← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

De grond der quaestie.

Reading edition

Er is oproer en opstand; beide zijn toorn; het een heeft ongelijk, de andere heeft gelijk. In democratische staten, de eenige die op recht zijn gegrond, gebeurt het soms dat de fractie overheerscht; dan verheft zich het geheel, en de noodzakelijke terugvorderingen zijner rechten kan zoover gaan, dat het de wapens grijpt. In alle quaestiën, die op de souvereiniteit van allen betrekking hebben, is de oorlog van allen tegen de fractiën opstand, de aanval der fractie tegen het geheel is oproer; al naar gelang de Tuilerieën den koning of de conventie bevatten, worden zij terecht of ten onrechte aangevallen. Hetzelfde kanon, dat tegen het volk wordt gericht, heeft den 10 Augustus ongelijk en den 14 Vendemiaire gelijk. De schijn is gelijk, maar de grond verschillend; de Zwitsers verdedigden het valsche, Bonaparte verdedigde het ware. Wat het algemeen stemrecht voor de ware vrijheid en souvereiniteit heeft gedaan, kan niet door de staat weer vernietigd worden. Het is hetzelfde in de zaken van zuivere beschaving; het instinct der massa’s, gisteren helderziend, kan morgen duister zijn. Dezelfde woede is wettig tegen Terray en bespottelijk tegen Turgot. De vernietiging der machines, de plundering der pakhuizen, de vernieling der spoorwegen, de verwoesting der dokken, de verkeerdheden der menigte, de onbillijke wederstand van het volk tegen den vooruitgang, Ramus door de studenten vermoord, Rousseau met steenen uit Zwitserland verdreven, dat is oproer. Israël tegen Mozes, Athene tegen Phocion, Rome tegen Scipio, is oproer; Parijs tegen de Bastille is opstand. De soldaten tegen Alexander, de matrozen tegen Christoforus Columbus is insgelijks oproer; een verachtelijk oproer; waarom? Omdat Alexander voor Azië met den degen deed, wat Columbus voor Amerika met het kompas deed; beiden, Alexander en Columbus, vonden een wereld. Deze geschenken eener wereld aan de beschaving zijn zulk een vermeerdering van licht, dat elke weerstand een misdaad is. Soms is het volk zich zelf ontrouw. De menigte is jegens het volk verraderlijk.

Het gerucht van het in beweging zijnde recht is merkbaar en komt niet altijd voort uit de beving der in beroering zijnde massa’s; er is dwaze woede, er zijn gebarsten klokken; alle stormklokken hebben geen zuiveren klank. De slingering der hartstochten en der onwetendheid is anders dan de beweging van den vooruitgang. Sta op, ja, maar om grooter te worden. Wijs mij waarheen ge gaat. Er is geen andere opstand dan een voorwaartsche. Iedere andere verheffing is slecht; ieder achterwaartsch geweld is oproer; de achteruitgang is een daad van ’t geweld tegen het menschelijk geslacht. De opstand is een verwoede vlaag der waarheid; de straatsteenen, welke de opstand slingert, doen een vonk van recht ontspringen. Deze steenen laten aan het oproer slechts slijk over. Danton tegen Lodewijk XVI is de opstand; Hébert tegen Danton is ’t oproer.

Vandaar, dat opstand in sommige gevallen, gelijk Lafayette heeft gezegd, de heiligste plicht kan wezen, en het oproer daarentegen de noodlottigste van alle aanvallen.

Er is ook eenig onderscheid in de kracht des vuurs; de opstand is vaak een lavastroom, het oproer een stroobrand.

Soms, zooals wij gezegd hebben, ligt het oproer in het gezag. Polignac is een oproerling; Camille Desmoulins is een regeerder.

Vaak is opstand een verrijzenis.

Dewijl de beslissing van alles door het algemeen stemrecht een geheel nieuw feit is, en de geheele geschiedenis vóór dit feit, sinds vier eeuwen, vol is van verkracht recht en volkslijden, zoo brengt ieder tijdvak der geschiedenis met zich het protest, waartoe het in staat is.

De despoten zijn niet zonder invloed op de denkers. Een geketend woord is een verschrikkelijk woord. De schrijver verdubbelt, verdrievoudigt de kracht van zijn stijl, wanneer een heerscher het volk het stilzwijgen oplegt. Deze stilte veroorzaakt een geheimzinnige stof, die in de gedachte zijpelt en er tot metaal stolt.

In de meeste gevallen ontstaat het oproer uit een stoffelijk feit; de opstand is immer een zedelijk verschijnsel. Het oproer is Mazaniëllo; de opstand is Spartacus. De opstand gaat van den geest uit, het oproer van de maag. In gevallen van hongersnood heeft het oproer een waar, pathetisch en juist uitgangspunt. Het blijft evenwel oproer. Waarom? Wijl het in den grond recht, maar in den vorm ongelijk heeft. Wreed, hoewel in zijn recht, geweldig, hoewel sterk, treft het in het wild; het gaat verpletterend voort als de blinde olifant, het heeft achter zich lijken van grijsaards, vrouwen en kinderen; heeft zonder reden het bloed van schuldeloozen en onnoozelen vergoten. Het volk te voeden is een goed doel; het te vermoorden is een slecht middel.

Alle gewapende protesten, zelfs de meest wettige, zelfs de 10 Augustus, zelfs de 14 Juli, beginnen met dezelfde beroering. Alvorens het recht zich afscheidt, is er rumoer en schuim. Aanvankelijk is de opstand oproer, evenals de rivier een stortvloed is. Gewoonlijk loopt zij uit in dezen oceaan: de Revolutie. Evenwel,—van die hooge bergen gekomen, welke den zedelijken horizont begrenzen, de gerechtigheid, de wijsheid, de reden, het recht—en van de zuiverste sneeuw van het ideale gevormd, gaat de opstand, na een langen val van de eene op de andere rots, na door ’t licht des hemels bestraald te zijn en zich in zijn majestueuze vaart met honderd beken te hebben verbreed, soms eensklaps in een drassigen bodem verloren, gelijk de Rijn in een moeras.

Dit alles behoort tot het verledene, de toekomst is anders!

Het algemeen stemrecht heeft dit merkwaardige, dat het het oproer in zijn beginsel oplost, en, den opstand wettigende, hem echter het wapen ontzegt. De verdwijning der oorlogen, zoowel van den straatoorlog als van dien der grenzen, is de onvermijdelijke vooruitgang. Hoe ook het heden zij, de vrede zal dagen.

Overigens kent de eigenlijke burger het juiste verschil tusschen opstand en oproer bijna niet. Voor hem is alles wederstand, niets dan muiterij, verzet van den hond tegen den meester, een poging om te bijten, die met de keten en het hok moet worden gestraft,—geblaf, gejank, tot eindelijk, de kop van den hond eensklaps groot geworden, het gelaat van den leeuw vertoont.

Dan roept de burgerman: Leve het volk!

Na deze verklaring vragen wij, wat voor de geschiedenis de beweging van Juli 1832 is? Is zij een oproer? is zij een opstand?

’t Is een opstand.

’t Kan ons gebeuren, dat wij bij deze voorstelling van een geweldige gebeurtenis soms oproer zeggen; maar dan is het eeniglijk om de oppervlakkige feiten een naam te geven, doch steeds met inachtneming van het verschil tusschen den vorm, oproer, en den grond, opstand.

Deze beweging in 1832 heeft in haar snelle uitbarsting en treurige versmoring, zooveel grootheid, dat zelfs zij, die er slechts een oproer in zien, er niet zondere eerbied van spreken. Voor dezen is ’t als een overschot van 1830. De geschokte gemoederen komen niet in één dag tot rust, zeggen zij. Een revolutie wordt niet in eens afgesneden. Zij heeft noodzakelijkerwijs immer eenige golvingen, alvorens in den staat van rust te komen, evenals een berg, die in een vlakte afloopt. Er zijn geen Alpen zonder Jura, geen Pyreneeën zonder Asturiën.

Deze treffende crisis der hedendaagsche geschiedenis, welke het geheugen der Parijzenaars het „tijdvak der oproeren” noemt, is ontwijfelbaar een karakteristiek uur onder de onstuimige uren dezer eeuw. Nog een laatste woord, vóór tot het verhaal over te gaan.

De feiten, welke wij zullen verhalen, behooren tot die dramatische levendige werkelijkheid, welke de geschiedschrijver wegens tijdgebrek en plaatsruimte veronachtzaamt. Maar hier, wij drukken er op, hier ligt juist het leven, de aderslag, de beweging des menschen. De kleine bijzonderheden, wij meenen het gezegd te hebben, zijn, om zoo te spreken, het loof der groote gebeurtenissen en verdwijnen in het verre verschiet der geschiedenis. Het zoogenaamde „tijdvak der oproeren” vloeit over van dergelijke bijzonderheden. De gerechtelijke onderzoekingen hebben, om andere redenen dan de geschiedenis, niet alles geopenbaard, noch misschien alles nagevorscht. Wij zullen dus, bij de bekende en geopenbaarde bijzonderheden, zaken aan het licht brengen, welke men niet geweten heeft; feiten, waarover de vergetelheid van de eenen, de dood van anderen is gegaan. De meeste acteurs dezer reusachtige tooneelen zijn verdwenen; reeds den volgenden dag zwegen zij; maar wat wij zullen verhalen, hiervan kunnen wij zeggen, dat wij het gezien hebben. Wij zullen eenige namen veranderen, want de geschiedenis verhaalt, en verraadt niet; maar wij zullen ware zaken schilderen. De aard van het werk, dat wij schrijven, verhindert, dat wij meer dan één zijde én één episode aan ’t licht brengen, die zeker de minst bekende zijn der dagen van den 5 en 6 Juni 1832; maar wij zullen trachten, dat de lezer onder den donkeren sluier, dien wij zullen opheffen, de wezenlijke gestalte onderscheidt van deze ontzaggelijke openbare gebeurtenis.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings