De twee plichten: waken en hopen.
Reading edition
Is hiermede nu alle maatschappelijk gevaar verdreven? Zeker neen. Geen Jacquerie. De maatschappij kan te dien aanzien gerust zijn; het bloed zal haar niet meer naar het hoofd stijgen; maar zij moet er op letten, hoe zij ademt. Er is geen beroerte meer te vreezen, maar wel tering. De maatschappelijke tering heet armoede.
Men sterft evenzeer door langzame ondermijning als door een plotselingen slag.
Laat ons niet moede worden te herhalen, dat de hoogste broederplicht, de hoogste politieke noodzakelijkheid, is, in de eerste plaats, aan de menigte behoeftigen te denken, hen te verlichten, hun een betere lucht, een betere opvoeding te geven, hen te beminnen, hun horizon te verruimen, hen in allerlei richtingen te beschaven, hun het voorbeeld van nijverheid, nooit dat van werkeloosheid te geven, den last van enkelen te verlichten door de kennis van het algemeene doel te vermeerderen, de armoede te beperken zonder den rijkdom te schaden, een ruim veld voor de openbare en volksbedrijvigheid te openen; als Briareus honderd handen te hebben om ze aan alle zijden den bedrukten en zwakken toe te reiken; de algemeene kracht aan te wenden voor dien grooten plicht, om werkplaatsen voor alle handen, scholen voor alle bekwaamheden en geestvermogens te openen; het werkloon te verhoogen, den arbeid te verlichten, ontvangsten en uitgaven in evenwicht te houden, namelijk het genot in verhouding tot de inspanning en de verzadiging in verhouding tot de behoefte te brengen, met één woord, uit het maatschappelijk samenstel meer licht en welstand te doen ontwikkelen, ten bate der lijdenden en der onwetenden.
En, zeggen wij het, dit alles is slechts een begin. De wezenlijke quaestie is deze: de arbeid kan geen wet zijn, zonder een recht te wezen.
’t Is hier de plaats niet, om hierover verder uit te weiden.
Zoo de natuur voorzienigheid wordt geheeten, moet de maatschappij voorzorg heeten.
De verstandelijke en zedelijke wasdom is niet minder onmisbaar dan de stoffelijke verbetering. Weten is een teerpenning, denken is de eerste noodzakelijkheid, de waarheid is voedsel gelijk de tarwe. Een verstand, dat zich van wetenschap en wijsheid onthoudt, vermagert. Beklagen wij, zoowel de geesten als de magen, die zich niet voeden. Zoo er iets treuriger is dan een lichaam dat verkwijnt uit gebrek aan voedsel, is ’t een ziel die ondergaat uit gebrek aan licht.
De geheele vooruitgang streeft naar de zijde der oplossing. Eenmaal zal men verstomd zijn. Zoodra het menschelijk geslacht zich verheft, zullen de diepere lagen geheel natuurlijk uit den kring van den nood komen. De ellende zal door een eenvoudige verheffing der oppervlakte verdwijnen.
Men zou verkeerd doen aan deze gezegende oplossing te twijfelen.
’t Is waar, het verledene is heden nog zeer sterk. Het herleeft. Deze verlevendiging van een lijk is verwonderlijk. Het treedt voort en nadert. Het schijnt overwinnaar; deze doode is een veroveraar. Het komt met zijn legioenen, het bijgeloof, met zijn degen, het despotisme, met zijn vaandel, de onwetendheid; sedert eenigen tijd heeft het tien veldslagen gewonnen. Het nadert, het dreigt, het lacht, het staat voor onze poorten. Maar laat ons niet wanhopen. Verkoopen wij het veld, waar Hannibal legert.
Wat hebben wij, die gelooven, te vreezen?
De ideeën kunnen evenmin teruggaan als de rivieren.
Dat zij, die deze toekomst niet willen, dit wel overwegen. Door den vooruitgang af te wijzen, is ’t niet de toekomst welke zij veroordeelen, maar zich zelven. Zij geven zich een akelige ziekte, zij enten zich het verledene in. Er is slechts één middel om het morgen af te wijzen. Het is te sterven.
En wat wij willen is geen dood,—dien des lichaams zoo laat mogelijk; dien der ziel nimmer.
Ja, het raadsel zal zijn woord zeggen, de Sphinx zal spreken, het probleem zal opgelost worden. Ja, het volk, dat de achttiende eeuw begonnen heeft te vormen, zal door de negentiende voltooid worden. Hij is dwaas die er aan twijfelen zou. De toekomstige, de naderende ontwikkeling van het algemeen welzijn is een onweerhoudbaar, goddelijk verschijnsel.
Verschillende krachtige beginselen besturen de menschelijke handelingen en brengen ze allen in een zekeren tijd tot den logischen staat, dat is in evenwicht, dat is tot rechtvaardigheid. Een uit hemel en aarde samengestelde kracht ontstaat uit de menschheid en regeert haar; wonderbare ontknoopingen zijn haar niet vreemder dan buitengewone gebeurtenissen. Door de wetenschap geholpen, die van den mensch, en door de gebeurtenis, die van elders komt, deinst zij niet terug voor de tegenspraak, die in de problemen heerscht en welke voor het gemeen onmogelijkheden schijnen. Deze kracht is niet minder bekwaam om uit de samenvoeging der denkbeelden een oplossing te vinden, dan een leer uit de samenvoeging der feiten, en van die geheimzinnige macht van den vooruitgang mag men alles verwachten.
