← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Gavroche op marsch.

Reading edition

Het zwaaien met een pistool zonder haan midden op de straat is zulk een openbare zaak, dat Gavroche bij iederen stap zijn vurigen moed vermeerderd voelde. Hij riep, tusschen de brokken der Marseillaise, welke hij zong:

„Alles gaat goed. Ik heb pijn aan mijn linkervoet, ik heb het pootje, maar ik ben tevreden, burgers. De burgers moeten zich maar goed houden, ik zal hun verboden liedjes voorneuriën. Wat zijn stille verklikkers? ’t Zijn honden! Voor den drommel! Eerbied voor de honden! Maar ik zou liever een haan aan mijn pistool hebben. Ik kom van den boulevard, vrienden, daar wordt het warm, het kookt en ziedt er. ’t Is tijd om den pot te schuimen, er komen blaasjes op. Voorwaarts, mannen, dat het onreine bloed over de straten stroome! Ik geef mijn leven voor het vaderland; ik zal mijn geliefde niet wederzien, neen, nooit, ’t is gedaan! Maar om ’t even: leve de vreugd! Vechten wij, voor den drommel! ik ben het despotisme moede.”

Juist stortte het paard van een nationalen gardist; Gavroche legde terstond zijn pistool op de straat, hielp den man en vervolgens ook het paard weer op de been. Daarna nam hij zijn pistool weder en zette zijn weg voort.

In de straat Thorigny was alles stil en rustig. Deze kalmte van het Marais, maakte eene zonderlinge tegenstelling met het geweldig rumoer in den omtrek. Vier oude vrouwen praatten met elkander op de stoep van een huis. Schotland heeft tooverkollen, maar Parijs heeft nog meer babbelaarsters; en het „gij zult koning zijn,” zou even vreeselijk klinken, als het Bonaparte op het plein Baudoyer wierd toegeroepen, als het Macbeth klonk op de heide van Armuyr. ’t Zou bijna hetzelfde gekras zijn.

De oude vrouwen in de straat Thorigny spraken slechts over haar zaken. ’t Waren drie portiersters en een voddenraapster met haar draagkorf en haak.

Zij schenen de vier hoeken van den ouderdom te vormen, namelijk: het verval, de gebrekkigheid, de afgeleefdheid en de treurigheid.

De voddenraapster was deemoedig. In deze nijvere wereld groet de voddenraapster, de portierster beschermt. ’t Hangt van haar af, of de hoop drek, dien zij aan den paal gooit, vet of mager is. In den bezem kan goedheid zijn.

Deze voddenraapster was dankbaar; zij glimlachte—welk een glimlach!—tot de drie portiersters. Zij spraken onder elkander het volgende:

„Zeg! is uw kat nog altijd even ondeugend?”

„Mijn Hemel! gij weet immers, dat de katten de natuurlijke vijandinnen der honden zijn. ’t Zijn de honden, die klagen.”

„Ook de menschen.”

„De kattenvlooien gaan toch niet op de menschen over.”

„Dat zegt niets; maar de honden, deze zijn gevaarlijk. Ik herinner mij een jaar, toen er zooveel honden waren, dat men verplicht was, ’t in de krant te zetten. ’t Was in den tijd toen in de Tuilerieën groote schapen waren, die het rijtuigje van den koning van Rome trokken. Herinnert ge u den koning van Rome?”

„Ik, ik hield meer van den hertog van Bordeaux.”

„Ik, ik heb Lodewijk XVII gekend. Ik houd meer van Lodewijk XVII.”

„Was het vleesch maar niet zoo duur, vrouw Patagon.”

„Och, spreek er mij niet van; ’t is afschuwelijk met de vleeschhouwers. Afschuwelijk! afschuwelijk! Men krijgt verdriet in zijn leven.”

„Ja,” viel de voddenraapster hier in; „de handel gaat niet meer. De vuilnishoopen zijn ellendig. Men werpt niets meer weg. Men gebruikt alles.”

„Er zijn menschen, die armer zijn dan gij, vrouw Vargoulème.”

„Ja, dat is zeker,” antwoordde de voddenraapster ootmoedig; „ik heb ten minste een beroep.”

Er ontstond een pauze, en de voddenraapster, aan de zucht tot uitstallen voldoende, welke de grondneiging van den mensch is, voegde er bij:

„Des ochtends te huis komende, pak ik mijn korf uit, en sorteer, dan komen hoopen in mijn kamer. Ik leg de lappen in een mand, de spaanders in een bak, het lijnwaad in een kast, de wol in mijn ladetafel, het oud papier in een hoek bij het venster, de eetbare dingen in mijn pot, de glasscherven op den schoorsteen, de sloffen achter de deur, en de beenderen onder mijn bed.”

Gavroche stond achter haar, en luisterde.

„Wat hebt gij over politiek te spreken oudjes?” zei hij.

Een hagelbui van scheldwoorden was het antwoord.

„Ziedaar weder een dier schurken.”

„Wat heeft hij toch in zijn vuist? Een pistool?”

„Zie eens aan, dien kwâjongen!”

„’t Heeft geen rust, vóór het ’t gouvernement heeft omvergeworpen.”

Gavroche, zich niet verwaardigende te antwoorden, wipte met den duim zijn neus op en opende wijd de hand.

De voddenraapster schreeuwde:

„Gemeene barrevoeter!”

Vrouw Patagon sloeg jammerend de handen samen.

„’t Is stellig, dat er ongelukken gebeuren. De jongen, hiernaast, met zijn bakkebaard, dien ik alle morgen met een meisje aan den arm zag uitgaan, zag ik heden met een geweer onder den arm uitgaan. Madame Bacheux zegt, dat er verleden week een revolutie te... te... te... waar de kalven zijn... te Pontoise is geweest. En ziet ge dien leelijken straatjongen met zijn pistool! Het schijnt, dat de Celestijnen vol kanonnen zijn. Wat zal het gouvernement met zulke deugnieten uitvoeren, die niet weten wat te verzinnen om de wereld in oproer te brengen, wanneer men, na al de ongelukken, die men beleefd heeft, een weinig tot rust kwam; goede God, die arme koningin, welke ik op een kar heb zien voorbijrijden. En dat alles zal de snuif nog weer duurder maken. ’t Is een schandelijkheid! Maar zekerlijk zal ik gaan om u te zien guillotineeren, booswicht!”

„Oudje,” zei Gavroche, „gij spreekt door den neus. Snuit uw voorgebergte.”

En hij ging verder.

Toen hij in de straat Pavée was, kwam de voddenraapster hem weer in de gedachte en hij hield deze alleenspraak:

„Gij hebt ongelijk de revolutionnairen te beschimpen, moeder mesthoopwroetster. Dit pistool is in uw belang. Het dient om u beter dingen in uw korf te bezorgen.”

Eensklaps hoorde hij gerucht achter zich: ’t was de portierster Patagon die hem gevolgd was, en hem in de verte de vuist toestak, schreeuwende:

„Bastaard, die ge zijt!”

„Goed!” zei Gavroche, „ik ben er en dat is genoeg.”

Even daarna ging hij voorbij het hôtel Lamoignon. Daar riep hij:

„Voorwaarts! naar ’t gevecht!”

Een soort van zwaarmoedigheid overviel hem. Met verwijtenden blik aanschouwde hij zijn pistool, welk gezicht hem scheen te verteederen:

„Ik ga,” zeide hij, „maar gij kunt, helaas, niet overgaan.”

Een hond kan de gedachte aan een haan afleiden. Een zeer magere hond liep voorbij, en Gavroche had medelijden met het dier.

„Arme scherminkel,” zeide hij; „gij hebt zeker een ton doorgeslikt, daar men al de hoepels door uw vel zien kan.”

Daarop ging hij naar l’Orme Saint-Gervais.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings