zaagje, dat in een sousstuk is verborgen, zult gij den schoot van het slot, den grendel, het hengsel van het hangslot, de tralies van uw venster, den boei aan uw been moeten doorsnijden. Na dit meesterstuk, dit wonder te hebben volbracht, na al deze mirakelen van kunst, vaardigheid, behendigheid, geduld uitgevoerd te hebben, wat zal uw loon zijn, zoo men komt te weten dat gij de bewerker er van zijt? het cachot. Ziedaar uw toekomst! Welke afgronden zijn niet de luiheid en de rust! Niets doen, weet ge wel, dat het een treurige keus is? Werkeloos in de maatschappij leven, nutteloos zijn, is schadelijk zijn! Dit voert regelrecht tot de diepste ellende. Wee hem, die een parasiet wil zijn! hij wordt ongedierte. Ha! gij hebt geen lust om te werken? Gij hebt slechts ééne gedachte: Goed te drinken, goed te eten, goed te slapen! Gij zult water drinken, gij zult zwart brood eten, gij zult op een plank slapen, met een ijzer aan uw leden geklonken, waarvan gij ’s nachts de kilheid op uw vleesch zult voelen! Gij zult dat ijzer verbreken, ge zult vluchten. Goed. Op uw buik zult ge door doornheggen kruipen, en als de dieren des wouds gras eten. Maar ge zult weder gevat worden. Dan zult ge jaren in een onderaardschen kelder doorbrengen, aan den muur geketend, tasten naar de kruik om te drinken, in de duisternis op het afschuwelijk brood bijten, dat geen hond zou willen, en boonen eten, welke voor u reeds door de wormen zijn doorgeknaagd. Ge zult zijn als een duizendpoot in een kelder. Heb medelijden met u zelven, rampzalig kind, nog zoo jong, dat geen twintig jaren geleden nog een zuigeling waart, en waarschijnlijk nog een moeder hebt. Ik zweer u, hoor mij aan. Gij wilt fijn, zwart laken, verlakte laarzen dragen, gekapt en geparfumeerd zijn, de vrouwen behagen, bekoorlijk zijn? Men zal u het hoofd kaal scheren; gij zult een rood buis en klompen dragen. Gij begeert een ring aan den vinger, gij zult een ring aan den hals hebben. En zoo ge een vrouw aanziet, krijgt ge stokslagen. Gij zult op twintigjarigen leeftijd deze wereld intreden en haar op vijftigjarigen verlaten. Ge zult er jong, blozend, frisch, met schitterende oogen en al uw witte tanden binnen gaan, en haar gebroken, gekromd, gerimpeld, tandeloos, afzichtelijk, met wit haar verlaten. Ach, mijn arme jongen, ge volgt een verkeerden weg, de lediggang geeft u slechten raad. De zwaarste arbeid is de diefstal. Geloof mij, wijd u niet aan het moeielijk werk, een luiaard te zijn. ’t Is niet gemakkelijk, een schurk te worden. Veel lichter is het, een eerlijk man te zijn. Ga nu en denk aan ’t geen ik u gezegd heb. Maar.... wat wildet gij van mij? Mijn beurs? Ziedaar!”
En terwijl de oude man Montparnasse losliet, stelde hij hem zijn beurs ter hand, welke Montparnasse even woog, waarna hij ze, met dezelfde werktuiglijke behoedzaamheid, als had hij ze gestolen, zacht in den achterzak van zijn jas liet glijden.
Na dit gezegd en gedaan te hebben, keerde de oude man om en hervatte bedaard zijn wandeling.
„Malle vent!” mompelde Montparnasse.
Wie was deze oude man? De lezer heeft het zekerlijk geraden. In de grootste verbazing zag Montparnasse hem na, terwijl hij in de avondschemering verdween. Dit nazien was hem noodlottig.
Terwijl de grijsaard zich verwijderde, naderde Gavroche.
Gavroche had zich door een schuinschen blik vergewist, dat de oude Mabeuf, die misschien in slaap was gevallen, nog altijd op de bank zat. Daarop was de straatjongen uit de heg gekomen en was in de duisternis achter Montparnasse geslopen, die bewegingloos stond. Dus naderde hij Montparnasse zonder gezien of gehoord te worden, stak zacht zijn hand in den achterzak van de fijne zwartlakensche jas, greep de beurs, trok de hand terug en kroop als een vluchtende adder weder in de duisternis. Montparnasse, die geen reden had om op zijn hoede te zijn en voor het eerst zijns levens nadacht, merkte hiervan niets. Gavroche, ter plaatse teruggekeerd, waar de oude Mabeuf zat, wierp de beurs over de heg en liep, zoo snel als hij loopen kon, weg.
De beurs viel op den voet van vader Mabeuf. Deze schok wekte hem. Hij bukte en raapte de beurs op. Hij begreep er niets van, en opende ze. ’t Was een beurs met twee vakken; in het eene vak was eenig klein geld, in het andere zes gouden Napoleons.
Verbaasd bracht Mabeuf dit aan zijn huishoudster.
„’t Is uit den hemel gevallen,” zei moeder Plutarchus.