De hond.
Reading edition
Het was den volgenden dag de 3 Juni, de 3 Juni 1832, een merkwaardige datum, uit hoofde der gewichtige gebeurtenissen, welke destijds boven den horizont van Parijs hingen, in den vorm van met onweer bezwangerde wolken. Marius ging dien dag tegen het vallen van den avond denzelfden weg als den vorigen dag en met dezelfde verrukking in het hart, toen hij tusschen de boomen van den boulevard Eponine zag naderen. Twee dagen achtereen, dat was te veel. Hij keerde haastig om, verliet den boulevard, sloeg een anderen weg in, en ging door de straat Monsieur naar de straat Plumet.
Eponine volgde hem tot aan de straat Plumet, iets dat zij nog niet gedaan had. Zij had zich tot hiertoe tevreden gesteld met hem te zien, wanneer hij over den boulevard ging, zonder dat zij trachtte hem te ontmoeten. Alleen den vorigen dag had zij beproefd hem te spreken.
Eponine volgde hem dus, zonder dat hij het vermoedde. Zij zag hem de tralie van het hek uitnemen en weder inzetten en den tuin binnensluipen.
„Zie,” zeide zij, „hij gaat het huis binnen!”
Zij naderde het hek, bevoelde de tralies de een na de andere, en vond spoedig die, welke Marius den toegang bezorgd had.
Halfluid en met treurige stem prevelde zij:
„Dat niet, Lizette!”
Zij zette zich op het voetstuk van het hek, bezijden de tralie, als om ze te bewaken. ’t Was ter plaatse waar het hek tegen den naastgelegen muur uitkwam, een donkere hoek waar Eponine geheel onzichtbaar was. Zij bleef er langer dan een uur zonder zich te verroeren of gerucht te maken, geheel in haar gedachten verdiept.
Tegen tien uren ’s avonds hoorde een der twee of drie personen, die door de straat Plumet gingen, oude burgerluidjes, die zich verlaat hadden en nu haastig door deze eenzame en slecht befaamde wijk naar huis keerden, toen hij voorbij het hek ging en aan den hoek was gekomen, door het hek en den muur gevormd, een doffe en dreigende stem zeggen:
„’t Zou mij niet verwonderen, zoo hij alle avonden komt!”
De voorbijganger sloeg een blik om zich, zag niemand, waagde het niet in den donkeren hoek te zien en was zeer ontrust. Hij verhaastte zijn schreden.
De man had gelijk zich te haasten, want weinige oogenblikken daarna, slopen zes mannen, op eenigen afstand van elkander gaande, en welke men voor een patrouille had kunnen houden, dicht langs de huizen, in de straat Plumet.
De eerste die aan het tuinhek kwam bleef staan en wachtte de anderen; een oogenblik later waren alle zes vereenigd.
Deze mannen begonnen zacht in de dieventaal te spreken.
„’t Is hier,” zei een hunner.
„Is er een hond in den tuin?” vroeg een andere.
„Ik weet niet. In alle gevalle heb ik een vleeschballetje bij mij, dat wij hem zullen toewerpen.”
„Ja.”
„Het hek is oud,” zei een vijfde, die de stem van een buikspreker had.
„Des te beter,” hernam de tweede, die gesproken had; „het zal dan niet onder de zaag krassen en niet moeilijk zijn door te snijden.”
De zesde, die nog niets gezegd had, onderzocht het hek, evenals Eponine een uur vroeger had gedaan, betastte de eene tralie na de andere en beproefde ze voorzichtig. Eindelijk kwam hij aan de tralie, welke Marius losgewrongen had. Toen hij deze tralie greep, kwam eensklaps een hand uit de schaduw en viel op zijn arm. Terzelfder tijd voelde hij zich hevig tegen de borst geduwd en een schorre stem zeide hem, zonder te schreeuwen:
„Er is een hond.”
En hij zag een bleek meisje voor zich staan.
De man gevoelde dien schrik, welken het onverwachte steeds veroorzaakt. Hij richtte zich verwilderd op; niets is zoo afschuwelijk als het gezicht van een wild dier, dat schrikt. Hij deinsde achteruit en stamelde:
„Wie is die deern?”
„Uw dochter.”
’t Was inderdaad Eponine, die tot Thénardier sprak.
Bij de verschijning van Eponine waren de vijf anderen, namelijk Claquesous, Gueulemer, Babet, Montparnasse en Brujon zachtkens genaderd, zonder overijling, zonder een woord te spreken, met de heillooze behoedzaamheid, die dezen mannen van den nacht eigen is.
Men kon in hun handen afschuwelijke werktuigen onderscheiden. Gueulemer had een soort van kromme tang in de hand.
„Wat doet ge hier? Wat wilt ge? Zijt ge dol?” riep Thénardier, zoo luid als men, zacht sprekende, zeggen kan. „Waarom wilt ge ons in ons werk hinderen?”
Eponine lachte en viel hem om den hals:
„Ik ben hier, vadertje, wijl ik er ben. Is het tegenwoordig niet geoorloofd op de steenen te gaan zitten? Gij moest eigenlijk niet hier zijn. Wat doet ge hier, wijl het een beschuit is? Ik had aan Magnon gezegd, dat er niets te maken is. Maar geef mij nu een kus, goed, lief vadertje. Hoe lang is ’t wel geleden, dat ik u niet gezien heb! Ge zijt er dus uit?”
Thénardier poogde zich uit de armen van Eponine los te maken, en bromde:
„Goed, goed. Ge hebt mij gekust. Ja, ik ben er uit. Ik ben er niet in. Maar ga nu.”
Eponine liet hem echter niet los en verdubbelde haar liefkoozingen.
„Hoe hebt ge het toch aangelegd, vadertje? Ge moet wel heel slim zijn geweest om er uit te komen. Vertel het mij. En moeder? Waar is moeder? Geef mij toch eenig bericht van moeder.”
Thénardier antwoordde:
„Zij is wel; ik weet niet; laat mij met rust; ik zeg u dat ge moet heengaan.”
„Nu wil ik niet gaan,” zei Eponine met het gebaar van een bedorven kind; „ge zendt mij weg, hoewel ’t vier maanden geleden is dat ik u niet gezien heb en ik nauwelijks den tijd heb gehad u te kussen.”
„O, ’t is waarachtig dom,” zei Babet.
„Haast u,” zei Gueulemer, „de patrouille kan voorbij komen.”
De buikspreker neuriede:
„Wij hebben nu geen nieuwe jaar,
Om pa en ma te kussen.”
Eponine wendde zich tot de vijf bandieten.
„Zie, ’t is mijnheer Brujon.—Goeden avond, mijnheer Babet.—Dag, mijnheer Claquesous.—Herkent ge mij niet, mijnheer Gueulemer?—Hoe gaat het, Montparnasse?”
„Of men u herkent!” zei Thénardier. „Maar maak voort met uw goedendag, goedenavond! laat ons met rust.”
„’t Is nu het uur der vossen en niet der kippen,” zei Montparnasse.
„Ge ziet wel, dat wij hier werken moeten,” voegde Babet er bij.
Eponine nam de hand van Montparnasse.
Deze zeide: „Wees voorzichtig, ge zult u snijden, ik heb een open mes.”
„Mijn lieve Montparnasse,” antwoordde Eponine heel zacht, „men moet de menschen vertrouwen. Ik ben misschien toch wel de dochter van mijn vader. Mijnheer Babet, mijnheer Gueulemer, men heeft mij gelast de zaak te onderzoeken.”
’t Verdient opmerking, dat Eponine geen dieventaal sprak. Sinds zij Marius kende, was haar deze leelijke taal onmogelijk geworden.
Zij drukte in haar knokige, zwakke hand, als van een geraamte, de grove ruwe vingers van Gueulemer en hernam:
„Ge weet dat ik niet dwaas ben. Men gelooft mij gewoonlijk. Bij gelegenheid heb ik u een dienst bewezen. Nu, ik heb onderzoek gedaan en ge zoudt u nutteloos aan gevaar blootstellen, weet ge. Ik zweer u, dat er in dit huis niets te maken is.”
„Er zijn alleen vrouwen in,” zei Gueulemer.
„Neen. De lieden zijn verhuisd.”
„De kaarsen ten minste niet!” zei Babet.
En hij wees Eponine door de toppen der boomen heen een licht, dat zich voor het zoldervenster van het huis bewoog. ’t Was vrouw Toussaint, die op was gebleven om linnen te drogen te hangen.
Eponine deed een laatste poging.
„Nu,” zeide zij, „’t zijn zeer arme lieden en ’t is een krot, waarin geen cent te vinden is.”
„Loop naar den duivel!” riep Thénardier. „Zoodra wij het huis van den kelder tot den zolder doorzocht hebben, zullen wij u zeggen wat er in is, en of het francs, sous of centimes zijn.”
En hij duwde haar weg, om voort te gaan.
„Mijn goede, lieve vriend Montparnasse,” zei Eponine, „gij, die een goede jongen zijt, ik bid u, ga niet binnen.”
„Wees voorzichtig, ge zult u snijden!” antwoordde Montparnasse.
Thénardier hernam op dien beslissenden, hem eigenaardigen toon:
„Maak dat ge weg komt, meisje, en laat de lieden hun zaken verrichten.”
Eponine liet de hand van Montparnasse los, welke zij weder gevat had, en zeide:
„Ge wilt dan dit huis binnengaan?”
„Even!” zei de buikspreker met een grijnslach.
Toen plaatste zij zich met den rug tegen het hek, bood het hoofd aan zes gewapende bandieten, aan wie de nacht wezenlijke duivelsgezichten gaf, en zeide met vaste, doch zachte stem:
„En ik zal ’t niet toestaan.”
Zij bleven versteld staan. De buikspreker echter lachte voort. Zij hernam:
„Luistert, vrienden! Dat is het niet. Nu spreek ik. Vooreerst, zoo ge den tuin binnengaat, zoo ge dit hek aanraakt, schreeuw ik, klop aan de deuren, wek de menschen, ik laat u alle zes vatten en roep de stadssergeanten.”
„Zij zou het wezenlijk doen,” zei Thénardier zacht tot Brujon en den buikspreker.
Zij richtte het hoofd op en voegde er bij:
„Met mijn vader te beginnen!”
Thénardier naderde.
„Niet zoo dicht bij mij, goede man!” zeide zij.
Hij trad achteruit, binnensmonds brommende: „Maar hoe heb ik ’t met haar?” en hij liet er op volgen:
„Teef.”
Zij lachte op vreeselijke wijze:
„Zeg wat ge wilt, maar ge komt niet binnen. Ik ben geen jong van een hond, maar van een wolf. Ge zijt met u zessen, ’t is mij onverschillig! Ge zijt mannen; nu, ik ben een vrouw. Ge kunt mij geen vrees aanjagen, weet ge. Ik zeg u, dat ge dit huis niet zult binnengaan, omdat ik dit niet verkies. Zoo ge nader komt, blaf ik. Ik heb ’t u gezegd, dat ik de hond ben. Ik lach u uit. Gaat weg, ge verveelt mij. Gaat waarheen ge wilt, maar komt niet hier, ik verbied het u. Ge hebt messen, ik heb mijn klomp, ’t is mij om ’t even; nadert dus, als ge durft!”
Zij trad vreeselijk tartend op de bandieten toe, en hernam lachend: „Voor den drommel, ik ben niet bang. Des zomers kan ik honger, des winters kou lijden. Die domme kerels zijn koddig; te gelooven, dat zij een meisje bang kunnen maken. Waarvoor zou ik bang zijn? Wijl ge lafhartige minnaressen hebt, die zich onder het bed verbergen, zoodra ge de stem verheft; is ’t zoo niet? Ik ben voor niets bevreesd!” Zij sloeg een vasten blik op Thénardier en voegde er bij: „Zelfs niet voor u, vader.”
Toen hernam zij, haar bloedige spookachtige oogen over de bandieten latende gaan:
„Wat geef ik er om, of men mij morgen in de straat Plumet opraapt, door den dolk van mijn vader vermoord, of dat men mij binnen een jaar in de netten van Saint Cloud of bij het Zwaneneiland tusschen oud verrot hout en verdronken honden vindt!”
Zij was gedrongen op te houden, daar zij door een drogen hoest werd overvallen, die haar adem reutelend uit haar enge, zwakke borst deed hijgen.
Zij hernam:
„Ik behoef slechts te schreeuwen en men ijlt toe. Gij zijt met uw zessen; ik ben alleen.”
Thénardier wilde haar naderen.
„Nader niet!” riep zij.
Hij stond stil en zeide op zachten toon:
„Nu, ik zal niet naderen; maar spreek zoo luid niet, mijn kind. Ge wilt ons dus beletten te werken? Wij moeten toch iets verdienen om van te leven. Ge hebt dus geen vriendschap meer voor uw vader?”
„Ge verveelt mij,” zei Eponine.
„Wij moeten toch leven, eten...”
„Krepeer!”
Dit gezegd hebbende, zette zij zich op het voetstuk van het hek en neuriede:
Mon bras si dodu,
Ma jambe bien faite,
Et le temps perdu.
Zij liet haar elleboog op de knie en haar kin op haar hand rusten, terwijl zij onachtzaam met haar been schommelde. Door haar gescheurd kleed kon men haar magere schouderbladen zien. De naaste straatlantaarn bescheen haar gezicht en gestalte. Men kon niets stoutmoedigers en zonderlingers aanschouwen.
De zes moordenaars, verwonderd en wrevelig, dat zij door een meisje werden tegengehouden, traden in de schaduw achter de lantaarn en raadpleegden, terwijl zij vernederd en verwoed de schouders ophaalden.
Zij beschouwde hen met een kalmen, woesten blik.
„Zij moet een of andere reden hebben,” zei Babet. „Zou zij verliefd zijn op den hond? ’t Is toch jammer, dat wij de zaak moeten opgeven. Twee vrouwen, een oude kerel, die op een achterplaats woont; er zijn fraaie gordijnen voor de vensters. De oude is gewis een jood. Ik geloof, dat ’t een goede zaak was.”
„Nu, gaat dan binnen,” riep Montparnasse; „doet de zaak; ik zal hier bij het meisje blijven, en zoo zij durft...”
Hij liet in het licht der lantaarn zijn mes glinsteren, dat hij open in zijn mouw had.
Thénardier zeide niets en scheen tot alles bereid.
Brujon, die min of meer voor orakel diende, en, zooals men weet, de zaak aan de hand had gedaan, had nog niet gesproken. Hij scheen in gedachten verdiept. Men wist, dat hij voor niets terugdeinsde en eens, alleen voor de bluf, een politiepost beroofd had. Bovendien maakte hij verzen en liedjes, ’t geen hem een hoog aanzien gaf.
Babet vroeg hem:
„Zegt gij niets, Brujon?”
Brujon zweeg nog een oogenblik, toen schudde hij het hoofd op verschillende wijzen en besloot eindelijk te spreken.
„Luistert,” zeide hij, „ik heb van morgen twee vechtende musschen ontmoet; van avond ben ik een twistende vrouw tegen gekomen. Dat alles is kwaad. Laat ons heengaan.”
Zij gingen.
Voortgaande mompelde Montparnasse:
„Om ’t even; zoo men gewild hadde, zou ik gaarne mijn mes hebben gebruikt.”
Babet antwoordde:
„Ik niet. Ik dood geen vrouw!”
Op den hoek van de straat hielden zij stil en wisselden deze raadselachtige woorden:
„Waar zullen wij van nacht slapen?”
„Onder Pantin.” (Parijs.)
„Hebt gij den sleutel van het hek bij u, Thénardier?”
„Zeker.”
Eponine, die hen niet uit het oog verloor, zag hen den weg inslaan, dien zij gekomen waren. Zij stond op en sloop hen langs de muren en de huizen na, en volgde hen tot op den boulevard. Daar scheidden zij en zij zag de zes mannen in de duisternis verdwijnen en er zich als in oplossen.