← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

De bedwelming van het volmaakte geluk.

Reading edition

Zoo leefden zij, zich zelven onbewust, in het geluk. Zij merkten niets op van de cholera, die juist in deze maand Parijs teisterde. Zij hadden elkander alles toevertrouwd wat zij konden, doch dit was niet veel meer geweest dan hun namen. Marius had aan Cosette gezegd, dat hij een wees was en Marius Pontmercy heette, dat hij advocaat was en van het schrijven voor de drukpers leefde, dat zijn vader kolonel, en een held, was geweest, en dat hij, Marius, in onmin leefde met zijn grootvader, die rijk was. Hij had haar ook terloops te kennen gegeven, dat hij baron was; maar dit had op Cosette niet den minsten indruk gemaakt. Marius, een baron? Dat had zij niet begrepen. Zij wist niet, wat dit woord beteekende. Marius was Marius. Van haar kant had zij hem medegedeeld, dat zij in het klooster van Klein Picpus was opgevoed, dat haar moeder overleden was, evenals de zijne, dat haar vader Fauchelevent heette, dat hij zeer goed was, dat hij veel aan de armen gaf, hoewel zelf arm zijnde, en hij zich van alles onthield, ten einde haar niets te onthouden.

’t Was zonderling, dat in de soort van symphonie, waarin Marius leefde, sedert hij Cosette zag, het verledene, zelfs het jongst verledene, zoo verward en verwijderd voor hem scheen, dat, wat Cosette hem verhaalde, hem volkomen bevredigde. Hij dacht er zelfs niet aan, haar van het nachtelijk avontuur in de woning van Thénardier te spreken, van de branding met het gloeiend ijzer en van de vreemde houding en zonderlinge vlucht haars vaders. Marius had dit alles voor het oogenblik vergeten; hij wist zelfs ’s avonds niet wat hij ’s morgens gedaan had, noch waar hij ontbeten, noch met wie hij gesproken had, er klonken tonen in zijn oor, die hem voor alle andere gedachten doof maakten; hij leefde slechts in de uren dat hij Cosette zag. Wijl hij dan in den hemel was, vergat hij natuurlijk de aarde. Beide torsten smachtend den onbeschrijfelijken last van den onstoffelijken wellust. Zóó leven die slaapwandelaars, welke men verliefden noemt.

Helaas! wie heeft niet al deze dingen ondervonden? Waarom komt er een uur, dat men dezen hemel verlaat; en waarom duurt het leven dan nog langer?

Beminnen vervangt bijna het denken. De liefde is een vurige vergetelheid van al het overige. Vraag dus geen logica van den hartstocht. Er is evenmin een logische samenhang in het menschelijk hart als er een volkomen geometrische figuur in den bouw van het heelal bestaat. Voor Cosette en Marius bestond niets anders dan Marius en Cosette. De wereld om hen was in een kuil verzonken. Zij leefden in een gouden minuut. Niets was er vóór of achter hen. Nauwelijks dacht Marius er aan, dat Cosette een vader had. De bedwelming had in zijn hersens alles uitgewischt. Waarover spraken dan deze gelieven? Men heeft het gezien, over bloemen, over zwaluwen, over de ondergaande zon, over de opgaande maan, over dergelijke gewichtige dingen. Zij hadden elkander alles gezegd, behalve alles. Het alles der minnenden is het niets. Maar de vader, de wezenlijkheid, dat hol, die bandieten, dat avontuur, wat zou dat alles? was het wel zeker dat deze nachtmerrie bestaan had? Zij waren met hun beiden, zij beminden elkander, niets was er meer noodig. Al het overige bestond niet. ’t Is duidelijk, dat deze verdwijning der hel achter ons, onafscheidelijk is van de intrede in het paradijs. Heeft men duivelen gezien? zijn er die? heeft men gebeefd? heeft men geleden? Men weet er niets meer van. Er ligt een rozige wolk over.

Alzoo leefden deze twee wezens in het zeer verhevene, met al de onwaarschijnlijkheid, welke in de natuur is; noch in het toppunt, noch in het voetpunt, tusschen den mensch en den seraf, boven het slijk, onder den ether, in de wolken; nauwelijks vleesch en been, ziel en verrukking van het hoofd tot de voeten, reeds te verhemeld om op aarde te gaan, nog met te veel menschelijks beladen om in het azuur te verdwijnen, zwevende als stofdeeltjes; schijnbaar buiten bereik, onbezorgd om het gisteren, het heden en het morgen; in verrukking, verbleekend, zwevend, soms vluchtig genoeg voor het oneindige; schier gereed voor de eeuwige vlucht.

Zij sliepen wakend in deze dommeling. O heerlijke sluimering van het wezenlijke, geheel in het ideale!

Hoe schoon Cosette ook was, sloot Marius soms de oogen voor haar. Met gesloten oogen aanschouwt men de ziel het best.

Marius en Cosette vroegen zich niet, waarheen dit hen voeren zou. Zij achtten zich reeds aangekomen. ’t Is een zonderlinge begeerte der menschen, te willen, dat de liefde naar iets voeren zal.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings