← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

De straatjongen een vijand van lichten.

Reading edition

Hoe lang bleef hij in die houding? Welke was de eb en vloed zijner treurige gedachten? richtte hij zich weder op? bleef hij gebogen? was hij als gebroken onder zijn zwaarmoedigheid? kon hij zich nog oprichten en in zijn geweten op iets dat vast was steunen? Hij zou het waarschijnlijk zelf niet hebben kunnen zeggen.

De straat was eenzaam. Eenige angstige personen, die haastig naar huis gingen, zagen hem nauwelijks. Ieder voor zich zelven, in tijden van gevaar. De lantaarnopsteker kwam als gewoonlijk de lantaarn aansteken, die vlak tegenover het huis No. 7 stond, en ging heen. Jean Valjean zou voor dengene, die hem aldus in die schaduw had gezien, geen levend mensch hebben geleken. Hij zat op den straatpaal voor zijn deur, bewegingloos als een klomp ijs. De wanhoop verstijft. Men hoorde de stormklok en onduidelijke woeste geruchten. Te midden van dat somber gelui, vermengd met het oproer, sloeg het op St. Paul elf uren, plechtig, zonder overhaasting; want de stormklok is de mensch; het uur is God. De voortgang van den tijd maakte geen indruk op Jean Valjean; hij bewoog zich niet. Intusschen ontstond omstreeks dit oogenblik in de richting der Hallen een geweldig geschiet; het werd door een tweede nog geweldiger gevolgd; ’t was waarschijnlijk de aanval tegen de barricade in de straat Chanvrerie, welke wij gezien hebben, dat door Marius werd afgeslagen. Bij deze dubbele losbranding, wier geweld door de stilte des nachts scheen versterkt, ontroerde Jean Valjean; hij richtte zich op, naar de zijde van waar het gerucht kwam, en zonk toen weder op den straatpaal, sloeg de armen over elkander, en langzaam zonk zijn hoofd weder op zijn borst.

Hij hervatte zijn somber gesprek met zich zelven.

Eensklaps sloeg hij de oogen op; men ging in de straat, hij hoorde voetstappen nabij zich, en bij het licht der straatlantaarn, naar den kant der straat, die bij het Archief uitloopt, zag hij een bleek, jeugdig en opgewekt gelaat.

Gavroche was in de rue de l’Homme-Armé gekomen.

Hij zag naar boven en scheen iets te zoeken. Hij zag zeer duidelijk Jean Valjean, maar lette niet op hem.

Na omhoog te hebben gezien, keek Gavroche nu naar beneden; hij ging op de teenen staan en betastte de deuren en vensters der huizen; zij waren alle gesloten en gegrendeld. Na vijf of zes derwijze versperde huizen onderzocht te hebben, haalde de straatjongen de schouders op en mompelde bij zich zelven: Verduiveld! Toen keek hij weder omhoog. Jean Valjean, die een oogenblik te voren, in de gemoedsstemming, waarin hij was, niemand toegesproken of geantwoord zou hebben, gevoelde zich onwederstaanbaar gedrongen een woord tot dezen knaap te richten.

„Kleine,” zeide hij, „wat wilt ge?”

„Ik heb honger,” antwoordde Gavroche onbewimpeld. En hij voegde er bij: „Kleine!? Gij zijt zelf klein.”

Jean Valjean tastte in zijn zak en haalde er een vijffrancstuk uit.

Maar Gavroche, een soort van kwikstaart, die schielijk van de eene tot de andere beweging overging, had een steen opgeraapt. Hij had de lantaarn in ’t oog gekregen.

„Zoo!” zeide hij, „hebt ge hier uw lantaarns nog. Dat is niet zooals ’t behoort, vrienden! ’t Is wanorde. Zij moeten stuk.”

Hij wierp den steen in de lantaarn, waarvan het glas met zulk een gerinkel viel, dat de achter hun gordijnen verscholen bewoners van het tegenoverstaande huis uitriepen:

„’t Is weer als in drie-en-negentig!”

De lantaarn schommelde hevig, het licht ging uit, en in de straat werd het plotseling donker.

„Zoo is ’t goed, oude straat,” zei Gavroche, „zet uw slaapmuts op.”

Toen zich tot Jean Valjean wendende:

„Hoe heet dit groote gebouw aan het einde der straat? ’t Is het Archief, niet waar? Die dikke kolommen moeten even omver gehaald en daarvan een fraaie barricade gemaakt worden.”

Jean Valjean naderde Gavroche, en zeide halfluid en als bij zich zelven:

„De arme jongen, hij heeft honger.”

En hij stopte hem het vijffrancstuk in de hand.

Gavroche richtte het hoofd op, verwonderd over de grootte van het geldstuk; hij bezag het in de duisternis, en de blankheid ervan bracht hem in verrukking. Hij kende de vijffrancstukken van hooren zeggen; hij had er een gunstig idée van; ’t verheugde hem er persoonlijk kennis mede te maken.

„Laat ons het beest eens goed bekijken!” zeide hij.

Hij beschouwde het eenige oogenblikken met verrukking; doch zich vervolgens weder tot Jean Valjean wendende, gaf hij hem het geldstuk terug en zeide majestueus:

„Burger, ik werp liever lantaarns in. Neem uw wild beest terug. Ik laat mij niet omkoopen. Het heeft vijf klauwen, maar ’t zal mij niet pakken.”

„Hebt ge een moeder?” vroeg Jean Valjean.

Gavroche antwoordde:

„Misschien beter dan gij.”

„Welnu,” hernam Jean Valjean, „behoud dit geld dan voor uw moeder.”

Gavroche voelde zich bewogen. Hij had bovendien opgemerkt, dat de man die tot hem sprak geen hoed op had, en dit boezemde hem vertrouwen in.

„Waarlijk,” zeide hij, „is ’t niet om mij af te houden van de lantaarns stuk te slaan?”

„Sla alles stuk wat ge wilt.”

„Ge zijt een braaf man,” zei Gavroche.

En hij stak het vijffrancstuk in een zijner zakken.

Met toenemend vertrouwen voegde hij er bij:

„Woont ge in deze straat?”

„Ja, waarom?”

„Zoudt ge mij No. 7 kunnen wijzen?”

„Wat wilt ge in No. 7?”

De knaap zweeg, vreezende te veel gezegd te hebben; hij streek haastig met zijn vingers door zijn haar en antwoordde niets dan:

„Ha! Zoo!”

Een denkbeeld schoot Jean Valjean door den geest. De angst geeft soms licht. Hij zeide tot den knaap:

„Brengt gij mij den brief, dien ik wacht?”

„Gij?” zei Gavroche. „Ge zijt geen vrouw.”

„De brief is voor mejuffer Cosette, niet waar?”

„Cosette?” mompelde Gavroche; „ja, ik geloof dat het die rare naam is.”

„Nu!” hernam Jean Valjean, „ik moet haar dien brief overhandigen. Geef.”

„In dat geval moet ge ook weten, dat ik van de barricade gezonden ben?”

„Ongetwijfeld,” zei Jean Valjean.

Gavroche stak zijn hand in een anderen zijner zakken en haalde er een in vieren gevouwen papier uit.

Toen op militaire wijze aanslaande, zeide hij:

„Eerbied voor de dépêche. Zij komt van de voorloopige regeering.”

„Geef,” zei Jean Valjean.

Gavroche hield het papier boven zijn hoofd.

„Verbeeld u niet, dat het een minnebriefje is. Het is wel voor een vrouw, maar eigenlijk voor het volk. Wij vechten tegen de mannen, maar eerbiedigen het schoone geslacht. Wij zijn niet als in de groote wereld, waar lions aan chameaux minnebriefjes zenden.”

„Geef.”

„Inderdaad,” hernam Gavroche, „ge schijnt mij een braaf man te zijn.”

„Geef spoedig!”

„Ziedaar.”

En hij gaf Jean Valjean het papier.

„Haast u nu, mijnheer Coos, wijl juffer Cosette wacht.”

Gavroche scheen zelf schik te hebben over deze woordspeling.

Jean Valjean hernam:

„Moet het antwoord naar Saint-Merry worden gebracht?”

„Ge zoudt daarmede een dommen streek begaan. Deze brief komt van de barricade in de straat Chanvrerie, en daarheen keer ik terug. Goeden avond, burger.”

Dit gezegd hebbende verwijderde zich Gavroche, of liever vloog naar de plaats, van waar hij gekomen was; met de snelheid van een ontsnapten vogel. Hij verdween in de duisternis, alsof hij er een gat in boorde, regelrecht als een kanonskogel. De rue de l’Homme Armé werd weder stil en eenzaam; in een oogwenk was deze wonderbare knaap, die in zich iets van de schaduw en van den droom had, tusschen de in de duisternis bedolven huizen als een damp verdwenen; en men zou dit geloofd hebben, zoo niet weinige minuten na zijn verdwijning het gekletter van een stuk geslagen vensterruit en het heerlijk gerinkel van een ingeworpen straatlantaarn opnieuw de angstige bewoners eensklaps en ruw gewekt had. ’t Was Gavroche, die door de straat du Chaume ging.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings