← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Gavroche, een diepzinnig berekenaar der afstanden.

Reading edition

Marius hield zijn woord. Hij drukte een kus op het bleeke voorhoofd, dat met een koud zweet was bepareld. ’t Was geen ontrouw jegens Cosette; ’t was het ernstig en teeder afscheid van een ongelukkige ziel.

Niet zonder eene heimelijke siddering had hij den brief genomen, dien Eponine hem gegeven had. Hij had terstond iets gewichtigs vermoed. Hij was ongeduldig om hem te lezen. Zoo is het menschelijk hart; nauwelijks had het ongelukkig meisje de oogen gesloten, of Marius dacht er aan den brief te openen. Hij liet haar zacht op de aarde glijden en verwijderde zich. Iets zeide hem, dat hij dien brief niet in de tegenwoordigheid van dat lijk mocht lezen.

Hij trad naar een kaars in het beneden vertrek. ’t Was een met de netheid der vrouwen toegevouwen en verzegeld briefje. Het adres was van een vrouwenhand en luidde:

„Aan mijnheer, den heer Marius Pontmercy, ten huize van den heer Courfeyrac, straat Verrerie, No. 16.”

Hij brak het briefje open en las:

„Mijn zeer geliefde! Mijn vader wil, helaas! dat wij terstond vertrekken. Van avond zullen wij in rue de l’Homme-Armé No. 7 zijn. Binnen acht dagen zijn wij te Londen.—Cosette, 4 Juni.”

Zoo onschuldig was deze liefde, dat Marius zelfs Cosettes handschrift niet kende.

Wat gebeurd was, kan in weinige woorden verhaald worden. Eponine had alles gedaan. Na den avond van den 3 Juni had zij een tweevoudige gedachte: de plannen van haar vader en de bandieten op het huis in de straat Plumet te verijdelen, en Marius van Cosette te scheiden. Zij had haar lompen verruild met die van den eersten den besten jongen snaak, die er vermaak in vond zich als vrouw te kleeden, terwijl Eponine zich als man verkleedde. Zij was het, die op het Marsveld aan Jean Valjean deze uitdrukkelijke waarschuwing had gegeven: „verhuis.” Jean Valjean was inderdaad naar huis gekeerd en had aan Cosette gezegd: „Wij vertrekken van avond en gaan met vrouw Toussaint naar de rue de l’Homme-Armé. In de volgende week zullen wij te Londen zijn.” Door dien onverwachten slag verpletterd had Cosette haastig aan Marius een paar regels geschreven. Maar hoe ze op de post te bezorgen. Zij ging niet alleen uit, en vrouw Toussaint zou, verwonderd over zulk een boodschap, stellig den brief aan mijnheer Fauchelevent hebben vertoond. In deze verlegenheid had Cosette door het hek heen Eponine gezien, die in manskleederen om den tuin zwierf. Cosette had „dien jongen werkman” geroepen, hem vijf francs en den brief gegeven, zeggende: „breng dien brief dadelijk aan het adres.” Eponine had den brief in haar zak gestoken. Den volgenden dag, den 5 Juni, was zij naar Courfeyrac gegaan, en had naar Marius gevraagd, niet om hem dezen brief ter hand te stellen, maar om iets te doen, ’t welk ieder jaloersch en beminnend hart zal begrijpen, om „te zien.” Daar had zij Marius, of ten minste Courfeyrac, gewacht—altijd om te zien.—Toen Courfeyrac haar had gezegd: wij gaan naar de barricade, was haar een denkbeeld in ’t hoofd gekomen: zich aan dien dood over te geven, zooals zij zich aan ieder anderen dood zou hebben overgegeven, en er Marius in te storten. Zij was Courfeyrac gevolgd, zij had kennis genomen van de plaats waar de barricade werd opgericht; en, overtuigd, dat Marius, die geen bericht had ontvangen en wiens brief zij had onderschept, tegen den avond zich naar de gewone vereenigingsplaats van elken avond zou begeven, was zij naar de straat Plumet gegaan, had er Marius gewacht en hem in naam zijner vrienden de oproeping gedaan, die, zoo zij meende, hem naar de barricade moest voeren. Zij rekende op de wanhoop van Marius, wanneer hij Cosette niet vond; zij bedroog zich niet. Toen was zij naar de straat Chanvrerie wedergekeerd. Men heeft gezien, wat zij er deed. Zij was gestorven met die treurige blijdschap der jaloersche harten, welke het beminde wezen in hun dood medesleepen, en die zeggen: niemand zal hem hebben!

Marius bedekte Cosettes brief met kussen. Zij beminde hem dus! Een oogenblik dacht hij, dat hij nu niet meer moest sterven. Maar toen zeide hij tot zich zelven: „Zij vertrekt. Haar vader voert haar mede naar Engeland, en mijn grootvader weigert mij te laten trouwen. Niets is in het ongelukkige lot veranderd.” Peinzers als Marius hebben zulke vlagen van diepe zwaarmoedigheid, waaruit wanhopige besluiten ontstaan. De last des levens wordt ondragelijk; de dood maakt er een spoedig einde aan. Toen dacht hij, dat hij twee plichten had te vervullen: Cosette van zijn dood kennis geven en haar een laatst vaarwel zenden, en den armen knaap, Eponines broeder en Thénardiers zoon, uit het dreigende gevaar, dat naderde, redden.

Hij had een portefeuille bij zich; dezelfde welke het boekje had bevat, waarin hij zooveel liefdesgedachten voor Cosette geschreven had. Hij scheurde er een blaadje uit en schreef met potlood deze weinige regels:

„Ons huwelijk was onmogelijk. Ik heb mijn grootvader verzocht, hij heeft geweigerd; ik ben zonder fortuin, gij insgelijks. Ik ijlde tot u, maar vond u niet meer; gij weet welk woord ik u gegeven heb, ik houd het. Ik sterf. Ik bemin u. Wanneer gij dit leest, zal mijn ziel bij u zijn en tot u lachen.”

Niets hebbende om den brief te verzegelen, vouwde hij hem slechts in vieren en schreef er dit adres op:

„Aan mejuffrouw Cosette Fauchelevent, ten huize van den heer Fauchelevent, rue de l’Homme-Armé No. 7.”

Na den brief dichtgevouwen te hebben, bleef hij een oogenblik in gedachten, nam weder zijn portefeuille, opende ze en schreef met hetzelfde potlood op de eerste bladzijde deze vier regels:

„Ik heet Marius Pontmercy. Men brenge mijn lijk bij mijn grootvader, den heer Gillenormand, straat Filles-du-Calvaire, No. 6, au Marais.”

Hij stak de portefeuille weder in zijn rokzak, en riep Gavroche. Op de stem van Marius ijlde de straatjongen bereidvaardig en vroolijk toe.

„Wilt ge iets voor mij doen?”

„Alles,” zei Gavroche. „Mijn lieve Hemel, zonder u was ik om zeep geweest.”

„Ge ziet dezen brief?”

„Ja.”

„Neem hem. Verlaat dadelijk de barricade (Gavroche begon, verontrust, zich achter ’t oor te krabben) en bezorg hem morgenochtend aan ’t adres, aan mejuffrouw Cosette, ten huize van den heer Fauchelevent, rue de l’Homme-Armé No 7.”

De moedige knaap hernam:

„Heel gaarne! Maar men zal intusschen de barricade innemen, en ik zal er niet bij zijn.”

„De barricade zal volgens alle waarschijnlijkheid niet eerder dan met het aanbreken van den dag aangevallen en niet voor morgen-middag ingenomen worden.”

Inderdaad lieten de aanvallers de barricaden nog altijd met rust. ’t Was een dier pauzen, die in nachtelijke gevechten niet zeldzaam zijn, en die steeds door te geweldiger aanvallen gevolgd worden.

„Zoo ik uw brief nu morgenochtend bracht?” zei Gavroche.

„Dan zal het te laat zijn. Vermoedelijk zal de barricade belegerd en zullen alle straten bewaakt worden, zoodat gij niet meer weg zoudt kunnen komen. Ga dadelijk.”

Gavroche wist niets hierop te antwoorden; hij bleef, besluiteloos en treurig zijn oor krabbende, staan. Eensklaps nam hij met een zijner eigenaardige bewegingen, den brief.

„’t Is goed,” zeide hij.

Toen liep hij ijlings door de straat Mondétour.

Een gedachte, die bij Gavroche was ontstaan, maar welke hij verzweeg, uit vrees dat Marius er tegenwerping op zou maken, bracht hem tot een besluit. Deze gedachte was:

„’t Is nauwelijks middernacht; de rue de l’Homme-Armé is niet ver, ik ga dadelijk den brief bezorgen en zal bijtijds terug zijn.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings