De vlag: eerste bedrijf.
Reading edition
Er kwam nog niets. Op Saint-Merry had het tien uren geslagen. Enjolras en Combeferre hadden zich met de karabijn in de hand bij den ingang der groote barricade geplaatst. Zij spraken niet met elkander, maar luisterden en poogden het flauwste en verste gerucht van voetstappen te hooren.
Eensklaps verhief zich te midden van deze akelige stilte een heldere, jonge, vroolijke stem, die uit de straat St. Denis scheen te komen, en zong op de wijs van het oud volkslied: Au clair de la lune, het volgende gerijmsel, dat met een soort hanengekraai eindigde:
Mon nez est en larmes,
Mon ami Bugeaud,
Prêt’ moi tes gendarmes
Pour leur dire un mot.
En capote bleue,
La poule au shako,
Voici la banlieue!
Zij drukten elkander de hand.
„’t Is Gavroche,” zei Enjolras.
„Hij waarschuwt ons,” zei Combeferre.
Een snelle loop stoorde de stilte op de eenzame straat; men zag een wezen, nog vlugger dan een clown over den omnibus klauteren, en Gavroche sprong buiten adem in de barricade, zeggende:
„Mijn geweer! Zij komen!”
Een electrieke rilling doorliep de gansche barricade, en men hoorde de beweging der handen die naar de geweren grepen.
„Wilt ge mijn karabijn?” vroeg Enjolras aan den straatjongen.
„Ik wil het groote geweer,” antwoordde Gavroche.
En hij nam het geweer van Javert.
Twee schildwachten waren teruggetrokken en bijna tegelijkertijd met Gavroche in de barricade gekomen. ’t Waren de schildwachten van het einde der straat en der kleine Truanderie. De schildwacht in de Predikerstraat was op zijn post gebleven, ’t geen aanduidde, dat niets van de zijde der bruggen en der Hallen kwam.
De straat Chanvrerie, waarvan nauwelijks eenige straatsteenen bij het schijnsel van het licht, dat de vlag bescheen, zichtbaar waren, vertoonde aan de opstandelingen het gezicht van een lang, open, in rook staand poortgewelf.
Ieder had zijn post voor den strijd ingenomen.
Drie-en-veertig opstandelingen, waarbij Enjolras, Combeferre, Courfeyrac, Bossuet, Joly, Bahorel en Gavroche, lagen geknield in de groote barricade, zoodat hun hoofden, met de kruin er van gelijk waren, terwijl zij hun geweren, als in schietgaten, op de steenen lieten rusten, en aldus oplettend, zwijgend wachtten, gereed om te vuren. Zes hadden zich, onder het commando van Feuilly, met aangelegd geweer voor de vensters der twee verdiepingen van Corinthe geplaatst.
Zoo verstreken nog eenige oogenblikken; toen werd duidelijk in de richting van Saint-Leu het gerucht van afgemeten, zware, talrijke voetstappen gehoord. Dit aanvankelijk flauw, toen duidelijk, vervolgens luid en dreunend gerucht naderde langzaam, onafgebroken, rustig en vreeselijk. Men hoorde niets anders. ’t Was de stilte en het gerucht tevens van het standbeeld des commandeurs in Don Juan; maar die steenentred had iets onbeschrijfelijks, ontzettends en verscheidens, dat terzelfder tijd het denkbeeld van een menigte en het denkbeeld van een spookbeeld deed ontstaan. Men meende het schrikbarende beeld „Legioen” te hooren gaan. Deze tred naderde; het naderde dichter, en bleef staan. Het was alsof men aan het einde der straat den adem van vele menschen hoorde. Men zag evenwel niets, maar merkte, geheel op den achtergrond, in de dikke duisternis, een aantal metalen draden, fijn als naalden en schier onzichtbaar, zich bewegen, gelijkende aan die onbeschrijfelijke stralen, welke men vóór het insluimeren onder de gesloten oogleden in de eerste nevelen van den slaap ziet. ’t Waren de bajonnetten en geweerloopen, flauw verlicht door den verren weerschijn der toorts.
Wederom ontstond een pauze, als wachtte men van weerszijden. Eensklaps riep uit deze duisternis een stem, die te akeliger klonk, wijl men niemand zag, en ’t dus was, alsof de duisternis zelve sprak:
„Werda?”
Terzelfdertijd hoorde men het gekletter der geweren, die werden aangelegd.
Enjolras antwoordde met luide en fiere stem:
„Fransche revolutie!”
„Vuur!” zei de stem.
Een weerlicht kleurde al de gevels der straat rood, als ware een oven plotseling geopend en weder gesloten.
Een schrikkelijk geknal klonk tegen de barricade. De roode vlag viel. De kogelregen was zoo geweldig en dicht geweest, dat hij den vlaggestok, dat is de punt van den boom van den omnibus, had omgeworpen. Kogels, welke van de huizen waren teruggekaatst, sprongen in de barricade en kwetsten verscheidene mannen.
De indruk van dit eerste geweervuur was verstijvend. De aanval was ruw, en geschikt om de moedigsten te doen nadenken. ’t Was duidelijk, dat men ten minste met een geheel regiment te doen had.
„Makkers!” riep Courfeyrac, „laat ons geen kruit verliezen. Wachten wij met vuren tot zij in het bereik zijn.”
„Maar laat ons voor alles de vlag weder oprichten,” zei Enjolras.
Hij raapte de vlag op, die juist voor zijn voeten was gevallen.
Men hoorde het klinken der laadstokken in de geweren buiten de barricade; de soldaten laadden weder.
Enjolras hernam:
„Wie heeft hier moed? Wie wil de vlag weder op de barricade planten?”
Niemand antwoordde. Op de barricade te klimmen, op het oogenblik, dat men er ongetwijfeld weder op aanlegde, dit was evengoed als in den dood gaan. De moedigste aarzelt, zich er toe te veroordeelen. Zelfs Enjolras sidderde. Hij hernam:
„Biedt niemand zich aan?”