De weenende en lachende dieventaal.
Reading edition
Men heeft uit de beide voorafgaande hoofdstukken kunnen zien dat de dieventaal, zoowel die van voor vierhonderd jaar als die van heden, doordrongen is van een symbolischen geest, die aan alle woorden hetzij een klagende of een dreigende uitdrukking geeft.
De verschillende vormen, welke de gedachten in de dieventaal aannamen, zelfs het gezang, de scherts en de bedreiging, hadden alle dit onmachtig en bedrukt karakter. Al de gezangen, waarvan sommige melodieën zijn bewaard, waren tot weenens toe deemoedig en treurig. De pègre (dief) noemt zich steeds den armen pègre, en is altijd de haas, die zich verbergt, de muis die vlucht, de vogel die wegvliegt.
Nauwelijks durft hij iets eischen, hij zucht slechts.—Telkens wanneer de ellendige den tijd heeft te denken, maakt hij zich klein tegenover de wet en erbarmelijk tegenover de maatschappij; hij werpt zich in ’t stof, smeekt, roept het medelijden in; men gevoelt, dat hij zijn onrecht beseft.
Tegen het einde der vorige eeuw ontstond een verandering. De gevangenisliederen, het dievengezang werden, om zoo te spreken, onbeschaamd en vroolijk. In de meeste liederen van het bagno, der galeien en gevangenissen vindt men deze duivelachtige, raadselachtige vroolijkheid.
Men zong een schertsend liedje bij het vermoorden van iemand in een kelder of in een bosch.
’t Is een ernstig verschijnsel, dat in de achttiende eeuw de oude zwaarmoedigheid dier ellendige klassen verminderde. Zij begonnen te lachen. Zij bespotten God en den koning. Zij noemen Lodewijk XV: „markies de Pantin.” Zij zijn bijna vroolijk. Iets lichtzinnigs verschijnt bij deze ellendigen, als drukte hun het geweten volstrekt niet. Deze erbarmelijke klassen hebben niet slechts de wanhopige vermetelheid der daden, maar ook de onverschillige vermetelheid van den geest. Het is een bewijs, dat zij het bewustzijn hunner misdadigheid verloren, en een flauw gevoel hadden van den steun, dien zij bij de denkers vonden. ’t Is een kenteeken, dat de diefstal en roof zelfs in de leerstellingen en sofismen indrongen, zoodra zij een weinig van hun leelijkheid verloren, door daarvan veel aan de sofismen en leerstellingen over te doen. ’t Is eindelijk, zoo niet eenigerlei afleiding komt, het kenteeken van een groote aanstaande ontwikkeling.
Blijven wij hierbij een oogenblik stilstaan. Wie beschuldigen wij? De achttiende eeuw? Haar wijsbegeerte? Neen gewis niet. Het werk der achttiende eeuw is goed en gezond. De encyclopedisten, de physiocraten, de wijsgeeren, de utopisten, met Diderot, Turgot, Voltaire en Rousseau aan het hoofd, zijn vier gewijde legioenen. De ontzaggelijke vooruitgang van de menschheid naar het licht is aan hen te danken. Zij zijn de voorhoede van het menschelijk geslacht, dat naar de vier hoofdpunten van den vooruitgang gaat, Diderot naar het schoone, Turgot naar het nuttige, Voltaire naar het ware, Rousseau naar het rechtvaardige. Maar naast en onder de wijsgeeren waren de sofisten, giftige gewassen onder de heilzame kruiden, de scheerling in het maagdelijk woud. Terwijl de beul op de groote trap van het paleis van justitie de groote, vrijzinnige boeken der eeuw verbrandde, gaven thans vergeten schrijvers, met koninklijke goedkeuring, zonderling verwarring brengende geschriften uit, die gretig door de ellendigen gelezen werden. Deze feiten bleven uiterlijk onopgemerkt, maar vaak is een feit juist gevaarlijk door zijn onbekendheid. Van al de schrijvers, die destijds op de verderfelijkste wijze de maatschappij ondermijnden, is misschien Restif de la Bretonne de gevaarlijkste.
Dit voor geheel Europa geëigend werk, bracht in Duitschland meer verwarring teweeg dan ergens elders. Gedurende een zekeren tijd, door Schiller in zijn vermaard drama de Roovers voorgesteld, verhieven zich diefstal en roof als protest tegen den eigendom en den arbeid, verbonden zich met zekere, schijnbaar ware maar werkelijk valsche en ongerijmde gronddenkbeelden, hulden zich in deze denkbeelden en verdwenen er eenigermate in, namen een abstracten naam aan en gingen over tot een soort van theorie; verspreidden zich alzoo onder de werkzame, lijdende en eerlijke klassen, zonder dat de onvoorzichtige scheikundigen, die het drankje bereid hadden, er iets van begrepen, zelfs zonder dat de menigte er iets van begreep, die het innam. Wanneer een dergelijk feit ontstaat, is het altijd gewichtig. Het lijden verwekt toorn, en terwijl de gelukkige klassen zich verblinden of slapen, ’t geen hetzelfde is als de oogen te sluiten, ontsteekt de haat der ongelukkige klassen zijn toorts aan een of anderen verdrietigen of boozen geest, die in een hoek droomt, en begint de maatschappij te onderzoeken. Het onderzoek van den haat is iets vreeselijks.
Daardoor, zoo het ongeluk van den tijd het wil, ontstaan die schrikkelijke schokken, welke men eertijds „Jacqueries” noemde, waarbij de zuiver politieke beroeringen kinderspel zijn, en die niet meer de worsteling van den verdrukte tegen den verdrukker, maar de opstand van de ziekte tegen de gezondheid is. Dan stort alles in.
De Jacqueries zijn volksbevingen.
Aan dit gevaar, ’t welk Europa misschien tegen het einde der achttiende eeuw bedreigde, maakte de Fransche revolutie, deze onmetelijke daad van gerechtigheid, een einde.
De Fransche revolutie, welke niets anders is dan het gewapende ideaal, verhief zich, en met dezelfde snelle beweging sloot zij de deur van het kwade en opende de deur van het goede.
Zij ontwikkelde de quaestie, zij verkondigde luide de waarheid, verdreef de smetstof, maakte de eeuw gezond, kroonde het volk.
Men kan zeggen, dat zij den mensch ten tweeden male heeft geschapen, door hem een tweede ziel, het recht, te geven.
De negentiende eeuw erft en trekt voordeel van haar werk, en thans is de maatschappelijke catastrophe, welke wij zoo aanstonds aanwezen, eenvoudig, onmogelijk. Hij is blind die haar voorspelt, hij is dwaas die haar vreest. De revolutie is de koepokstof tegen de Jacquerie.
Door de revolutie zijn de maatschappelijke toestanden veranderd. De feodale en monarchieke ziekten zitten niet meer in ons bloed. In onze constitutie is geen middeleeuw meer. Wij zijn niet meer in den tijd, toen schrikkelijke inwendige beroeringen ontstonden, toen men onder zijn voeten een dof gerucht hoorde, toen zich op de oppervlakte der beschaving onbekende molshoopen vormden, toen de grond zich opende, toen de toppen der holen scheurden en men plotseling uit de aarde vreeselijke hoofden zag opstijgen.
De revolutionnaire zin is een zedelijke zin. Het ontwikkeld gevoel van het recht ontwikkelt het gevoel van den plicht. De wet voor allen is de vrijheid, die eindigt, waar de vrijheid van anderen begint, zooals Robespierre zoo juist gezegd heeft. Sedert 89 zet zich het geheele volk in het veredeld individu uit; geen arme of hij heeft zijn recht, alzoo zijn licht; de nooddruftige gevoelt in zich de eerlijkheid van Frankrijk, de waardigheid van burger is een inwendige wapenrusting; die vrij is, is nauwgezet; die stemt, regeert. Vandaar de onmogelijkheid van omkoopingen en de mislukking van onredelijke begeerten; vandaar de edel neergeslagen oogen voor de verleiding. De revolutie veredelt zoozeer, dat op een dag van bevrijding, als den 14 Juli, den 10 Augustus, er geen gepeupel meer is. De eerste kreet van een verlichte en veredelde menigte is: weg met de dieven! De vooruitgang is steeds eerlijk; het edele en absolute stelen niet. Door wie werden in 1848 de wagens geëscorteerd, welke de schatten der Tuilerieën bevatten? Door de voddenrapers der voorstad St. Antoine. De lompen bewaakten de schatten. De deugd deed deze haveloozen schitteren. In deze wagens, in deze kwalijk gesloten, gedeeltelijk half open kisten, bevond zich, tusschen honderden oogverblindende juweelen, de oude kroon van Frankrijk geheel van diamanten, met den karbonkel van het koningschap er op, de „regent”, die dertig millioen waard was. Deze mannen met bloote voeten bewaakten deze kroon.
Er is alzoo geen „Jacquerie” meer; ’t doet mij leed om de behendigen. ’t Is een verouderde vrees, die uitgewerkt heeft en voortaan in de politiek niet meer gebruikt kan worden.
De groote veer van het roode spook is gebroken. Iedereen weet het. Dat denkbeeld beangstigt niet meer. De vogels worden gemeenzaam met den vogelverschrikker, zij doen er hun behoefte op, en de menschen lachen er om.