Het zieltogen des doods na het zieltogen des levens.
Reading edition
’t Is een eigenaardigheid van deze soort van oorlog, dat de barricaden schier altijd van voren worden aangevallen en over ’t algemeen de aanvallers zich onthouden de stelling om te gaan, hetzij omdat zij hinderlagen duchten of omdat zij vreezen zich in kromme straten te wagen. De aandacht der opstandelingen was dus uitsluitend op de groote barricade gericht, die blijkbaar het steeds bedreigde punt was en waar onfeilbaar de strijd weder moest beginnen. Maar Marius dacht evenwel aan de kleine barricade en ging er heen. Zij was verlaten en slechts bewaakt door de kleine lampion, die tusschen de straatsteenen flikkerde. In de steeg Mondétour en in de vertakkingen der kleine Truanderie en de Zwanestraat was ’t overigens volkomen stil.
Toen Marius, na gedaan onderzoek, zich verwijderde, hoorde hij in de duisternis flauw zijn naam uitspreken:
„Mijnheer Marius!”
Hij ontroerde, want hij herkende de stem, die hem twee uren te voren door het hek in de straat Plumet geroepen had.
Maar nu scheen deze stem nog slechts een ademtocht te zijn.
Hij sloeg een blik om zich, doch zag niemand.
Marius meende zich bedrogen te hebben, en dat ’t een zinsbedrog was, ’t geen zijn geest bij de buitengewone omstandigheden voegde, welke zich om hem verdrongen. Hij deed een schrede, om uit den afgelegen hoek te komen, waar de barricade was.
„Mijnheer Marius!” herhaalde de stem.
Nu kon hij niet langer twijfelen, hij had duidelijk gehoord: hij schouwde opnieuw rond, doch zag niets.
„Aan uw voeten,” zei de stem.
Hij bukte en zag in de schaduw een gestalte, welke over de straatsteenen naar hem toe kroop. ’t Was deze gestalte, die tot hem gesproken had.
Het licht der lampion deed een kiel, een gescheurde grof manchestersche broek, bloote voeten en iets dat naar een bloedvlek geleek, onderscheiden. Marius zag een bleek hoofd, dat zich oprichtte en tot hem sprak:
„Herkent ge mij niet?”
„Neen.”
„Eponine.”
Marius boog zich haastig. ’t Was inderdaad het ongelukkig meisje, in manskleederen.
„Waarom zijt ge hier? Wat doet ge daar?”
„Ik sterf,” zeide zij.
Er zijn woorden en omstandigheden, welke de diepste mijmering wakker schudden. Marius riep als opspringend:
„Ge zijt gewond! Wacht, ik zal u in huis dragen! Men zal u verbinden! Is ’t ernstig? hoe zal ik u nemen, om u niet zeer te doen? Waar hebt ge pijn? Hulp! Mijn God! Maar waarom zijt ge hier gekomen?”
En hij poogde zijn arm onder haar te schuiven om haar op te tillen. Terwijl hij haar ophief, ontmoette hij haar hand.
Zij slaakte een flauwen kreet.
„Heb ik u zeer gedaan?” vroeg Marius.
„Een weinig.”
„Maar ik heb slechts uw hand geraakt.”
Zij hief de hand op voor Marius’ oogen, en Marius zag in ’t midden dezer hand een zwarte opening.
„Wat deert u aan de hand?” vroeg hij.
„Zij is doorboord.”
„Doorboord?”
„Ja.”
„Waarmede?”
„Met een kogel.”
„Hoe?”
„Hebt ge een geweer gezien, dat op u was aangelegd?”
„Ja, en een hand, die er zich tegen hield.”
„’t Was de mijne.”
Marius rilde.
„Welke dwaasheid. Arm meisje! Maar des te beter; wanneer ’t zoo is, zal ’t geen gevaar hebben; laat mij u op een bed dragen! Men zal u verbinden; men sterft niet van een doorschoten hand.”
Zij fluisterde:
„De kogel heeft de hand doorboord, maar is door den rug uitgekomen. ’t Is onnoodig mij van hier te verwijderen. Ik zal u zeggen, hoe gij mij, beter dan een wondheeler, verbinden kunt. Zet u naast mij op dezen steen.”
Hij gehoorzaamde; zij legde het hoofd op de knieën van Marius, en zonder hem te aanschouwen, zeide zij:
„O, hoe goed! hoe wèl ben ik nu! Zie, nu lijd ik niet meer.”
Zij zweeg een oogenblik, toen draaide zij met moeite haar gezicht om en zag Marius aan.
„Weet ge, mijnheer Marius? Het griefde mij, dat ge dien tuin binnengingt; ’t was dwaas, want ik had u immers het huis gewezen, en buitendien moest ik toch weten, dat een jongeling als gij...”
Zij zweeg, en van de treurige gedachten, die waarschijnlijk haar geest vervulden, tot iets anders overgaande, vroeg zij met een smartelijken glimlach:
„Gij vindt mij leelijk, niet waar?”
Zij vervolgde:
„Weet ge, ge zijt verloren! Niemand zal thans de barricade kunnen verlaten. Ik ben ’t, die u hier heb gevoerd. Ge zult sterven; ik reken er zeker op. Evenwel bracht ik, toen ik zag dat men op u aanlegde, mijn hand voor den loop van het geweer. ’t Is waar! maar ik wilde vóór u sterven. Toen ik den kogel ontving, sleepte ik mij hier heen; men heeft mij niet gezien, men heeft mij niet opgepakt. Ik wachtte u, en dacht: Hij zal dus niet komen? O! zoo ge ’t wist; ik beet in mijn kiel, zoo’n pijn had ik. Op ’t oogenblik ben ik wèl. Herinnert ge u den dag, toen ik uw kamer binnentrad, toen ik mij in uw spiegel spiegelde, en den dag toen ik u op den boulevard ontmoette. Hoe zongen de vogels toen! ’t Is nog niet lang geleden. Gij gaaft mij vijf francs en ik zeide tot u: Ik wil uw geld niet. Hebt ge ten minste het geldstuk opgeraapt? Ge zijt niet rijk. Ik dacht er niet aan, u te zeggen het weer op te rapen. De zon scheen, en ’t was niet koud. Herinnert ge u, mijnheer Marius? O! ik ben gelukkig! Iedereen moet sterven!”
Zij had een verwilderd, ernstig en smartelijk voorkomen. Haar gescheurde kiel liet haar naakte borst zien. Zij hield, terwijl ze sprak, haar doorschoten hand tegen haar borst gedrukt, waar een andere opening was, en waaruit nu en dan een stroom bloed vloeide als wijn uit een open spongat.
Marius beschouwde het ongelukkig schepsel met innig medelijden.
„O!” riep zij eensklaps uit, „nu komt het weder. Ik stik.”
Zij greep haar kiel en beet er in; haar beenen verstijfden op de straatsteenen.
Juist klonk de jonge hanenstem van den kleinen Gavroche in de barricade. De knaap was op een tafel geklommen om zijn geweer te laden en zong vroolijk het toen in de mode zijnde liedje:
En voyant Lafayette,
Le gendarme répête:
Eponine richtte zich op, luisterde, en prevelde:
„Hij is ’t.”
Zij wendde zich tot Marius:
„Mijn broeder is daar. Hij mag mij niet zien. Hij zou mij beknorren.”
„Uw broeder?” vroeg Marius, die in het bitterste en smartelijkste van zijn hart aan de plichten dacht, welke zijn vader hem jegens het gezin Thénardier had opgedragen; „wie is uw broeder?”
„Die kleine jongen.”
„Die zingt?”
„Ja.”
Marius keerde zich om.
„Ach, ga niet heen,” zeide zij; „’t zal nu niet lang meer duren.”
Zij had zich bijna ten halve opgericht, maar haar stem was zeer zwak en werd door den hik afgebroken. Bij tusschenpoozen rochelde zij. Zij bracht haar gezicht zoo dicht zij kon bij dat van Marius, en zeide met zonderlinge uitdrukking:
„Luister, ik wil u in niets misleiden. Ik heb een brief voor u in mijn zak. Sedert gisteren. Men had mij gezegd hem op de post te brengen. Ik heb hem gehouden. Ik wilde niet, dat ge hem kreegt. Maar ge zult zeker kwaad op mij zijn, wanneer wij elkander straks wederzien. Men ziet elkander immers weder, niet waar? neem uw brief.”
Zij greep krampachtig met haar doorboorde hand de hand van Marius, maar zij scheen geen pijn meer te gevoelen. Zij bracht de hand van Marius in den zak van haar kiel. Marius voelde er inderdaad een papier.
„Neem,” zeide zij.
Marius nam den brief.
Zij gaf een teeken van tevredenheid en toestemming.
„Beloof mij nu, voor mijn moeite...”
Zij hield op.
„Wat?” vroeg Marius.
„Beloof mij!”
„Ik beloof u.”
„Beloof, dat ge mij een kus op ’t voorhoofd zult geven, wanneer ik dood ben.—Ik zal het voelen.”
Zij liet haar hoofd weder op Marius’ knieën zinken en haar oogen sloten zich. Hij meende, dat haar arme ziel ontvloden was. Eponine bleef bewegingloos; eensklaps, juist toen Marius geloofde dat zij den eeuwigen slaap was ingegaan, opende zij langzaam haar oogen, waarin de sombere donkerheid des doods scheen, en zij zeide met een stem, wier zachtheid reeds uit een andere wereld scheen te komen:
„En hoor, mijnheer Marius, ik geloof, dat ik een weinig op u verliefd was.”
Zij poogde nog te glimlachen, en stierf.