De gistingen van eertijds.
Reading edition
Niets is verwonderlijker dan het eerste gewemel van een oproer. Alles barst overal tegelijkertijd los. Was het voorzien? Ja. Was het voorbereid? Neen. Van waar komt het? Uit de straatsteenen. Waaruit valt het? Uit de wolken. Hier heeft de opstand het karakter van een komplot; daar schijnt hij plotseling te ontstaan. De eerste de beste bemachtigt zich van een stroom der menigte en voert haar waar hij wil. Een schrikbarend begin, waaronder zich een soort van vreeselijke vroolijkheid mengt. ’t Is vooreerst geschreeuw; men sluit de winkels, de uitstallingen der kooplieden verdwijnen; dan vallen enkele schoten; de menschen vluchten; geweerkolven donderen tegen de deuren; men hoort de dienstmeiden op de plaatsen der huizen meesmuilend zeggen: „er is wat gaande.”
Er was geen kwartieruurs verstreken toen op twintig verschillende punten van Parijs, schier tegelijkertijd, het volgende gebeurde:
In de straat St. Croix de la Bretonnerie gingen omstreeks twintig jongelieden met baarden en lang haar in een estaminet en verlieten het een oogenblik later met een horizontale driekleurige vlag met floers bedekt. Aan hun spits gingen drie gewapende mannen, de eene met een sabel, de andere met een geweer, de derde met een piek.
In de straat des Nonaindières bood een goed gekleed zwaarlijvig burger, met heldere stem, kaal hoofd, hoog voorhoofd, zwarten baard en een stijven knevel, openlijk den voorbijgangers patronen aan.
In de straat St. Pierre Montmartre droegen mannen met bloote armen een zwart vaandel, waarop deze woorden in witte letters te lezen stonden: „De republiek of de dood.” In de straat des Jeuneurs, in de straat du Cadran, in de straat Montorgueil, in de straat Mandor verschenen groepen die vaandels zwaaiden, waarop men in gouden letters het woord „sectie” met een nummer zag. Een dier vaandels was rood en blauw met een nauwelijks zichtbare witte streep er tusschen.
Men plunderde op den boulevard St. Martin een wapenfabriek en drie geweerwinkels; een in de straat Beaubourg, een andere in de straat Michel-le-Comté, en de derde in de Tempelstraat. In weinige minuten grepen de dreigende handen der menigte tweehonderd dertig geweren, schier alle met twee loopen, vier-en-zestig sabels, drie-en-tachtig pistolen. Ten einde zooveel lieden mogelijk te wapenen nam de een het geweer, de ander de bajonnet.
Tegenover de Grèvekade gingen met geweren gewapende jongelieden de huizen binnen om te schieten. Een hunner had een oud musket met raderslot. Zij schelden, traden binnen en begonnen patronen te maken. Een der vrouwen, die deze huizen bewoonden, verhaalde: „ik wist niet wat patronen waren; mijn man heeft het mij gezegd.”
Een samenscholing brak in de straat des Vieilles-Haudriettes een curiositeiten-winkel binnen en nam er yatagans en Turksche wapens weg.
Het lijk van een doodgeschoten metselaar lag in de Paarlstraat. Op den rechter- en den linkeroever, op de kaden, op de boulevards, in de latijnsche wijk, in de wijk des Halles lazen hijgende menschen, werklieden, studenten, sectiemannen proclamatiën en riepen: „Te wapen!” Zij verbrijzelden de straatlantaarns, spanden de paarden van de rijtuigen, namen de steenen uit de straat, braken de deuren der huizen open, rukten de boomen uit, doorzochten de kelders, rolden tonnen, stapelden keien, steenen, huisraad, planken opeen en maakten barricaden.
Men dwong de burgers, daarbij behulpzaam te zijn. Men trad bij de vrouwen binnen, deed hen de sabel en het geweer van de afwezige echtgenooten geven en schreef met krijt op de deur: „de wapens zijn afgegeven.” Sommigen onderteekenden met hun namen het bewijs der ontvangst van sabel en geweer en zeiden: „laat ze morgen aan de mairie halen.” Men ontwapende op de straten de afzonderlijke schildwachten en de nationale garden, die zich naar hun posten begaven. Men ontrukte den officieren hun epauletten. In de straat St. Nikolaas vluchtte met veel moeite een officier der nationale garde, die door een met stokken en fleuretten gewapenden troep vervolgd werd, in een huis, ’t welk hij niet dan ’s nachts en vermomd kon verlaten.
In de wijk St. Jacques verlieten de studenten met geheele scharen hun woningen en gingen naar het koffiehuis „Van den vooruitgang” in de straat St. Hyacinthe, of naar het koffiehuis der „Zeven biljarts” in de straat des Mathurins. Daar stonden voor de deuren jongelieden op straatpalen en deelden wapens uit. Men plunderde de werkplaats in de straat Transnonain, om barricaden te maken. Op een eenig punt, aan den hoek der straten St. Avoye en Simon le Franc, verzetten zich de bewoners en vernielden de barricade. Op een eenig punt weken de opstandelingen; zij verlieten een in de Tempelstraat begonnen barricade, na op een detachement nationale garde geschoten te hebben, en vluchtten door de straat de la Corderie. Het detachement nam van de barricade een rood vaandel, een bundel patronen en driehonderd pistoolkogels. De nationale garden verscheurden het vaandel en staken de lappen ervan op hun bajonetten.
Alles wat wij hier langzaam en achtereenvolgens verhalen gebeurde tegelijkertijd, op alle punten der stad, te midden van een ontzettend rumoer, gelijk een aantal bliksems uit een enkelen donderslag schieten.
In minder dan een uur verrezen alleen in de wijk des Halles zeven-en-twintig barricaden. In het midden stond het beruchte huis No. 50, de vesting van Jeanne en haar honderd en zes gezellen, dat aan de eene zijde door een barricade, bij St. Merry, en aan de andere door een barricade bij de straat Maubuée geflankeerd, drie straten beheerschte. Twee rechthoekige barricaden strekten de eene van de straat Montorgueuil tot aan de Grande Truanderie, de andere van de straat Geoffroy-Langevin naar de straat St. Avoye. Zonder daarbij talrijke barricaden in twintig andere wijken van Parijs te rekenen, in het Marais, op den berg St. Geneviève; een in de straat Menilmontant, waar men een koetspoort uit haar hengsels gerukt zag; een andere barricade bij de kleine brug van het Hotel Dieu, bestaande uit een omgeworpen rijtuig, op driehonderd schreden afstands van de prefectuur van politie.
Aan de barricade der straat des Menetriers deelde een goed gekleed man geld uit aan de werklieden. Aan de barricade der straat Grénetat verscheen een ruiter en stelde dengeen, die ’t hoofd der barricade scheen, een rol met geld ter hand.—„Ziedaar,” zeide hij, „om de onkosten, den wijn en zoo voorts te betalen.” Een blond jongeling, zonder das, bracht van de eene naar de andere barricade het wachtwoord. Een ander met bloote sabel en politiemuts op het hoofd, plaatste de schildwachten. Achter de barricaden waren de herbergen en de portiersloges in wachthuizen veranderd. Overigens nam het oproer de schranderste militaire tactiek in acht. De enge, ongelijke, kronkelige, hoekige en draaiende straten, waren bewonderenswaardig goed gekozen; bovenal in den omtrek des Halles, die een doolhof van straten vormt. Men zeide, dat het genootschap der vrienden van het volk de directie van den opstand in de wijk St. Avoye had genomen. Een in de straat Ponceau gedood man, dien men doorzocht, had een plattegrond van Parijs bij zich. ’t Scheen een onbekende, in de lucht zwevende vlaag, die tot oproer aanzette. De opstand had plotseling met de eene hand de barricaden opgeworpen en met de andere schier tegelijkertijd al de posten van het garnizoen aangegrepen. In minder dan drie uren, en als een loopend vuur, hadden de opstandelingen den rechteroever, het arsenaal, de mairie, het Koningsplein, het geheele Marais, de wapenfabriek van Popincourt, de Galiote, het Waterkasteel, al de straten in den omtrek des Halles overrompeld en bezet; en op den linkeroever de kazerne der veteranen, St. Pelagie, het plein Maubert, het kruithuis der twee molens, al de barrières. Te vijf uren ’s avonds waren zij meester van het bastilleplein, de Lingerie, de Blanc-Manteaux; hun voorposten raakten het plein des Victoires en bedreigden de Bank, de kazerne der Petit-Pères, het postkantoor. Het derde gedeelte van Parijs behoorde aan den opstand.
Op alle punten was de strijd met reuzenkracht begonnen; en de ontwapeningen, de huiszoekingen, de overrompeling der zwaardvegerswinkels hadden tengevolge, dat de met steenen begonnen strijd met geweerschoten werd voortgezet.
Tegen zes uren ’s avonds werd de passage van den Zalm het tooneel van den veldslag. Aan de eene zijde stond de opstand, aan de andere stonden de troepen. Men schoot op elkander van het eene naar het andere hek. Een toeschouwer, een denker, de schrijver van dit werk, die den vulkaan van nabij was gaan bezichtigen, bevond zich in dezen doorgang tusschen twee vuren. Om zich tegen de kogels te beschermen had hij niets dan de vooruitstekende halve kolommen, die de winkels scheiden; in dien gevaarlijken toestand bevond hij zich gedurende een half uur.
Ondertusschen werd de generale marsch door de straten geslagen; de nationale garden kleedden en wapenden zich haastig; de legioenen trokken uit de mairieën, de regimenten uit de kazernen. Tegenover de passage van het Anker, ontving een tamboer een dolksteek. Een ander werd in de Zwanenstraat door omstreeks dertig jongelieden aangevallen, die zijn trommel vernielden en hem zijn sabel ontnamen. Een ander werd in de straat Grenier St. Lazare gedood. In de straat Michel-le-Comte sneuvelden drie officieren na elkander. Verscheidene municipale garden, in de Lombardstraat gekwetst, trokken achteruit.
Voor de Cour Batave vond een detachement nationale garden een rood vaandel met dit opschrift: „Republikeinsche revolutie No. 127.” Was het inderdaad een revolutie?
De opstand had van het midden van Parijs een soort van reusachtige, kronkelige en onuitkoombare citadel gemaakt.
Dáár was het brandpunt, dáár lag duidelijk de quaestie. Al het overige waren slechts schermutselingen. ’t Geen bewees, dat daar alles zou beslist worden, het was dat men er nog niet vocht.
In eenige regimenten waren de soldaten weifelend, ’t geen de schrikkelijke onzekerheid der crisis vermeerderde. Zij herinnerden zich het volksgejuich dat in Juli 1831 aan het 53e linie-regiment was te beurt gevallen, dat zich onzijdig had gehouden.
Twee moedige en in de groote oorlogen beproefde mannen, de maarschalk Lobau en generaal Bugeaud, voerden ’t bevel, Bugeaud onder Lobau. Ontzaggelijke patrouilles, bestaande uit bataljons linietroepen, ingesloten tusschen geheele compagnieën nationale garden en voorafgegaan door een commissaris van politie met zijn sjerp, gingen de oproerige straten verkennen. Hunnerzijds plaatsten de opstandelingen schildwachten aan de hoeken der straten en zonden stoutmoedig patrouilles uit de barricaden. Men hield elkander van wederzijden in het oog. Het gouvernement, met een leger in de hand, aarzelde; de nacht begon te dalen en men hoorde de stormklok van Saint-Merry. De toenmalige minister van oorlog, maarschalk Soult, die Austerlitz had gezien, zag de zaak met een bedenkelijk oog aan.
Zulke oude zeelieden, die aan geregelde manoeuvres gewoon zijn, en geen ander middel en gids kennen dan de tactiek, dit kompas der veldslagen, zijn geheel vervaard en in de war tegenover die ontzettende golving, welke men den volkstroom noemt. Met den wind der revolutiën is niet te zeilen.
In overijling en wanorde ijlden de nationale garden der voorsteden toe. Een bataljon van het 12e regiment lichte infanterie kwam met den stormpas van St. Denis, het 14e linieregiment kwam van Courbevoie; de batterijen der militaire school hadden bij het Carrousel post gevat; van Vincennes kwam geschut.
In de Tuilerieën werd het eenzaam. Lodewijk Filips bevond zich volkomen kalm en gerust.