Einde van Jean Prouvaires gedicht.
Reading edition
Allen omringden Marius. Courfeyrac viel hem om den hals.
„Gij hier!”
„Welk een geluk!” zei Combeferre.
„Gij zijt juist van pas gekomen!” zei Bossuet.
„Zonder u was ik doodgeschoten!” hernam Courfeyrac.
„Zonder u was ik doodgestoken!” zei Gavroche.
Marius vroeg:
„Waar is de aanvoerder?”
„Dat zijt gij,” zei Enjolras.
’t Had Marius den geheelen dag in het hoofd gegloeid; nu was ’t een storm. ’t Scheen hem, dat deze storm buiten hem woedde en hem medesleepte. ’t Scheen hem, alsof hij reeds op een verren afstand van het leven was. Zijn beide van liefde en van vreugd schitterende maanden liepen eensklaps op dien vreeselijken afgrond uit: Cosette, voor hem verloren, deze barricade, de heer Mabeuf, zich voor de republiek latende dooden, hij zelf aanvoerder van opstandelingen, dat alles kwam hem een monsterachtigen droom voor. Hij moest al zijn geestkracht inspannen, om zich te herinneren, dat al wat hem omgaf, werkelijk bestond. Marius had nog te kort geleefd, om te weten, dat niets meer nabij is dan het onmogelijke, en men steeds het onverwachte moet verwachten. Hij was bij zijn eigen drama tegenwoordig, als bij een tooneelstuk dat men niet begrijpt.
In dezen nevel, die zijn geest omhulde, herkende hij Javert niet, die aan den paal gebonden, gedurende den aanval zijn hoofd niet had bewogen en rondom zich de revolutie zag woelen met de onderwerping van een martelaar en de majesteit van een rechter. Marius zag hem zelfs niet.
Inmiddels naderden de aanvallers niet meer; men hoorde ze aan het einde der straat heen en weder gaan, maar zij waagden er zich niet in, hetzij dat zij bevelen wachtten, of dat zij versterking afwachtten, vóór zij een nieuwen aanval tegen deze onneembare sterkte beproefden. De opstandelingen hadden schildwachten geplaatst, en eenigen, die studenten in de geneeskunde waren, waren bezig de gekwetsten te verbinden.
Men had de tafels uit de herberg geworpen, behalve twee, die voor het pluksel en de patronen waren bestemd, en de tafel waarop de oude Mabeuf lag; men had ze voor de barricade gebruikt en ze in het benedenvertrek vervangen door de matrassen der weduwe Hucheloup en der dienstmeiden. Op deze matrassen had men de gekwetsten gelegd. Wat van de drie arme wezens geworden was, die Corinthe bewoonden, wist men niet. Eindelijk vond men ze in den kelder verborgen—als advocaten, zei Bossuet. En hij voegde er bij: „Foei! vrouwen!”
De vreugd over de bevrijding der barricade werd op smartelijke wijze gestoord.
Men hield appèl. Een der opstandelingen ontbrak. En wie? een der meest geliefden, een der dappersten, Jean Prouvaire. Men zocht hem onder de gekwetsten; hij was er niet; men zocht hem onder de dooden; hij was er niet.
Hij was stellig gevangengenomen.
Combeferre zeide tot Enjolras:
„Zij hebben onzen vriend; wij hebben hun spion. Hecht ge aan den dood van den verklikker?”
„Ja,” antwoordde Enjolras, „maar minder dan aan het leven van Jean Prouvaire.”
Dit gebeurde in de benedenkamer bij den paal van Javert.
„Welaan,” hernam Combeferre, „ik zal mijn zakdoek aan mijn stok binden en als parlementair hun de uitwisseling van beide mannen voorstellen.”
„Luister!” zei Enjolras, zijn hand op den arm van Combeferre leggende.
Aan het einde der straat klonk een onheilspellend wapengekletter.
Men hoorde een mannelijke stem roepen:
„Leve Frankrijk! leve de toekomst!”
Men herkende de stem van Prouvaire.
Een plotseling weerlicht trof het oog en geweren knetterden.
Het werd weder stil.
„Zij hebben hem gedood!” riep Combeferre.
Enjolras zag Javert aan en zeide tot hem:
„Uw vrienden hebben u doodgeschoten.”