Er is geen stilstand, geen weifeling, geen rustpunt in den grootschen vooruitgang der geesten. De maatschappelijke wijsbegeerte is bij uitnemendheid de wetenschap des vredes. Zij heeft ten doel, en moet tot resultaat hebben, de oplossing van allen strijd door het onderzoek van den tegenstand. Zij onderzoekt, vorscht, ontleedt, en vervolgens hervormt zij. Zij handelt bij wijze van aftrekking, en ontneemt aan alles de vijandigheid.
Dat een maatschappij ondergaat in den storm, die tegen de menschen losbreekt, is meermalen gezien, de geschiedenis is vol schipbreuken van volken en rijken; eenmaal komt de onbekende orkaan, en voert zeden, wetten, godsdiensten mede. De beschaving van Indië, Chaldea, Perzië, Assyrië, Egypte is achtereenvolgens verdwenen. Waarom? wij weten ’t niet. Welke zijn de oorzaken dezer rampen? wij weten ’t niet. Waren deze maatschappijen te redden geweest? Droegen zij zelve de schuld van haar ondergang? Hebben zij in een noodlottige ondeugd volhard, die haar deed verloren gaan? Hoeveel zelfmoord ligt in den vreeselijken dood van een natie en van een geslacht? Vragen zonder antwoorden. Duisternis bedekt de vergane beschaafde maatschappijen. Zij zijn verdwenen; meer is er niets van te zeggen, en met een gevoel van ontzetting zien wij in die zee, welke het verleden wordt genoemd, achter deze kolossale baren, de eeuwen, deze groote schepen: Babel, Ninive, Tharsus, Thebe, Rome verzinken door den vreeselijken storm, die uit de monden der duisternis komt. Maar is ginds duisternis, hier is licht. Wij kennen de ziekten der oude maatschappijen niet, maar wij kennen de kwalen der onze. Wij hebben het recht haar te verlichten; wij aanschouwen haar schoonheden en ontdekken haar gebreken. Waar zij lijdt onderzoeken wij haar; en zoodra haar kwaal bekend is, voert de studie der oorzaak tot de ontdekking van het heelmiddel. Onze beschaving, het werk van twintig eeuwen, is er tevens het monster en het wonder van; zij verdient goed te worden. Zij zal het worden. Haar stoffelijk te verlichten is veel, haar zedelijk te verlichten nog meer. Al de werken der hedendaagsche maatschappelijke wijsbegeerte moeten op dit doel uitloopen. Op den denker van den tegenwoordigen tijd ligt een groote plicht; namelijk door „auscultatie” de beschaving te onderzoeken, gelijk de arts de borst van den zieke onderzoekt. Wij herhalen het, dit onderzoek bemoedigt, en met hierop aan te dringen, willen wij deze bladzijden eindigen, het ernstig tusschenbedrijf van een treurig drama. Onder de sterfelijkheid der maatschappij gevoelt men de onvergankelijkheid van den mensch; om deze wonden, de kraters, deze gezwellen, de zwavelbronnen, een vulkaan die zijn lava uitwerpt, sterft de aarde niet. De ziekten van het volk dooden den mensch niet.
Desniettemin schudt hij, die den maatschappelijken ziektetoestand gadeslaat, somwijlen het hoofd. De sterksten, de teedersten, de beredeneerdsten hebben hun oogenblikken van zwakheid.
Zal die geschetste toekomst komen? Het schijnt bijna, dat men deze vraag moet doen, wanneer men zooveel schrikkelijke schaduw ziet. ’t Is een somber gezicht, zelfzuchtigen en ellendigen tegenover elkander te zien. Bij de zelfzuchtigen: vooroordeelen, de schaduwen eener weelderige opvoeding, de door dronkenschap vermeerderde begeerlijkheid, een verdoovende bedwelming door het geluk, de vrees voor lijden, welke bij sommigen tot afkeer van de lijders gaat, een onbarmhartige zelftevredenheid, het opgeblazen ik, dat de ziel afsluit. Bij de ellendigen: de hebzucht, de afgunst, de vijandschap van anderen te zien genieten, de ruwe handelingen van den diermensch ter bevrediging zijner lusten, de harten vol nevels, treurigheid, behoefte, rampzaligheid, de onreine, domme onwetendheid.
Moet men bij voortduring de oogen ten hemel slaan? Is het lichtpunt, dat men er onderscheidt, een derzulke die uitgaan? ’t Is vreeselijk, het ideaal alzoo in de diepte te zien verzinken, klein, nauwelijks zichtbaar schitterend, maar omgeven door al die samengepakte, groote, donkere, monsterachtige bedreigingen. En evenwel is het in geen grooter gevaar dan een ster tusschen de wolken.