← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

De vlag: tweede bedrijf.

Reading edition

Sedert men te Corinthe aangekomen en begonnen was de barricade op te richten, had men weinig meer op den ouden Mabeuf gelet. De heer Mabeuf had evenwel den troep niet verlaten. Hij was het benedenvertrek der herberg binnengegaan en had zich naast de toonbank neergezet. Daar zat hij, om zoo te spreken, als vernietigd. Hij scheen niet meer te zien, noch te denken. Courfeyrac en anderen hadden hem twee of driemaal aangesproken, hem voor het gevaar gewaarschuwd en vermaand zich te verwijderen, zonder dat hij hen scheen te hooren. Wanneer men niet tot hem sprak, bewogen zich zijn lippen alsof hij iemand antwoordde, maar richtte men het woord tot hem, dan werden zijn lippen bewegingloos en zijn oogen hadden niets levendigs meer. Eenige uren voor dat de barricade werd aangevallen, had hij een houding aangenomen, welke hij niet meer had verlaten; hij zat met beide handen op zijn knieën, met voorover gebogen hoofd, als schouwde hij in een afgrond. Niets had hem uit deze houding kunnen trekken; het scheen alsof zijn geest elders dan in de barricade was. Toen ieder zijn post voor het gevecht had ingenomen, was niemand in het benedenvertrek der herberg gebleven, dan Javert, die aan den paal was gebonden, een opstandeling, die met bloote sabel Javert bewaakte, en Mabeuf. Toen de aanval plaats had en het geweervuur knalde, had de schok zijn lichaam als ’t ware wakkergeschud. Haastig had hij zich opgericht, was het vertrek binnengegaan en juist toen Enjolras zijn vraag herhaalde: „Biedt niemand zich aan?” zag men den grijsaard op den drempel der herberg verschijnen.

Zijn verschijning veroorzaakte in de groepen eene opschudding. Een kreet ging op:

„’t Is de stemmer! ’t is het conventielid! ’t is de volksrepresentant!”

Waarschijnlijk hoorde hij niet.

Hij trad regelrecht naar Enjolras; de opstandelingen verwijderden zich van hem met godsdienstige vrees; hij ontrukte de vlag aan Enjolras, die als versteend achteruit trad, en toen, zonder dat iemand hem durfde tegenhouden, of helpen, beklom deze tachtigjarige grijsaard, met waggelend hoofd en vasten voet, langzaam de in de barricade van straatsteenen gemaakte trap. ’t Was zoo ontzettend en zoo grootsch, dat allen om hem heen riepen: „Hoeden af!” Iedere trede, welke hij opging, was vreeselijk; zijn grijs haar, zijn ingevallen gezicht, zijn groot, kaal, gerimpeld hoofd, zijn holle oogen, zijn verbaasde, open mond, zijn oude arm, die de roode banier ophief, traden uit de schaduw en schenen grooter te worden in het bloedroode licht der toorts; men waande het spooksel van ’t jaar 93 uit de aarde te zien verrijzen, met de vlag van het schrikbewind, in de hand. Toen hij op de laatste trede was, toen deze bevende vreeselijke schim op dit getimmerte van afbraak stond, tegenover twaalfhonderd onzichtbare geweren, in ’t aangezicht van den dood en als ware hij sterker dan deze, had de geheele barricade in de duisternis een bovennatuurlijk en colossaal voorkomen.

Er ontstond een stilte, zooals die alleen bij wonderwerken heerscht.

Te midden van deze stilte zwaaide de grijsaard de roode vlag en riep:

„Leve de revolutie! leve de republiek! broederschap! gelijkheid! en de dood!”

Men hoorde buiten de barricade een zacht, vluchtig geprevel, als dat eens priesters, die haastig een gebed spreekt. ’t Was waarschijnlijk de commissaris van politie, die aan ’t andere einde der straat de wettelijke sommatiën deed.

Toen riep dezelfde luide stem, die werda! geroepen had:

„Verwijdert u!”

Bleek, verwilderd, met oogen die door de akelige vlammen van den waanzin verlicht werden, hief de heer Mabeuf de vlag boven zijn hoofd en herhaalde:

„Leve de republiek!”

„Vuur!” riep de stem.

Een tweede salvo, een schrootvuur gelijkende, werd tegen de barricade gelost.

De grijsaard zonk op de knieën, liet de vlag los en viel als een plank achterover op de straat, zoo lang hij was, met uitgebreide armen.

Stroomen bloeds kwamen onder hem te voorschijn. Zijn grijs, bleek en treurig hoofd scheen den hemel te aanschouwen.

Een dier verheven aandoeningen van den mensch, die hem zelfs doen vergeten zich te verdedigen, beving de opstandelingen en zij naderden het lijk met eerbiedige ontzetting.

„Wat mannen waren die koningsmoorders!” zei Enjolras.

Courfeyrac fluisterde Enjolras in ’t oor:

„Ik zeg ’t alleen aan u; ik wil de opgetogenheid niet verzwakken; maar hij was niets minder dan een koningsmoorder. Ik heb hem gekend. Hij heette vader Mabeuf. Ik weet niet, hoe ’t heden met hem was. Hij was altijd een eenvoudige sukkel. Bezie zijn hoofd eens.”

„Het hoofd van een ouden sukkel en het hart van Brutus,” antwoordde Enjolras.

Met verheffing van stem vervolgde hij:

„Burgers! Dit is een voorbeeld, ’t welk de ouden den jongeren geven. Wij aarzelden, hij kwam! wij deinsden terug, hij trad vooruit! Ziedaar wat zij, die van ouderdom beven, leeren aan hen die van angst beven! Deze oude man stierf met roem voor het vaderland. Hij heeft een lang leven en een verheven dood gehad. Beschermen wij thans het lijk, en dat ieder onzer dien dooden grijsaard verdedige, zooals hij zijn levenden vader zou verdedigen, en dat zijn tegenwoordigheid in ons midden, de barricade onoverwinbaar make!”

Een dof, maar krachtig gemurmel van toestemming beantwoordde deze toespraak.

Enjolras bukte, lichtte het hoofd van den grijsaard op en kuste zijn voorhoofd, toen zijn armen uitbreidende en den doode met die teedere bezorgdheid behandelende, als vreesde hij hem zeer te doen, trok hij hem zijn rok uit, wees allen op de bloedende openingen en zeide:

„Dit is thans onze vlag!”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings