Billijke verontwaardiging van een kapper en barbier.
Reading edition
De deftige barbier, die de twee kinderen had weggejaagd, voor welke Gavroche den vaderlijken buik van den olifant had geopend, was op dit oogenblik in zijn winkel bezig met een ouden soldaat met het kruis van het legioen van eer te scheren. Men praatte. De pruikenmaker had natuurlijk den veteraan over het oproer gesproken, vervolgens over generaal Lamarque, en van Lamarque was men op den keizer gekomen. Daardoor ontstond een gesprek tusschen een barbier en een soldaat, ’t welk Prudhomme, ware hij er bij tegenwoordig geweest, met arabesken versierd en getiteld zou hebben: „Samenspraak tusschen het scheermes en de sabel.”
„Mijnheer,” vroeg de barbier, „hoe zat de keizer te paard?”
„Slecht. Hij wist niet van vallen. Daarom viel hij ook nooit.”
„Had hij fraaie paarden? hij moet fraaie paarden gehad hebben?”
„Den dag dat hij mij het kruis gaf, heb ik zijn paard opgemerkt. ’t Was een geheel witte merrie. Zij had de ooren wijd van elkander, den rug ingevallen, een fijnen kop met een zwarte bles, langen hals, forsch gespierde knieën, uitstekende ribben, breede schoften. Iets hooger dan vijftien palmen.”
„Een fraai paard,” zei de barbier.
„’t Was het paard zijner majesteit.”
De barbier begreep, dat na dit woord eene pauze behoorde, hij gedroeg zich hiernaar en hernam vervolgens:
„De keizer is slechts eenmaal gekwetst geweest, niet waar, mijnheer?”
De oude soldaat antwoordde, op den bedaarden en stelligen toon van iemand, die er bij is geweest:
„Aan den hiel. Te Regensburg. Nooit heb ik hem zoo net gekleed gezien als dien dag. Hij was als door een ring gehaald.”
„En gij, mijnheer de veteraan, ge zijt zeker meermalen gewond?”
„Ik,” zei de soldaat, „o, niet erg. Te Marengo ontving ik twee sabelhouwen in den nek, te Austerlitz een kogel in den rechterarm, een anderen in de linkerheup te Jena, te Friedland een bajonnetsteek—hier;—aan de Moskowa zes of zeven lanssteken, ’t doet er niet toe, te Lutzen heeft een springende bom mij een vinger stuk geslagen... Te Waterloo kreeg ik een kartetskogel in ’t been. Anders niet.”
„’t Is schoon,” riep de barbier op Pindarischen toon uit, „op het slagveld te sneven! Op mijn woord van eer, ik zou liever een kanonskogel in het lijf krijgen, dan langzaam op een bed te sterven, door pillen en drankjes, pleisters, klisteeren en ik weet niet wat.”
„Gij hebt wel gelijk!” zei de soldaat.
Hij had dit nauwelijks gezegd toen een plotseling gerucht in den winkel ontstond. Een glasruit van het winkelvenster werd met geweld stukgeslagen.
De barbier werd zoo bleek als de dood.
„Mijn God! daar is er een!” riep hij.
„Wat?”
„Een kanonskogel.”
„Hier is hij,” zei de soldaat.
En hij raapte iets op, dat over den grond rolde. ’t Was een keisteen.
De barbier ijlde naar ’t gebroken glas en zag Gavroche, die zoo hard hij kon naar de St. Jansmarkt liep. Toen Gavroche, wien de beide kinderen nog op ’t hart lagen, den barbierswinkel voorbijkwam, had hij den lust niet kunnen weerstaan hem eens goedendag te zeggen, en had een steen tegen zijn raam geworpen.
„Ziet ge!” brulde de barbier, die nu van wit blauw was geworden; „dat is kwaad doen om kwaad te doen. Wat heb ik dien jongen gedaan?”