← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Marius keert in zooverre tot de werkelijkheid terug, dat hij aan Cosette zijn adres geeft.

Reading edition

Terwijl deze soort van hond met menschelijk gezicht voor het hek de wacht hield en de zes bandieten voor een meisje terugtrokken, was Marius bij Cosette.

Nooit was de hemel meer gesternd en schooner geweest, nooit hadden de boomen zoo geritseld, de planten zoo gegeurd, nooit waren de vogels met zoeter geruisch in het loof ingeslapen, nooit was de harmonie der natuur beter met de inwendige muziek der liefde in overeenstemming geweest; nooit had zich Marius opgetogener, verrukter, gelukkiger gevoeld. Maar hij had Cosette treurig gevonden. Cosette had geschreid. Zij had roode oogen.

’t Was de eerste wolk van dien bekoorlijken droom.

Het eerste woord van Marius was geweest:

„Wat deert u?”

En zij had geantwoord:

„Luister.”

Toen had zij zich op de bank bij de stoep gezet en terwijl hij bevend aan haar zijde plaats nam, vervolgde zij:

„Mijn vader heeft mij van morgen gezegd, dat ik mij gereed moest houden, dat hij zaken had en wij misschien zouden vertrekken.”

Marius beefde van het hoofd tot de voeten.

Wanneer men aan het einde des levens is, heet sterven vertrekken; wanneer men aan het begin ervan is, heet vertrekken sterven.

Sedert zes weken nam Marius allengs, trapswijze, iederen dag meer en meer bezit van Cosette. Een ideaal, maar volkomen bezit. Zooals wij reeds hebben verklaard, heeft in de eerste liefde de ziel veel meer deel dan het lichaam; later neemt het lichaam meer deel dan de ziel; somtijds blijft de ziel geheel vreemd; de Faublas en Prudhommes zeggen: omdat er geen ziel is; maar gelukkig is deze spotternij een lastering. Marius dus bezat Cosette, zooals geesten bezitten; maar hij omhulde haar met zijn geheele ziel en was ijverzuchtig met ongelooflijke overtuiging. Hij bezat haar glimlach, haar adem, haar geur, de diepe schittering harer blauwe oogen, de zachtheid van haar huid, wanneer hij haar hand raakte, het bekoorlijk teeken aan haar hals, al haar gedachten. Zij hadden beloofd niet te slapen, zonder aan elkaar te denken; en zij hadden woord gehouden. Hij bezat dus alle droomen van Cosette. Hij aanschouwde haar steeds en raakte soms met zijn adem het korte haar, dat zij in den nek had, en verklaarde dat er geen dier haartjes was, ’t welk hem niet behoorde. Hij aanschouwde en aanbad wat zij droeg, haar strikken, haar handschoenen, haar manchetten, haar laarsjes, als heilige voorwerpen waarvan hij de meester was. Hij meende, dat hij de heer was dier fraaie schildpadden kammen, welke zij in ’t haar had, en zelfs zeide hij bij zich zelven—als een gesmoorde en zachte stameling van den wellust die zich openbaarde—dat er geen koordje van haar kleed, geen maas harer kousen, geen plooi van haar corset was, dat hem niet behoorde. Naast Cosette gevoelde hij zich bij zijn goed, bij zijn eigendom, bij zijn despoot en bij zijn slaaf. Het scheen hem, dat hun zielen zoodanig vermengd waren, dat het onmogelijk zou geweest zijn ze nauwkeurig te scheiden, zoo ieder de zijne had willen terugnemen.—Dit is de mijne.—Neen, ’t is de mijne.—Ik verzeker u dat ge u, bedriegt. Ik ben ’t.—Wat ge als u zelven beschouwt ben ik.—Marius was iets dat tot Cosette, en Cosette iets dat tot Marius behoorde. Marius voelde Cosette in zich leven. Cosette te hebben, te bezitten, was voor hem hetzelfde als te ademen. ’t Was te midden van dit geloof, van deze bedwelming, van dit maagdelijk, ongehoord, volstrekt bezit, van deze souvereiniteit, dat deze woorden: „Wij gaan misschien vertrekken,” eensklaps nedervielen, en de ruwe stem der werkelijkheid hem toeriep: Cosette behoort u niet!

Marius ontwaakte. Sedert zes weken leefde Marius, zooals wij gezegd hebben, buiten het leven; dit woord: vertrekken! deed er hem ruw in terugkeeren.

Hij vond geen woorden. Cosette gevoelde slechts, dat zijn hand zeer koud was. Zij zeide van haar kant tot hem:

„Wat deert u?”

Hij antwoordde zoo zacht, dat Cosette hem nauwelijks hoorde:

„Ik begrijp niet, wat gij gezegd hebt.”

Zij hernam:

„Hedenmorgen zeide mij mijn vader, dat ik al mijn goed in orde moest brengen en mij gereed houden; dat hij mij zijn linnengoed zou geven om het in een koffer te pakken; dat hij verplicht was een reis te doen; dat wij zouden vertrekken; dat er een groote koffer voor mij en een kleine voor hem moest zijn; dat dit alles in een week gereed moest wezen, en wij misschien naar Engeland zouden gaan.”

„Maar dit is verschrikkelijk!” riep Marius.

’t Is zeker, dat op dit oogenblik, in de schatting van Marius, geen misbruik van gezag, geen gewelddadigheid, geen schandelijkheid der grootste dwingelanden, geen daad van Busiris, van Tiberius of van Hendrik VIII, in wreedheid en willekeur, gelijk stond met die van den heer Fauchelevent, welke zijn dochter mede naar Engeland nam, omdat hij er zaken had.

Met flauwe stem vroeg hij:

„En wanneer zult ge vertrekken?”

„Hij heeft niet gezegd wanneer!”

„En wanneer zult ge terugkomen?”

„Hij heeft niet gezegd wanneer.”

Marius stond op en zeide koel:

„Zult ge gaan, Cosette?”

Cosette sloeg haar schoone oogen vol droefheid op hem en antwoordde als in verwarring:

„Waarheen?”

„Naar Engeland? zult ge gaan?”

„Wat zal ik doen?” zeide zij de handen wringende.

„Ge zult dus gaan?”

„Zoo mijn vader gaat.”

„Ge zult dus gaan?”

Cosette nam de hand van Marius en drukte die zonder te antwoorden.

„’t Is goed,” zei Marius. „Ik zal dan ergens anders gaan.”

Cosette voelde den zin van dit woord, meer nog dan zij het begreep. Zij verbleekte zoodanig, dat haar gelaat in de duisternis wit werd. Zij stamelde:

„Wat bedoelt ge?”

Marius staarde haar aan en toen langzaam zijn oogen ten hemel richtende, antwoordde hij:

„Niets.”

Toen hij de oogen weder nedersloeg, zag hij Cosette tot hem glimlachen. De glimlach van een vrouw, die men bemint, heeft een glans, welken men des nachts ziet.

„Hoe dom zijn wij! Marius, daar valt mij iets in.”

„Wat?”

„Ga ook op reis, zooals wij op reis gaan! ik zal u zeggen waarheen! Kom bij mij, waar ik ook wezen mag!”

Nu was Marius als geheel uit den droom ontwaakt. Hij was tot de werkelijkheid teruggekeerd. Hij zeide tot Cosette:

„Met u reizen! zijt ge dwaas! Daartoe is geld noodig en dit heb ik niet. Naar Engeland gaan? Maar ik ben, ik weet niet juist, aan Courfeyrac, een mijner vrienden dien gij niet kent, reeds meer dan tien louis schuldig. Ik heb een ouden hoed, die geen drie francs waard is, ik heb een rok waaraan van voren de knoopen ontbreken; mijn overhemd is versleten, mijn ellebogen steken door de mouwen, mijn laarzen zijn lek; sedert zes weken denk ik hier niet meer aan, en ik heb ’t u niet gezegd. Ik ben een arme drommel, Cosette. Gij ziet mij slechts des nachts, en schenkt mij uw liefde; maar zoo ge mij des daags zaagt, zoudt ge mij een aalmoes geven. Naar Engeland reizen! Ik bezit zoo veel niet, om een pas te betalen.”

Hij wierp zich tegen een boom en stond zoo met beide armen boven zijn hoofd, met het voorhoofd tegen den stam, terwijl hij noch het hout voelde dat zijn vel schramde, noch de koorts welke in zijn hersenen klopte, bewegingloos, op ’t punt neêr te zinken, als het beeld der wanhoop!

In deze houding bleef hij een geruime poos. Eeuwig zou men in zulk een afgrond kunnen blijven.

Eindelijk keerde hij zich om. Hij hoorde achter zich een zacht, gesmoord en treurig gerucht.

’t Was Cosette, die snikte.

Zij weende langer dan twee uren, nabij Marius die peinsde.

Hij naderde haar, viel op zijn knieën en zich langzaam buigende, nam hij de punt van haar voet die van onder haar kleed kwam en kuste ze.

Zwijgend liet zij hem begaan. Er zijn oogenblikken, dat de vrouw, als een sombere en berustende godin, de hulde der liefde aanneemt.

„Ween niet,” zeide hij.

Zij lispelde:

„Omdat ik misschien moet vertrekken, en gij mij niet volgen kunt!”

Hij hernam:

„Bemint ge mij?”

Zij antwoordde hem snikkend, dat hemelsche woord, ’t welk nooit bekoorlijker dan in tranen is:

„Ik aanbid u!”

Hij hernam met een stem, die een onuitsprekelijke liefkoozing was:

„Ween niet. Zeg, wilt ge uit liefde voor mij niet meer weenen?”

„Bemint gij mij?” vroeg zij.

Hij nam haar hand:

„Cosette, nooit heb ik mijn woord van eer aan iemand gegeven, wijl mijn woord van eer mij heilig is. Ik gevoel, dat mijn vader aan mijn zijde is. Nu, ik geef u mijn heiligst woord van eer, dat, zoo gij heen gaat, ik sterven zal.”

In den klank, waarmede hij deze woorden sprak, lag zulk een plechtige en kalme weemoed, dat Cosette ervan beefde. Zij gevoelde de kilheid van een treurige waarheid, die voorbijgaat. Van ontroering hield zij op met weenen.

„Luister nu,” zeide hij, „verwacht mij morgen niet.”

„Waarom?”

„Verwacht mij eerst overmorgen.”

„O, waarom?”

„Ge zult zien.”

„Een dag zonder u te zien, dat is onmogelijk.”

„Offeren wij een dag op, om misschien het geheele leven te hebben.”

En Marius voegde er halfluid bij, en als tot zich zelven sprekend:

„’t Is iemand, die niets in zijn gewoonten verandert, en die nooit iemand bij zich laat dan ’s avonds.”

„Van wien spreekt gij?” vroeg Cosette.

„Ik? ik heb niets gezegd.”

„Wat hoopt ge dan?”

„Wacht tot overmorgen.”

„Ge wilt het?”

„Ja, Cosette.”

Zij nam zijn hoofd in haar beide handen, hief zich op de teenen om hem te bereiken, in haar hoop in zijn oogen te lezen.

Marius hernam:

„Gij zult mijn adres moeten weten; er kon iets gebeuren; men weet niet wat; ik woon bij dien vriend, Courfeyrac geheeten, in de straat de la Verrerie No. 16.”

Hij tastte in zijn zak, nam er een pennemes uit, en schreef daarmede op de kalk van den muur: 16. straat de la Verrerie.

Intusschen had zich Cosette weder hersteld, door hem in de oogen te zien.

„Zeg mij, waaraan gij denkt, Marius; gij denkt ergens aan; zeg het mij. Och, zeg het mij, opdat ik gerust kunne slapen.”

„Wat ik denk, luister: dat het onmogelijk is dat God ons zou willen scheiden. Verwacht mij overmorgen.”

„Wat zal ik tot zoolang doen?” zei Cosette. „Gij zijt buiten; ge komt en gaat waarheen ge wilt. Hoe gelukkig zijn de mannen! Ik zal geheel alleen zijn. Ach, hoe treurig zal ik wezen! Wat wilt gij morgenavond doen? zeg het mij.”

„Ik zal iets beproeven.”

„Dan zal ik bidden en intusschen aan u denken, opdat ge moogt slagen. Ik vraag u nu niets meer; omdat ge ’t niet wilt. Ge zijt mijn meester. Ik zal morgen den avond doorbrengen met de Euryanthe te zingen, die gij zoo mooi vindt en waarnaar ge eens op een avond onder mijn vensters geluisterd hebt. Maar overmorgen komt ge vroeg. Ik zal u ’s avonds precies te negen uren wachten; dat zeg ik u. Mijn Hemel, hoe treurig, dat de dagen zoo lang zijn. Gij hoort het, met klokslag van negen zal ik in den tuin zijn.”

„Ik ook.”

Zonder elkander iets te zeggen, door dezelfde gedachten bezield, medegesleept door die electrieke stroomingen, welke twee gelieven in gestadige gemeenschap houden, beiden, zelfs in hun smart, door zaligheid bedwelmd, zonken zij in elkanders armen, zonder op te merken dat hun lippen zich vereenigd hadden, terwijl hun opgeheven oogen, in tranen van verrukking zwemmend, de sterren aanschouwden.

Toen Marius heenging was de straat eenzaam. ’t Was op het oogenblik dat Eponine de bandieten tot op den boulevard volgde.

Terwijl Marius peinzend met het hoofd tegen den boom leunde, was een gedachte in zijn geest ontstaan; een gedachte, helaas, welke hij zelf dwaas en onmogelijk achtte. Hij had een besluit genomen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings