Terwijl Cosette en vrouw Toussaint slapen.
Reading edition
Jean Valjean ging weder in huis met den brief van Marius. Tastend klom hij de trap op, verheugd over de duisternis, als de uil die zijn prooi wegvoert, opende en sloot weder zacht de deur, luisterde of hij eenig gerucht hoorde, overtuigde zich dat, naar allen schijn, Cosette en vrouw Toussaint sliepen, wilde een zwaveltje aansteken, dat hem echter eenige keeren door het beven zijner hand mislukte, want ’t was hem alsof hij een diefstal pleegde. Eindelijk was de kaars ontstoken; hij zette zich aan de tafel, vouwde het papier open en las.
Bij geweldige aandoeningen leest men niet, men knijpt, men verwoest als ’t ware het papier, dat men in de hand heeft als een offer, men kreukt het, men drukt er vertoornd of verblijd zijn nagels in, men vliegt naar het einde, springt het begin over, de aandacht is koortsachtig, zij begrijpt slechts de hoofdzaak; onnauwkeurig, het wezenlijke; zij hecht zich slechts aan één punt, en al het overige verdwijnt. In het briefje van Marius aan Cosette, zag Jean Valjean slechts deze woorden:
„... Ik sterf. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn.”
Door deze twee regels werd hij als verblind, hij was een oogenblik als verplet door den omkeer van aandoeningen, welke in hem ontstond, als duizelend van verbazing aanschouwde hij het briefje van Marius; de dood van het gehate wezen, dit schitterend uitzicht, vertoonde zich voor zijn oogen.
Heimelijk slaakte hij een afschuwelijken vreugdekreet. ’t Was dus gedaan. De ontknooping was spoediger gekomen dan hij had durven hopen. Het wezen, dat zijn lot hinderde, verdween, uit zich zelf, vrijelijk, ongedwongen, zonder dat hij, Jean Valjean, er iets toe gedaan had; zonder dat het zijn schuld was, ging deze man sterven. Misschien was hij reeds dood.—Hier begon de koorts te berekenen. Neen, hij is nog niet dood. De brief is blijkbaar geschreven om door Cosette eerst den volgenden morgen gelezen te worden; na de beide losbrandingen, welke men tusschen elf uren en middernacht gehoord had, was er niets voorgevallen; de barricade zal niet ernstig worden aangevallen dan met het aanbreken van den dag; maar om ’t even, nu „deze man” aan den krijg heeft deelgenomen, is hij verloren; hij is door het raderwerk gevat.—Jean Valjean gevoelde zich bevrijd. Nu zou hij wederom alleen met Cosette zijn. De mededinging hield op; het verledene nam weder een aanvang. Hij behoefde het briefje slechts te behouden. Cosette zou nooit weten wat van „dien man” geworden was. Hij behoefde de dingen slechts hun loop te laten. Deze man kon niet ontsnappen. Zoo hij nog niet dood is, zal hij toch stellig sterven. Welk een geluk!
Na dit alles binnensmonds gezegd te hebben werd hij somber. Vervolgens ging hij naar beneden en wekte den portier.
Een uur later ging Jean Valjean in de uniform van nationale garde en gewapend uit. De portier had in de buurt gemakkelijk gevonden, wat aan de uitrusting ontbrak. Hij had een geladen geweer en een volle patroontasch. Hij begaf zich naar den kant des Halles.