← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Helderheid.

Reading edition

De lezer zal begrepen hebben, dat Eponine, nadat zij door het hek de bewoonster van het huis in de straat Plumet had herkend, waarheen zij door Magnon was gezonden, de bandieten ervan afgehouden en Marius er heen gevoerd had; dat Marius, na verscheidene dagen in verrukking voor dat hek te hebben doorgebracht, aangetrokken door de kracht, welke het ijzer naar den zeilsteen trekt en den minnaar naar de steenen van het huis der geliefde, eindelijk Cosettes tuin was binnengegaan, gelijk Romeo den tuin van Juliette. ’t Was hem zelfs lichter geweest dan Romeo; Romeo moest over een muur klimmen; Marius behoefde slechts een der tralies van het oude hek weg te nemen, die waggelend in haar verroeste holten stonden, gelijk de tanden van oude lieden. Marius was tenger en gleed gemakkelijk door de opening.

Wijl er nooit iemand op de straat was, en Marius bovendien alleen des nachts den tuin binnendrong, liep hij geen gevaar gezien te worden.

Sinds dit gezegend en heilig uur, toen een kus deze beide zielen verloofde, kwam Marius er alle avonden. Zoo Cosette op dat oogenblik haars levens een gewetenloos en lichtzinnig man had bemind, zou zij verloren zijn geweest; want er zijn edelmoedige naturen die zich geheel overgeven, en Cosette was zulk een natuur. Het behoort tot de grootmoedigheid der vrouw, dat zij zwicht. Zoodra de liefde haar hoogsten graad heeft bereikt, wordt haar maagdelijk gevoel op zonderlinge wijze bedwelmd. Maar aan welke gevaren stelt ge u bloot, edele zielen! Gij geeft dikwerf het hart, wij nemen het lichaam. Uw hart blijft u over, en gij aanschouwt het bevend in de duisternis. De liefde kent geen middelweg; òf zij richt ten verderf, òf zij redt. In dit dilemma ligt het geheele menschelijke lot. Dit dilemma, verderf of geluk, wordt door geen andere omstandigheden zoo onverbiddelijk gesteld, als door de liefde. De liefde is het leven, zoo zij niet de dood is. Een wieg of een doodkist. Hetzelfde gevoel zegt ja! en neen! in het menschelijk hart. Van alle dingen, die God heeft geschapen, ontwikkelt het menschelijk hart het meeste licht, maar, helaas! ook de meeste duisternis.

God wilde dat de liefde, welke Cosette vond, een reddende liefde was.

Zoolang de maand Mei van het jaar 1832 duurde, bevonden zich alle nachten in dien woesten tuin, in dit dagelijks geuriger en dichter wordend struikgewas, twee wezens vol kuischheid en onschuld, overstroomd van hemelsche zaligheid, meer engelen dan menschen, rein, eerlijk, verrukt, schitterend voor elkander in de duisternis. Het kwam Cosette voor, als had Marius een kroon, en het scheen Marius alsof Cosette een stralenkrans had. Zij raakten, aanschouwden elkaar, klemden zich tegen elkander en drukten elkaars handen, maar er bleef een afstand, dien zij niet overschreden. Niet wijl zij dien eerbiedigden; maar wijl zij hem niet kenden. Marius voelde een hinderpaal: de reinheid van Cosette; en Cosette voelde een steun: de edelheid van Marius. De eerste kus was ook de laatste geweest. Sedert was Marius niet verder gegaan dan zacht met zijn lippen de hand, het halsdoekje of een haarlok van Cosette aan te raken. Cosette was voor hem een geur, geen vrouw. Hij ademde haar. Zij weigerde niets, hij vroeg niets. Cosette was gelukkig en Marius was tevreden. Zij leefden in dien verrukten toestand, welken men de begoocheling van een ziel door een andere ziel zou kunnen noemen. ’t Was de eerste onbeschrijfelijke omhelzing van twee maagdelijke zielen in het ideale. Twee zwanen, die elkander op de Jungfrau ontmoetten.

Op dit uur der liefde, waarin de wellust volkomen zwijgt onder het alvermogen der verrukking, zou Marius, de reine, engelachtige Marius, eerder in staat zijn geweest bij een publieke vrouw te gaan dan Cosettes kleed tot den enkel op te heffen. Eens, bij maanschijn, bukte Cosette om iets van den grond op te rapen; het lijfje van haar kleed opende zich daarbij een weinig en liet het onderste van haar hals zien; toen wendde Marius de oogen af.

Wat gebeurde er tusschen deze beide wezens? Niets. Zij beminden elkander met heilige liefde.

Wanneer zij des nachts in den tuin waren, scheen deze hun een levend en heilig oord. Al de bloemen om hen heen openden zich en zonden hun haar geuren; maar zij openden hun zielen en stortten ze in de bloemen uit. De krachtige, weelderige plantengroei trilde vol sap en dronkenschap in de omgeving dezer twee onschuldigen, die liefdewoorden spraken, welke de boomen deden ritselen.

Welke waren deze woorden? Niets dan ademtochten. Deze ademtochten waren voldoende om de geheele natuur te treffen en te bewegen. ’t Is de toovermacht, welke moeielijk te begrijpen zou zijn, zoo men in een boek dezen kout las, die bestemd is, om door den wind als damp van tusschen de bladeren weggeblazen en verstrooid te worden. Ontneem aan dit gefluister van twee gelieven deze welluidendheid, die uit de ziel voortkomt en het als een lier accompagneert, en wat overblijft is slechts een schaduw, en men zegt: O, is ’t anders niet! Gewis, kinderachtigheden, herhalingen, gelach om niets, nietigheden, dwaasheden, maar ook al wat in de wereld het verhevenste en innigste is, de eenige zaken die der moeite waard zijn gezegd en gehoord te worden!

De man, die zulke dwaasheden, zulke beuzelarijen nooit gehoord of gesproken heeft, is een ongevoelige en een slecht mensch.

Cosette zeide tot Marius:

„Weet ge?...”

(Niettegenstaande deze hemelsche maagdelijkheid, spraken zij op zeer gemeenzamen toon met elkander, zonder dat een van beiden had kunnen zeggen, hoe ze er toe gekomen waren.)

„Weet ge? Ik heet Euphrasie.”

„Euphrasie? Neen, ge heet Cosette.”

„O, Cosette is een leelijke naam, dien men mij gegeven heeft toen ik klein was. Maar mijn eigenlijke naam is Euphrasie. Houdt ge niet van den naam Euphrasie?”

„Ja... Maar Cosette is niet leelijk.”

„Vindt ge dien mooier dan Euphrasie?”

„Nu... ja.”

„Dan vind ik hem ook mooier. ’t Is waar, Cosette is lief. Noem mij Cosette.”

En de glimlach, dien zij aan deze woorden paarde, maakte van deze samenspraak een idylle, waardig voor een bosch in den hemel.

Een anderen keer zag zij hem strak aan en riep:

„Mijnheer, ge zijt schoon, ge zijt lief, ge hebt verstand, ge hebt geest, ge zijt veel geleerder dan ik; maar ik durf u tarten wat betreft dit woord: ik bemin u!”

En Marius meende zich als in den hemel opgenomen en deze woorden door een ster te hooren zingen.

Of zij gaf hem, wanneer hij hoestte, een tikje en zeide:

„Hoest niet, mijnheer. Ik wil niet, dat men bij mij zonder mijn verlof hoest. ’t Is zeer leelijk te hoesten en mij te verontrusten. Ik wil dat ge heel gezond zijt, omdat ik in de eerste plaats, zoo gij ongesteld waart, zeer ongelukkig zou zijn. Wat kan ik er aan doen?”

En dit alles was louter goddelijk.

Eens zeide Marius tot Cosette:

„Denk eens, dat ik eenigen tijd geloofd heb, dat ge Ursula heette.”

Daarover lachten zij een ganschen avond.

Bij een ander gesprek ontvielen hem eens toevallig de woorden:

„O, op zekeren dag had ik in het Luxembourg grooten lust een invalide den hals te breken.”

Maar daarbij liet hij het en sprak er niet verder over. Hij zou dan Cosette iets van haar kouseband hebben moeten zeggen, en dat was hem onmogelijk. Hij raakte daarmede iets onbekends aan, het stoffelijke, waarvoor zijn onuitsprekelijke liefde met een soort van heiligen eerbied terugweek.

Marius stelde zich het leven met Cosette niet anders voor dan alle avonden naar de straat Plumet te gaan, de oude ijzeren gewillige staaf van het hek des presidents uit te lichten, naast elkander op de bank te zitten, door het geboomte den sterren-helderen nacht te aanschouwen, met de knieplooien van zijn broek het wijde kleed van Cosette aan te raken, den nagel van haar duim te streelen, met haar dezelfde bloem te ruiken, en zoo altijd en in ’t oneindige. Middelerwijl dreven de wolken boven hun hoofden. Iedere ademtocht van den wind voert meer droomen van den mensch weg dan wolken van den hemel.

Deze kuische, schier schuwe liefde was echter niet geheel zonder galanterie. Haar, die men bemint, „complimenten te maken,” is de eerste wijze van liefkoozen, een eerste vermetelheid welke men waagt. Een compliment is iets als een kus door een sluier heen. De wellust, hoewel zich verbergend, laat er zich zacht in gevoelen. Het hart deinst terug voor den wellust, om beter te beminnen. De liefkoozingen van Marius, vervuld van hersenschimmen, waren, om zoo te spreken, hemelsblauw. De vogels, wanneer zij omhoog nabij de engelen zweven, moeten dergelijke woorden hooren. Daarbij mengde zich echter leven, menschelijkheid, al het werkelijke waartoe Marius in staat was. ’t Was een lyrische ontboezeming, de liefelijke hyperbolen van duivengekir, al de verfijningen der aanbidding tot een ruiker verzameld en een fijnen hemelschen geur ontwikkelend, een onbeschrijfelijk gefluister van het eene hart tot het andere.

„O,” lispelde Marius, „hoe schoon zijt gij! ik durf u niet aanzien. Daarom aanschouw ik u. Ge zijt een gratie. Ik weet niet, hoe ’t mij is. De zoom van uw kleed, wanneer de punt van uw schoen er uit komt, brengt mij in verwarring. En welk een betooverende glans, wanneer uw gedachte zich voor mij opent. Gij spreekt wonderbaarlijk verstandig. Soms komt het mij voor, dat ge een droom zijt. Spreek, ik luister, ik bewonder u. O Cosette, hoe zonderling en bekoorlijk is het! ik ben waarlijk zinneloos. Gij zijt aanbiddelijk, mejuffrouw. Ik bestudeer uw voeten met den microscoop en uw ziel met den telescoop.”

Cosette antwoordde:

„Ik bemin u reeds meer in den tijd, die sinds van ochtend verstreken is.”

Vragen en antwoorden gingen in die samenspraak heen en weder, en kwamen als vanzelf steeds op de liefde terecht, evenals de vlierpopjes steeds op de voeten komen.

De geheele persoon van Cosette was onbevangenheid, natuurlijkheid, onschuld, doorzichtigheid, blankheid, oprechtheid en licht. Men had van Cosette kunnen zeggen, dat zij helder was. Op ieder die haar zag maakte zij den indruk van een Meischen morgenstond. In haar oogen lag dauw. Cosette was een verlichamelijking van het morgenlicht in den vorm eener vrouw.

Het was natuurlijk, dat Marius haar beminde, haar aanbad. Inderdaad, deze kortelings uit het klooster gekomene pensionnaire sprak met uitnemende scherpzinnigheid en zei bij gelegenheid allerlei ware en uitgezochte woorden. Haar kout was een wezenlijk onderhoud. Zij bedroog zich in niets en had een juisten blik. De vrouw gevoelt en spreekt met het fijne instinct van het hart, dat onfeilbaar is. Niemand weet tegelijk zachte en ernstige zaken te zeggen zooals een vrouw dat kan. Zachtheid en diepte is de vrouw; is de hemel.

In die volkomen zaligheid kwamen hun telkens tranen in de oogen. Een vertreden insect, een uit een nestje gevallen veder, een gebroken tak wekte hun medelijden, en hun verrukking, met een zachte droefgeestigheid gemengd, scheen zich gaarne in tranen lucht te geven. Het verhevenste verschijnsel der liefde is een verteedering, die soms schier ondragelijk is.

En bij dat alles—al deze tegenstrijdigheden zijn het bliksemspel der liefde—schertsten zij gaarne en met bekoorlijke vrijmoedigheid, en zoo vertrouwelijk, dat het vaak scheen alsof zij twee knapen waren. Maar, hoewel het van kuischheid dronken hart zich vergeet, de natuur is er steeds en vergeet zich niet. Zij is er met haar tevens laag en verheven doel; en hoe groot de onschuld der zielen zijn moge, men gevoelt in het meest kuische vertrouwelijk bijeenzijn, het wonderbaar en geheimzinnig onderscheid tusschen een paar gelieven en een paar vrienden.

Zij aanbaden elkander.

Het gestadige en onveranderlijke blijft. Men bemint, glimlacht, schertst, raakt elkander even met de lippen aan, spreekt gemeenzaam, en meent dat het eeuwig duren zal. Twee gelieven verbergen zich in den avond, in de schemering, in het onzichtbare, met de vogels, met de rozen; zij betooveren elkander in de schaduw met hun harten, welke zij in hun oogen leggen; zij fluisteren en zuchten, en middelerwijl wentelen de sterren rustig in het onmetelijke over hen heen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings