← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Het vaatje buskruit.

Reading edition

Besluiteloos en huiverend had Marius, in den hoek der straat Mondétour verscholen, het begin van het gevecht aanschouwd. Lang kon hij echter aan die geheimzinnige, machtige aandrift geen weerstand bieden, welke een roepstem uit den afgrond kan worden genoemd. Tegenover het dreigend gevaar, tegenover den dood van den heer Mabeuf, dit somber raadsel, tegenover den gesneuvelden Bahorel, terwijl Courfeyrac om hulp riep, tegenover den bedreigden knaap, en zijn vrienden, welke hij of te hulp komen of wreken moest, was alle weifeling verdwenen, en met zijn twee pistolen in de hand had hij zich in het gewoel gestort. Met het eerste schot had hij Gavroche gered, met het tweede Courfeyrac bevrijd.

Onder het geweervuur en de kreten der gekwetste garden hadden de aanvallers de verschansing beklommen, waarop men nu te halver lijve een menigte municipale garden, soldaten en nationale garden uit de voorsteden met het geweer in de hand zag. Zij bedekten reeds meer dan twee derden der versperring, maar sprongen niet in de ruimte, alsof zij weifelden en een hinderlaag vreesden. Zij schouwden in de donkere barricade, zooals men in een leeuwenhol ziet. Het licht der toorts bescheen slechts de bajonnetten, de berenmutsen, en het bovenste der ontstelde en vertoornde gezichten.

Marius was nu ongewapend, want hij had zijn pistolen weggeworpen; maar hij had het vaatje kruit in het benedenvertrek bij de deur opgemerkt.

Toen hij zich half omwendde en naar dien kant zag, legde een soldaat op hem aan. Maar terzelfdertijd greep iemand den geweerloop en hield er de hand voor. ’t Was de jonge werkman met manchestersche broek, die was komen toeloopen. Het schot ging af, doorboorde de hand en misschien ook den werkman, want hij viel, maar de kogel trof Marius niet. Dit alles gebeurde te midden van den rook en was slechts onduidelijk zichtbaar. Hij had echter verward den tegen hem gerichten geweerloop en de hand, die er zich vóór hield, gezien, en het schot gehoord. Maar in dergelijke oogenblikken vliegt en snelt hetgeen men ziet voorbij, zonder dat men zich aan iets kan hechten. Men voelt zich in nog diepere duisternis voortgestuwd, en alles is nevel.

De opstandelingen, verrast maar niet verschrikt, hadden zich weder vereenigd. Enjolras had geroepen: „Wacht! schiet niet in ’t wild!” Inderdaad, in de eerste verwarring hadden zij elkander kunnen raken. De meesten waren naar het venster van de eerste verdieping en naar de zoldervensters gegaan, van waar zij de aanvallers beheerschten. De moedigsten hadden zich met Enjolras, Courfeyrac, Jean Prouvaire en Combeferre tegen de huizen op den achtergrond geplaatst, zonder eenige bedekking en tegenover de gelederen der soldaten en der garden, die op de barricade stonden.

Dit alles gebeurde zonder overijling, met die zonderlinge, dreigende kalmte, welke het gevecht voorafgaat. Aan weerszijden legde men op elkander aan; men was zoo dicht bijeen, dat men elkander verstaan kon. Toen men op ’t oogenblik was, dat de vonk zou ontspringen, stak een officier met dikke epauletten den degen op en zeide:

„Velt ’t geweer!”

„Vuur!” commandeerde Enjolras.

Aan weerszijden knalden de geweerschoten tegelijkertijd en alles verdween in den rook.

’t Was een scherpe en verstikkende rook, waarin, met zwak, dof gekerm, stervenden en gekwetsten zich voortsleepten.

Toen de rook verdween, zag men aan beide zijden de strijders, die, hoewel gedund, echter steeds op dezelfde plaats, weder in stilte hun geweren laadden.

Eensklaps hoorde men een donderende stem, die riep:

„Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!”

Allen keerden zich naar den kant van waar de stem kwam.

Marius was de benedenkamer binnengegaan, had het kruitvaatje genomen en van den rook en den donkeren nevel gebruik gemaakt, die de verschanste ruimte vulde, om langs de barricade tot aan de opgestapelde steenen te sluipen, waar tusschen de toorts stond. De toorts weg te rukken, het vaatje kruit er neder te leggen, den stapel steenen er op te storten, zoodat er aanstonds de bodem uitviel, dit alles was voor Marius het werk van een oogenblik geweest. Nu aanschouwden hem met ontzetting allen, nationale garden, municipale garden, officieren, soldaten, die aan gene zijde der barricade saamgedrongen stonden, met den voet op de keien, de toorts in de hand, zijn fier gelaat verlicht door een vreeselijk besluit en de vlam der toorts naar dien schrikbarenden steenhoop gewend, waartusschen men het gebroken kruitvaatje zag, terwijl hij den ontzettenden kreet slaakte:

„Verwijdert u, of ik laat de barricade in de lucht springen!”

Marius op deze barricade, na den tachtigjarigen grijsaard, was het visioen der jonge revolutie, na de verschijning der oude.

„De barricade laten springen!” zei een sergeant, „dan springt gij mede!”

„Dat weet ik!” antwoordde Marius.

En hij hield de toorts dicht bij het kruitvaatje. Maar reeds was niemand meer op de versperring. De aanvallers drongen verschrikt en verward, met achterlating van hun dooden en gekwetsten, naar het einde der straat en verdwenen er wederom in de duisternis. ’t Was een algemeene vlucht.

De barricade was bevrijd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings