← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Een begrafenis: kans tot wedergeboorte.

Reading edition

In de lente van 1832, hoewel de cholera sedert drie maanden de gemoederen bekoeld en over de opgewondenheid een sombere kalmte gegoten had, was Parijs sinds lang tot een beroering voorbereid. Zooals wij gezegd hebben, gelijkt de groote stad een kanonstuk; wanneer het geladen is, is een vallende vonk genoegzaam om het te doen losbranden. In Juni 1832 was deze vonk de dood van generaal Lamarque.

Lamarque was een man van roem en daad. Hij had achtereenvolgens, onder het Keizerrijk en onder de Restauratie, de beide soorten van moed gehad, die voor deze twee tijdvakken noodig waren, den moed op het slagveld en den moed op de tribune. Hij was even welsprekend als hij dapper was geweest; men voelde een zwaard in zijn woorden. Evenals Foy, zijn voorganger, hield hij, na het commandement hoog in eere te hebben gehouden, de vrijheid hoog in eere. Hij zat tusschen de linker- en de uiterste linkerzijde; het volk beminde hem, wijl hij de kansen der toekomst aannam, en de menigte beminde hem, wijl hij den Keizer trouw gediend had. Hij was, met de graven Gérard en Drouet, een der maarschalken in petto van Napoleon. De tractaten van 1815 griefden hem als een persoonlijke beleediging. Hij haatte Wellington met een innigen haat, welken de menigte behaagde; en sinds zeventien jaren, nauwelijks op de tusschenkomende gebeurtenissen lettende, had hij met majesteit zijn droefheid over Waterloo behouden. Zieltogend, in zijn laatste uur, had hij aan zijn borst een degen gedrukt, dien de officieren der Honderd dagen hem hadden aangeboden. Napoleon had stervende het woord leger uitgesproken, Lamarque het woord vaderland.

Zijn dood, dien men voorzag, vreesde het volk als een verlies, en de regeering als een gelegenheid. Deze dood was een rouw. Gelijk alles wat bitter is, kan de rouw in oproer veranderen. Dit gebeurde.

Den avond voor den 5{den} Juli en des morgens van dien dag, welke voor de begrafenis van generaal Lamarque was bestemd, nam de voorstad St. Antoine, waarlangs de lijkstoet zou gaan, een vreeselijk voorkomen aan. Dit woelig net van straten vulde zich met rumoer. Men wapende er zich zoogoed men kon. Schrijnwerkers namen de vensterluiken hunner werkplaatsen „om er de deuren mede open te breken.” Van allerlei werktuigen werden dolken gemaakt. Een man, koortsig van ongeduld om aan te vallen, sliep sedert drie dagen geheel gekleed. Een timmerman, Lombier genoemd, ontmoette een kameraad die hem vroeg: „Waar gaat ge heen?”—„Ik heb geen wapen.”—„En dan?”—„Ik ga naar de werkplaats mijn passer halen.”—„Wat wilt ge er mede doen?”—„Ik weet niet,” zei Lombier. Een zekere Jacqueline sprak al de werklieden, welke hij ontmoette, aan, onthaalde hen op wijn en vroeg hun of zij werk hadden. Op hun ontkennend antwoord zond hij ze naar zekeren Filspierre, tusschen de barrière Montreuil en die van Charonne, waar, zooals hij zeide, zij werk zouden vinden.—Zij vonden bij Filspierre patronen en wapens. Sommige bekende aanvoerders, „verrichtten den postdienst,” dat wil zeggen, dat zij bij dezen en genen gingen om hun lieden bijeen te brengen. Bij Barthélemy, aan de barrière du Trône, bij Capel, in den Kleinen Hoed, vroegen de drinkers elkander op ernstigen toon: „Waar hebt ge uw pistool?”—„Onder mijn kiel. En gij?”—„Onder mijn hemd.” In de straat Traversière, voor de werkplaats van Roland en op de plaats van het „Verbrande Huis” voor de werkplaats van Bernier, stonden fluisterende groepen. Als de vurigste onderscheidde zich zekere Mavot, die nooit langer dan een week in één werkplaats bleef; de meesters zonden hem weg, „wijl men dagelijks met hem twisten moest.” Mavot werd den volgenden dag op de barricade der straat Menilmontant gedood. Pretot, die ook in den strijd moest sneuvelen, antwoordde op de vraag: „Wat is uw doel?”—„De opstand.” Werklieden, om den hoek der straat Bercy samengeschoold, wachtten een zekeren Lemarin, die een revolutionnair agent voor de voorstad St. Marceau was. Schier in ’t openbaar werden de wachtwoorden gewisseld.

Den 5 Juni alzoo, op een dag afgewisseld door regen en zonneschijn, bewoog zich de lijkstoet van generaal Lamarque door Parijs met officiëelen militairen praal, die door voorzorgsmaatregelen eenigszins versterkt was. Twee bataljons, met zwart bekleede trommels, bedekte geweren, tienduizend nationale garden, met de sabel op zijde, de batterijen der nationale garde begeleidden de doodkist. De lijkkoets werd door jongelieden getrokken. Onmiddellijk daarop volgden de officieren der invaliden, met lauriertakken in de hand. Achter hen kwam een ontelbare woelige, zonderlinge menigte: de leden van het genootschap „De vrienden des volks”, de rechtsgeleerde school, de geneeskundige school, de uitgewekenen van alle natiën, Spaansche, Italiaansche, Duitsche, Poolsche vlaggen, horizontale driekleurige vlaggen, alle mogelijke banieren, kinderen met groene takken, steenhouwers en timmerlieden, die op dit oogenblik hun werk gestaakt hadden; boekdrukkers, kenbaar aan hun papieren mutsen, twee aan twee, drie aan drie gaande, kreten aanheffende, schier allen met stokken zwaaiende, sommigen met sabels, zonder orde, en echter als met één ziel, vormden zij hier een hoop, ginds een colonne. Pelotons kozen zich aanvoerders; een man gewapend met een paar pistolen, die volkomen zichtbaar waren, scheen over anderen de revue te houden, wier gelederen voor hem achteruittraden. Op de zijpaden der boulevards, op de takken der boomen, op de balkons, aan de vensters, op de daken wemelde het van hoofden van mannen, vrouwen, kinderen, wier oogen vol angst waren. Een gewapende menigte ging voorbij; een verschrikte menigte zag toe.

Zijnerzijds hield het gouvernement een wakend oog. Het zag toe, met de hand aan den degen. Men kon op het plein van Lodewijk XV vier escadrons karabiniers zien, die, met volle patroontasschen, met geladen geweer en karabijn, te paard en met trompetters aan ’t hoofd, gereed stonden om op te rukken; in de latijnsche wijk en bij den plantentuin stond de stedelijke garde van de eene straat naar de andere geschaard; aan de wijnmarkt een escadron dragonders, aan la Grève de helft van het 12e regiment lichte infanterie, de andere helft op het bastilleplein, het 6e regiment dragonders bij de Célestijnen, de binnenplaats van het Louvre vol artillerie. De overige troepen waren in de kazernen geconsigneerd, ongerekend de regimenten in den omtrek van Parijs. Het bevreesd gouvernement hield over de dreigende menigte tachtig duizend soldaten in de stad en dertig duizend in haar omgeving.

Verschillende geruchten liepen in den lijkstoet. Men sprak van legitimistische woelingen; van den hertog van Reichstad, op wien God het stempel des doods drukte op hetzelfde uur, dat de menigte hem als keizer aanwees. Een onbekend gebleven persoon verkondigde, dat op een bepaald oogenblik twee omgekochte meesterknechts de deuren van een wapenfabriek voor het volk zouden openen. Wat men op de ontbloote voorhoofden der meeste aanwezenden zag, was een met droefheid gemengde geestdrift. Ook zag men hier en daar tusschen deze, door zoovele geweldige, maar edele aandoeningen bewogen menigte, wezenlijke galgengezichten en eerloos geboefte, dat zeide: „laat ons plunderen!” Sommige bewegingen beroeren den bodem der moerassen en doen in het water het slijk opborrelen. Een verschijnsel, dat aan een „goed ingerichte politie” niet vreemd is.

De lijkkoets bewoog zich met koortsachtige langzaamheid van het sterfhuis langs de boulevards naar het bastilleplein. Nu en dan regende het, maar de regen hinderde de menigte niet. Verscheiden tusschentooneelen kenmerkten den weg, dien de lijkkoets volgde: de doodkist werd om de Vendômezuil gevoerd; de hertog Fitz James, dien men met den hoed op het hoofd op een balkon zag, werd met steenen geworpen; de Gallische haan werd van een volksvaandel gerukt en in het slijk geworpen; een stadssergeant werd aan de poort St. Martin door een degen gekwetst; een officier van het 12e regiment lichte infanterie zeide luid: Ik ben republikein! toen de polytechnische school, trots het verbod, verscheen, werd zij met den kreet van: leve de polytechnische school! leve de republiek! ontvangen. Op het bastilleplein vereenigden zich de lange rijen vreeselijke nieuwsgierigen, die uit de voorstad St. Antoine kwamen, met den stoet, en een soort van vreeselijke levendigheid begon de menigte te bewegen.

Men hoorde een man tot een anderen zeggen: „Ziet ge hem wel met zijn roode muts? hij zal zeggen, wanneer geschoten moet worden.” Het schijnt, dat deze man met de roode muts later dezelfde rol in een ander oproer, dat van Quénisset, vervulde.

De lijkstoet ging over het bastilleplein langs het kanaal, vervolgens over de kleine brug en bereikte de esplanade der brug van Austerlitz. Daar hield hij stil. Op dit oogenblik zou deze menigte, uit de lucht gezien, het aanzien van een staartster hebben vertoond, wier hoofd op de esplanade was, terwijl haar staart zich over de kade Bourdon uitspreidde, het bastilleplein bedekte en over den boulevard tot aan de poort St. Martin liep. Er vormde zich een kring om de lijkkoets. De ontzaggelijke menigte zweeg. Lafayette sprak en zeide Lamarque vaarwel. ’t Was een treffend, verheven oogenblik; aller hoofden ontblootten zich, aller harten klopten. Eensklaps verscheen een in ’t zwart gekleed man te paard in ’t midden van de groep, met een rood vaandel, anderen zeggen met een piek waarop een roode muts. Lafayette wendde het hoofd om. Excelmans verliet den stoet.

Dit roode vaandel deed een storm ontstaan en verdween er in. Van den boulevard Bourdon tot aan de brug van Austerlitz verhief zich een geschreeuw, dat als een deining de menigte deed golven. Twee ontzettende kreten gingen op: „Lamarque naar het Pantheon!”—„Lafayette naar het stadhuis!” Onder de toejuichingen der menigte, trokken jongelieden de lijkkoets met Lamarque over de brug van Austerlitz, en de huurkoets waarin zich Lafayette bevond over de kade Morland.

In de menigte, die Lafayette toejuichte en omgaf, merkte men op en wees men elkander aan een Duitscher, Ludwig Snyder genoemd, die, sedert als honderdjarige gestorven, ook den oorlog van 1776 had medegemaakt en te Trenton onder Washington en aan de Brandywine onder Lafayette gestreden had.

Inmiddels zette zich op den linkeroever de stedelijke cavalerie in beweging en versperde de brug: op den rechteroever kwamen de dragonders van de Celestijnen en posteerden zich langs de kade Morland. Het volk dat Lafayette voorttrok bespeurde hen plotseling aan den hoek der kade en riep: „de dragonders!” De dragonders naderden stapvoets, stil, met de pistolen in de holsters, de sabels in de scheeden, de karabijnen in de draagriemen, met een uitdrukking van sombere verwachting.

Op tweehonderd schreden van de kleine brug hielden zij stil.

Het rijtuig, waarin Lafayette zat, reed tot hen; zij openden de gelederen, lieten het doorgaan en sloten er zich weder achter. In hetzelfde oogenblik ontmoetten de dragonders en de menigte elkander.

Verschrikt vluchtten de vrouwen.

Wat gebeurde in deze noodlottige minuut? niemand zou het kunnen zeggen. ’t Is het duister oogenblik, op ’t welk zich twee wolken vermengen. Eenigen verhalen, dat van den kant van het arsenaal het sein tot den aanval werd gehoord, anderen dat aan een dragonder door een knaap een dolksteek werd toegebracht. Waar is het, dat plotseling drie geweerschoten knalden; het eerste doodde den escadrons-kommandant Cholet, het tweede een doove oude vrouw, die in de straat Contrescarpe haar venster sloot; het derde trof de epaulet van een officier; een vrouw riep: „Men begint te vroeg!” en plotseling zag men aan de overzijde der kade Morland een escadron dragonders, dat in de kazerne was gebleven, in galop, met bloote sabels in de straat Bassompierre en op den boulevard Bourdon verschijnen en alles voor zich wegvegen.

Nu was het beslist, de storm breekt los, het regent steenen, het geweervuur knalt, velen springen van den waterkant en gaan over den kleinen arm der Seine, die thans gedempt is; de werven van het eiland Louvriers, die uitgestrekte citadel, zijn vol strijders; men rukt palen uit den grond, men lost pistoolschoten, een barricade verheft zich, de achteruit gedrongen jongelingen gaan in stormpas met de lijkkoets over de brug van Austerlitz en werpen zich op de municipale garde; de karabiniers ijlen toe; de dragonders sabelen alles neder; in alle richtingen verspreidt zich de menigte: een oorlogskreet vliegt naar de vier hoeken van Parijs; men roept: „Te wapen!” men loopt, stormt, vlucht, biedt wederstand. De toorn sleept den opstand mede, gelijk de wind het vuur.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings