De grijsaard.
Reading edition
Verhalen wij wat gebeurd was.
Enjolras en zijn vrienden waren op den boulevard Bourdon bij de magazijnen, op het oogenblik dat de dragonders een aanval hadden gedaan. Enjolras, Courfeyrac en Combeferre behoorden tot degenen, die door de Bassompiere-straat waren gegaan, roepende: Naar de barricaden! In de straat Lesdiguières hadden zij een ouden man ontmoet, die voortging. ’t Had hun aandacht getrokken dat deze goede man waggelde, alsof hij dronken was. Bovendien hield hij zijn hoed in de hand, hoewel ’t den geheelen morgen geregend had en ’t zelfs op dit oogenblik nog vrij sterk regende. Courfeyrac had den ouden Mabeuf herkend. Hij kende hem, doordien hij Marius dikwijls tot aan zijn woning had vergezeld. Met de vreedzame en hoogst ingetogen levenswijs van den ouden boekenliefhebber bekend, en verbaasd hem te midden van het oproer, op twee schreden afstands van de aanvallen der cavalerie, schier te midden van ’t geweervuur te vinden, blootshoofds in den regen wandelend tusschen de kogels, was hij naar hem toegegaan, en de vijf-en-twintigjarige oproerling en de tachtigjarige grijsaard hadden deze samenspraak gehouden:
„Mijnheer Mabeuf, ga naar huis.”
„Waarom?”
„Er zal gevochten worden.”
„Goed.”
„Er zullen sabelhouwen, geweerschoten vallen, mijnheer Mabeuf.”
„Goed.”
„Kanonschoten.”
„Goed. Waar gaat gijlieden heen?”
„Wij gaan het gouvernement omverwerpen.”
„Goed.”
Toen was hij hen gevolgd, en sinds dien oogenblik had hij geen woord meer gezegd. Eensklaps was zijn tred vast geworden; werklieden hadden hem den arm aangeboden, maar met een vriendelijken hoofdknik had hij bedankt. Hij drong naar voren, schier tot het eerste gelid der colonne, met de beweging van iemand die gaat en ’t gelaat van iemand die slaapt.
„Die oude man is verwoed!” mompelden de studenten.
In den troep liep het gerucht dat hij een oud lid der conventie, een voormalig koningsmoorder was.
De troep was de straat de la Verrerie ingeslagen.
De kleine Gavroche stapte vooraan en zong luidkeels, zoodat hij een soort van trompetter voorstelde. Hij zong:
Voici la lune qui paraît,
Quand irons-nous dans la forêt?
Demandait Charlot à Charlotte.
Tou tou tou
Pour Chatou.
Je n’ai qu’un Dieu, qu’un roi, qu’un liard et qu’une botte.
Pour avoir bu de grand matin
La rosée à même le thym,
Deux moineaux étaient en ribotte.
Zi zi zi
Pour Passy.
Je n’ai qu’un Dieu, qu’un roi, qu’un liard et qu’une botte.
Et ces deux pauvres petits loups
Comme deux grives étaient soûls;
Un tigre en riait dans sa grotte.
Don don don
Pour Meudon.
Je n’ai qu’un Dieu, qu’un roi, qu’un liard et qu’une botte.
L’un jurait et l’autre sacrait.
Quand irons-nous dans la forêt?
Demandait Charlot à Charlotte.
Tin tin tin
Pour Pantin.
Zij begaven zich naar Saint-Merry.