← Table of contents
De Ellendigen (Deel 4 van 5)

Parijs uit de uilenvlucht gezien.

Reading edition

Een wezen, dat op dit oogenblik boven Parijs had gezweefd, met de vlerken van een vleermuis of de vleugels van een uil, zou een somber tafereel onder zijn oogen hebben gehad.

Deze gansche oude wijk des Halles, die als een stad in een stad is, doorsneden van de straten St. Denis en St. Martin, waarin zich duizend stegen kruisen en waarvan de opstandelingen hun vesting en wapenplaats hadden gemaakt, verscheen hem als een ontzaggelijk groote donkere kuil in het midden van Parijs gegraven. Daar verzonk de blik in een afgrond. Wijl de straatlantaarns er stukgeslagen en de vensters gesloten waren, was er alle licht, alle leven, elk gerucht, iedere beweging geweken. De onzichtbare politie van het oproer, namelijk de nacht, waakte alom en handhaafde de orde. Het kleine getal in groote duisternis te hullen, iederen strijder te verdubbelen, door de kansen welke deze duisternis bevat, dit is de noodzakelijke tactiek van den opstand. Bij ’t vallen van den avond had ieder venster, waar licht werd ontstoken, een kogel ontvangen. Het licht werd uitgedaan, soms was de bewoner gedood. Niets bewoog zich dan ook meer. In de huizen was niets dan schrik, rouw, angst; in de straten een soort van heilige ontzetting. Men zag er zelfs niet de lange rijen vensters en verdiepingen, de kanten der schoorsteenen en daken, het onduidelijk schijnsel op de slijkerige, natte straatsteenen.

Het oog, dat uit de hoogte in die donkere massa had geschouwd zou misschien hier en daar op zekere afstanden, onduidelijke lichten hebben gezien, die zonderlinge, afgebroken lijnen deden uitkomen, omtrekken van vreemdsoortige bouwstukken, en als in bouwvallen heen en weder gaande lichten: daar waren de barricaden.

Het overige was een nevelachtig duister, zwaarmoedig, akelig meer, waarboven de sombere, beweginglooze gestalten van den toren St. Jacques en de kerk St. Merry en twee of drie dier groote monumenten zich verhieven, waarvan de mensch reuzen en de nacht schimmen maakt.

In den omtrek van dezen eenzamen en onrustbarenden doolhof, in de wijken waar het Parijsche verkeer niet opgehouden had en nog enkele schaarsche straatlantaarns brandden, had de beschouwer uit de lucht den metaalglans der sabels en bajonetten, het dof gerol der artillerie en het stil gewemel der bataljons, dat met de minuut toenam, kunnen opmerken; een ontzaggelijke gordel, die zich langzaam om het oproer klemde en sloot.

De omsingelde wijk was niets meer dan een soort van vreeselijke spelonk; alles scheen er onbewegelijk of in slaap, en zooals men gezien heeft, heerschte in iedere straat, welke men bereiken kon, slechts duisternis; een beangstigende duisternis, vol hinderlagen, onbekende en schrikkelijke dingen, waar men slechts met angst kon binnendringen en toeven, waar zij, die binnengingen, beefden voor hen die hen wachtten, en dezen voor hen die komen zouden; onzichtbare strijders achter elken hoek der straat verschanst; hinderlagen van het graf in de duisternis des nachts verborgen. Geen ander licht was nu meer te verwachten dan de bliksem der geweren, geen andere ontmoeting dan de ruwe plotselinge verschijning van den dood. Waar? Hoe? Wanneer? Men wist het niet, maar ’t was stellig en onvermijdelijk. Daar, op deze voor de worsteling aangeduide plek, zouden het gouvernement en de opstand, de nationale garde en de volksgenootschappen, de burgerij en het oproer in de duisternis rondwarend elkander ontmoeten. Voor de eenen zoowel als voor de anderen bestond dezelfde noodzakelijkheid. Voortaan was geen andere uitkomst mogelijk dan te overwinnen of te sneven. ’t Was zulk een uiterste toestand, zulk een machtige duisternis, dat de beschroomdsten door moed werden bezield en de vermetelsten met schrik.

Overigens was van weerszijden de woede, de verbittering, de stoutmoedigheid dezelfde. Voor de eenen was vooruitgaan sneven, en niemand dacht er aan terugwijken; voor de anderen was standhouden sneven, en niemand dacht aan vluchten.

Noodzakelijk moest den volgenden dag alles geëindigd zijn, moest de triumf aan deze of aan gene zijde, moest de opstand een revolutie of een oproer zijn. Dit begreep het gouvernement zoowel als de partijen; de geringste burger gevoelde het. Hierdoor ontstond een angstgevoel, ’t welk zich bij de ondoordringbare duisternis dezer wijk mengde, waar alles beslist zou worden; vandaar een vermeerdering van angst rondom deze stilte, waaruit een ontknooping zou ontstaan. Men hoorde er slechts één geluid, hartverscheurend als een doodsgalm, dreigend als een vervloeking,—de alarmklok van Saint-Merry. Niets was ijzingwekkender dan de klank van dit woest, wanhopig gelui, dat in de duisternis jammerde.

Zooals vaak gebeurt, scheen de natuur samen te werken met hetgeen de menschen wilden doen. Niets stoorde de heillooze harmonie van het geheel. De sterren waren verdwenen; zware wolken bedekten den geheelen horizont met haar treurige plooien. Een donkere hemel lag op de doodsche straten, alsof een onmetelijk lijklaken over dit onmetelijk graf was gespreid.

Terwijl een nog geheel politiek gevecht op deze zelfde plek werd voorbereid, die reeds zoovele revolutionnaire gebeurtenissen had gezien, terwijl de jongelingschap, de geheime genootschappen, de scholen, in naam der beginselen, en de middelklasse, in naam der stoffelijke belangen, naderden om elkander aan te vallen, te omstrengelen en neder te werpen; terwijl ieder het laatste en beslissende uur der crisis verhaastte en riep, zoowel binnen als buiten deze noodlottige wijk, in het diepst der onpeilbare holen van dit oude, ellendige Parijs, ’t welk verdwijnt onder den glans van het gelukkige weelderige Parijs, hoorde men dof de sombere stem des volks brommen.

Een vreeselijke, heilige stem, gevormd uit het gebrul van het dier en het woord Gods, die de zwakken verschrikt en de wijzen waarschuwt, die tegelijkertijd van onder komt als de stem van den leeuw, en van boven als de stem des donders.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings