Z.
Reading edition
Zabatus, Ζαβάτος, ook Lycus geheeten, rivier in Assyria, zijtak van den Tigris, ontspringt in de bergen van Armenia.
Zacynthus, Ζάκυνθος, thans Zante, een der Ionische eilanden, in de Ionische zee tegenover Elis gelegen, vruchtbaar en boschrijk (thans niet meer). Het behoorde tot het gebied van Ulysses. Het eiland leverde aardpek. De hoofdstad, ook Zacynthus geheeten, was eene belangrijke plaats.
Zadracarta (plur.), τὰ Ζαδράκαρτα, hoofdstad van het perzische gewest Hyrcania.
Zagreus, Ζαγρεύς, bijnaam van Dionȳsus, waaronder hij in de orphische mysteriën vereerd werd. Hij wordt de zoon van Zeus en Demēter of Persephone genoemd en was door Zeus tot beheerscher van het heelal bestemd, doch Hera zette de Titanen tegen hem op, die hem verscheurden en verslonden. Alleen zijn hart werd door Athēna gered en aan Zeus gebracht, die het verslond en daarna Dionȳsus voortbracht, vlg. Sabazius. De schuldige Titanen werden door den bliksem tot asch verteerd, en uit deze asch, vermengd met het bloed van Zagreus, waren de menschen ontstaan.
Zagrus, Ζαγρός, gebergte tusschen Media ten O. en Susiāna en Assyria ten W. Het noordelijk gedeelte wordt ook Choāthras genoemd.
Ζάκορος = νεωκόρος.
Zaleucus, Ζάλευκος, wetgever der epizephyrische Locriërs, leefde waarschijnlijk in het midden der 7de eeuw. Zijne wetten waren, naar men verhaalde, de eerste die op schrift gebracht werden en hadden evenzeer betrekking op het bizonder leven der burgers als op de staatsregeling.
Zama, bijgenaamd Regia, vesting in de provincie Africa, in het N. van Byzacēne, op de grenzen van Zeugitāna, 4 of 5 dagreizen ten Z.W. van Carthago. In den omtrek werd in den herfst van 202 de beslissende slag tusschen Scipio en Hannibal geleverd.
Zamolxis, Ζάμολξις, Ζάλμοξις, een Gete of Thraciër, wiens geschiedenis met vele verdichtsels doorweven is. Hij was slaaf geweest bij Pythagoras, doch werd door dezen vrijgelaten, reisde door Griekenland, en keerde als een wijs en rijk man naar zijn vaderland terug, waar hij den grondslag legde van godsdienst en hoogere beschaving. Na zijn dood werd hij als daemon vereerd.
Zancle, Ζάγκλη, oude naam van de stad Messāna op Sicilia. Zie Messana.
Zarangae, Ζαράγγαι, bewoners van Drangiāne (z. a.).
Zariaspa (gen. -ae), τὰ Ζαρίασπα, zie Bactra.
Zea, Ζέα, een van de oorlogshavens van den Piraeus, aan de Oostzijde gelegen.
Zeilas, Ζηίλας, Ζήλας, oudste zoon van Nicomēdes I. Daar zijn vader een jongeren broeder als troonopvolger had aangewezen, ging hij naar Armenië, van waar hij na zijn vaders dood terugkwam en zich met geweld van de regeering meester maakte. Hij werd omstreeks 236 bij een feestmaal door gallische soldaten vermoord.
Zela, τὰ Ζῆλα, sterkte in het binnenland van Pontus, ten Z. van Amasēa, met verschillende tempels. Hier behaalde Mithradātes in 67 de overwinning op Lucullus’ legaat Triarius en Caesar in 47 op Pharnaces.
Zelīa of -ēa, Ζέλεια, oude stad in Noord-Phrygia, aan den Aesēpus. Hier trok Darīus III zijn eerste leger tegen Alexander d. Gr. bijeen.
Zeno, Ζήνων, 1) zoon van Polemo no. 4, door de Armeniërs tot koning verkozen en door Germanicus als zoodanig bevestigd.—2) van Elea, geb. omstreeks 490, leerling en vriend van Parmenides, met wien hij naar Athene reisde. V. s. had hij een aanslag tegen een tyran, Nearchus of Diomedon, met den marteldood moeten boeten. Hij verdedigde in verscheiden geschriften, die alle verloren zijn, de eleatische leer door de indirecte bewijsvoering uit het ongerijmde.—3) van Citium, zoon van Mnaseas, geb. 336, v. a. 362. Zijn vader, die koopman was, had ook hem voor den handel bestemd, ofschoon hij reeds vroeg de wijsgeerige geschriften van Xenophon en Plato ijverig bestudeerd had. Toen hij nu op den leeftijd van 22 jaar ten gevolge van een schipbreuk te Athene gekomen was, besloot hij daar te blijven en zich geheel aan de studie der wijsbegeerte te wijden. Hij sloot zich eerst bij Crates, den cynicus, aan, van wiens invloed de oudere werken van Z. talrijke blijken moeten gegeven hebben, wendde zich later tot Stilpo, Xenocrates en Polemo, en trad omstreeks 310 met een eigen leer op, die naar de ποικίλη στοά, de plaats waar hij zijne voordrachten hield, de stoische genoemd wordt. Hij stond te Athene in hoog aanzien, vormde vele leerlingen, en werd van staatswege met een gouden krans, en toen hij in 264 (v. s. door zelfmoord) gestorven was, met een metalen grafteeken en een standbeeld vereerd. Van zijn werken zijn slechts weinige fragmenten tot ons gekomen.—De bron van alle kennis is volgens Z. zinnelijke waarneming; alleen wat zóó waar te nemen is bestaat, terwijl eerst herhaalde waarnemingen ons in staat stellen van het bizondere tot het algemeene te besluiten. Alles bestaat uit twee elementen, die onafscheidelijk met elkander verbonden zijn: stof en kracht. De kracht, die zich in het heelal werkzaam toont, is de godheid. De stof bestaat oorspronkelijk als een zeer fijn vuur, waaruit door verdichting lucht, water en aarde ontstaan, en waarin eens de geheele wereld weder moet opgaan (ἐκπύρωσις), om later opnieuw er uit voort te komen. De ziel is aan het vuur verwant en niet onsterfelijk, hoewel zij langer leeft dan het lichaam. Het hoogste goed is de deugd, die men niet bereikt door bespiegeling, maar door te leven in overeenstemming met de natuur of den goddelijken wil. Deugd alleen is goed in den volsten zin van het woord, evenals de ondeugd slecht is, alle andere dingen zijn onverschillig, hoewel niet alle in gelijke mate. Genot is niet het doel van het leven, maar is van nature met deugdzaam handelen verbonden. De ware wijze is het volmaakste van alle wezens, hij kan zich door deugd zelfs tot de hoogte van Zeus verheffen, hij alleen is vrij, is heer en koning, en kan naar verkiezing ook over zijn leven beschikken.—Vooral onder de Rom., die in 155 door Diogenes den Babyloniër met de stoische leer kennis maakten, vond zij in de laatste tijden der republiek en onder de keizers vele aanhangers.—4) van Tarsus, leerling van Chrysippus en na diens dood hoofd der stoicijnsche school.—5) van Sidon, geb. ± 150, hoofd der epicureïsche school, wiens voordrachten Cicero en Atticus gaarne hoorden.—6) van Rhodus, schrijver eener rhodische geschiedenis, omstreeks 200.
Zenobia, Ζηνοβία, 1) echtgenoote van Odenāthus (z. a.), nam na diens dood in 267 na C. zelve het bewind over Palmȳra in handen als regentes voor hunne twee onmondige zoons. Te midden der verwarring in het rom. rijk, breidde zij haar gebied uit over Syrië, Aegypte, Vóór-Azië, totdat zij in 272 door keizer Aureliānus werd gestuit. Bij Emesa werd de beslissende slag geleverd. Zenobia moest naar Palmyra vluchten, dat belegerd en ingenomen werd (272), zij moest den zegetocht van Aurelianus te Rome opluisteren, doch kreeg vervolgens een landgoed bij Tibur, waar zij met hare kinderen hare verdere dagen sleet. Zij was eene vrouw van zeldzame schoonheid en buitengewone gaven, zij sprak verscheiden talen, o. a. Latijn, Grieksch, Syrisch, Aegyptisch. Zij was een stoute paardrijdster, maar trok ook meermalen mijlen ver te voet aan het hoofd harer troepen op. Vermoedelijk behoorde zij tot het israëlietische geloof.—2) armenische koningsdochter, gehuwd met haar neef Rhadamistus, die den troon van Armenië overweldigd had. Toen in 54 na C. de Parthen onder Vologeses I en Tiridātes Armenia veroverden en Rhadamistus moest vluchten, smeekte zij haar echtgenoot haar te dooden, opdat zij niet in handen der Parthen zou vallen. Rhadamistus bracht haar met zijn zwaard eene wond toe en wierp haar in den Araxes. Zij werd echter door herders gered en viel nu toch in handen van Tiridates, die haar echter met grooten eerbied behandelde.
Zenobius, Ζηνόβιος, grieksch sophist omstreeks 200 na C.; hij schreef eene verzameling spreekwoorden en vertaalde de geschiedenis van Sallustius in het grieksch.
Zenodotus, Ζηνόδοτος, van Ephesus, leermeester der zonen van Ptolemaeus Lagi en onder Ptolemaeus Philadelphus hoofd der bibliotheek van Alexandrië, was een geleerd taalkundige en criticus, die vooral aan Homerus veel studie wijdde.—Nog twee personen van denzelfden naam komen voor als schrijvers van werken over Homerus en zijne gedichten.
Zephyrium, Ζεφύριον, Westkaap, naam van onderscheidene voorgebergten, o. a. 1) een der kapen aan de Z.O. punt van Italië, waarnaar de stad Locri Epizephyrii, die ten N. daarvan ligt, haar naam draagt.—2) aan de Z.W. kust van Cyprus, bij Paphus.—3) in Cilicia bij Soli.—4) in Cyrenaica.—5) in Aegypte.
Zephyrus, Ζέφυρος, de Westenwind, zie Windstreken.
Zerynthus, Ζήρυνθος, stad op de Zuidkust van Thracia, bij Aenus, met een Apollo-tempel en een grot van Hecate in de nabijheid. De stad behoorde tot het vastelandsgebied van Samothrace.
Zetes, Ζήτης, z. Calais.
Ζητηταί, te Athene buitengewone commissarissen, die benoemd werden, wanneer er vermoeden bestond dat een misdaad gepleegd was, zonder dat iemand als aanklager optrad; zij moesten de zaak onderzoeken en haar, wanneer zij daartoe grond vonden, voor den bevoegden rechter brengen. Vooral geschiedde dit, wanneer men vermoedde dat gelden van den staat verduisterd waren.
Zethus, Ζῆθος, tweelingbroeder van Amphīon (z. a.). Geheel verschillend van dezen, was hij ruw van aard en hield hij zich bij voorkeur als jager in de bergen op. Hij was gehuwd met Aēdon (z. a.).
Ζευγῖται, atheensche burgers der derde klasse volgens de indeeling van Solon, zij die jaarlijks van hunne goederen 200–300 medimnen of metreten oogstten. Tot 458 konden zij alleen lagere ambten bekleeden, eerst toen werd ook het archontaat voor hen toegankelijk.
Zeugitāna, Ζευγιτανή, het noordelijk gedeelte der rom. provincie Africa propria.
Zeugma, Ζεῦγμα, stad in het Syrische distrikt Cyrrhestica, aan den Euphraat tegenover Apamēa. Alexander de Gr. had op dit punt eene schipbrug over den stroom geslagen, waardoor Thapsacus (z. a.) als punt van overgang minder gebruikt werd. Aan de syrische zijde dezer brug stichtte Seleucus Nicātor de stad Zeugma.

Zeus van het Vaticaan.
Zeus, Ζεύς, Jupiter, zoon van Cronus en Rhea (Κρονίδης, Κρονίων, Saturnius), de hoogste god der Grieken, beheerscher van het heelal. Van zijne oorspronkelijke beteekenis als natuurgod getuigden in lateren tijd nog de wijze, waarop hij te Dodōna, op Creta, in Arcadië e. e. vereerd werd. Te Dodōna bestond sedert zeer oude tijden een heiligdom van Zeus (Δωδωναῖος, Πελασγικός), met een orakel, dat later wel door het delphische overvleugeld werd, maar toch steeds in hoog aanzien bleef; de god verkondigde daar zijn wil door het ruischen der bladeren van den heiligen eik, dat door zijne priesters, de Selli (z. a.), verklaard werd; zijn dienst was nauw verbonden met dien van Gaea, terwijl Diōne (z. a.) zijne gemalin genoemd werd. Op Creta was de jonge Zeus volgens het verhaal geboren, voor zijn vader verborgen gehouden en door nimfen opgevoed, ook toonde men er zijn graf; ieder jaar werd daar zijn dood en opstanding, zinnebeelden van het jaarlijksche sterven en herleven der natuur, op orgiastische wijze gevierd, waarbij de Cureten wapendansen uitvoerden (z. Rhea Cybele). Hier, evenals in Arcadië, Boeotië en Thessalië werden hem in de oudste tijden menschenoffers gebracht. Maar sedert hij de regeering aan Cronus (z. a.) ontnomen en de Titanen (z. a.) overwonnen heeft, is hij de god, die de orde in natuur en maatschappij in stand houdt, hij troont op den top van den Olympus, die zich tot in de wolken verheft en beheerscht van daar de natuurverschijnselen; als hij de aegis zwaait (αἰγιόχος), verwekt hij storm en onweder (νεφεληγερέτα, κελαινεφής, ὑψιβρεμέτης, ἐρίγδουπος), de bliksem is zijn vreeselijk wapen (τερπικέραυνος, ἀστεροπητής), maar aan den anderen kant jaagt hij ook de wolken uiteen en geeft hij helder weder en gunstigen wind (αἴθριος, οὔριος), de Horen zijn zijne dochters en dienaressen. Onder de menschen staat alles wat voor de heerschappij van orde, wet en recht bevorderlijk kan zijn, onder zijne hoede; hij beschermt het huisgezin (ἑρκεῖος, ἐφέστιος), het huwelijk (γαμήλιος, τέλειος, ζύγιος), den gast (ξένιος) en den hulpbehoevenden vreemdeling (ἱκέσιος), evenals de geheele burgerij (πολιεύς, φράτριος), en de vergaderingen, waarin zij over hare belangen beraadslaagt (ἀγοραῖος, βουλαῖος), hij straft ongerechtigheid (ἀλάστωρ), waakt tegen het schenden van den eed (ὅρκιος), kortom, hij is het die alle kwaad van den mensch afweert (σωτήρ, ἀλεξίκακος); zelfs vergunt hij hem een blik in de toekomst te slaan en verkondigt hij hem zijn wil door orakels, natuurverschijnsels en wonderteekens (πανομφαῖος). Zijne macht is grooter dan die van alle andere goden, en wanneer sommige van hen, zooals vooral zijne zuster en gemalin Hera, zich tegen hem trachten te verzetten, boeten zij dit met zware straffen. Alleen aan de beschikking der Moera is ook hij onderworpen, waar deze hem niet in den weg staat, is hij almachtig. Meer dan van eenig ander god is zijn dienst door geheel Griekenland verbreid (Ἑλλήνιος, Πανελλήνιος), en het groote nationale feest te Olympia wordt ter eere van hem gevierd (Ὀλύμπιος, ἐναγώνιος), bijna ieder deel van Griekenland had als heros een zoon van Zeus, vandaar de verhalen van zijne talrijke minnerijen met sterfelijke vrouwen (Semele, Io, Danaë, Leda, e. a.), en van de vele kinderen bij haar verwekt (Dionȳsus, Heracles, Perseus, Castor en Pollux, enz.). Bij Hera is hij vader van Ares, Hephaestus en Hebe, bij andere godinnen van Apollo, Artemis, Hermes, Persephone, Aphrodīte, de Muzen, de Charites, de Horen en de Moeren; Pallas Athēna is door hem alleen voortgebracht. De arend, de eik en de toppen der bergen zijn hem gewijd. Hij werd afgebeeld als eene krachtige, majestueuze gestalte, met vriendelijke trekken, vollen baard, dicht hoofdhaar, gewelfd voorhoofd en groote oogen. Bovenal beroemd was het door Phidias (z. a.) vervaardigde, tallooze malen nagevolgde, maar nooit geëvenaarde beeld van Zeus te Olympia.
Zeuxidāmus, Ζευξίδαμος, 1) kleinzoon en opvolger van den spartaanschen koning Theopompus (720).—2) vader van Archidāmus II.
Zeuxippus, Ζεύξιππος, Boeotiër, streed onder de Rom. tegen Philippus III van Macedonië. Hij werd uit zijn vaderland verbannen en in weerwil van de bemoeiingen der Rom. niet teruggeroepen.
Zeuxis, Ζεῦξις, 1) veldheer van Antiochus d. G., na den oorlog tegen de Rom. als gezant naar Rome gezonden.—2) van Heraclēa in Italië, een van de beroemdste grieksche schilders, leerling van Apollodōrus (± 400). Hij muntte vooral uit in het schilderen van vrouwenbeelden, bovenal beroemd waren onder zijne werken eene Penelope en eene Helena, die in den tempel van Hera Lacinia opgehangen werd. Z. Parrhasius.
Zipoetes, Ζιποίτης, 1) bithynisch vorst (326–281), die ten tijde van Alexander den Gr. zijn gebied door de onderwerping van verscheiden grieksche koloniën uitbreidde, zich ook tegen Lysimachus en Seleucus staande hield en eindelijk (297) den titel van koning van Bithynië aannam.—2) zoon van den vorigen, trachtte de regeering aan zijn broeder, Nicomēdes I, te ontrukken, maar werd overwonnen en gedood (277).
Zoilus, Ζωίλος, grieksch rhetor van Amphipolis, in de vierde eeuw. Wegens zijne kleingeestige vitterijen op Homerus kreeg hij den bijnaam Ὁμηρομάστιξ.
Zone, Ζώνη, kaap en stad op de Zuidkust van Thracia in het gebied der Cicones.
Zopyrus, Ζώπυρος, 1) zoon van Megabȳzus, een voornaam Pers, diende in het leger van Darīus Hystaspis, toen deze Babylon belegerde. Daar de stad niet genomen konde worden, verminkte Z. zich op gruwelijke wijze, liep toen, onder voorwendsel dat hij door Darius zoo mishandeld was, tot de Babyloniërs over, en nadat hij hierdoor het vertrouwen der inwoners gewonnen had en aan het hoofd van de troepen gesteld was, gaf hij de stad verraderlijk over. Darius beloonde hem door hem levenslang satraap van Babylon te maken, hij werd echter later bij een opstand gedood.—2) kleinzoon van den vorigen, nam deel aan de samenzwering van zijn vader Megabȳzus (no. 2) en vluchtte naar Athene.—3) gelaatkundige, die beweerde dat volgens zijne wetenschap Socrates met verscheiden ondeugden behept moest zijn, wat deze volstrekt niet tegensprak.
Zoroaster, Ζωροάστρης, stichtte in zeer oude tijden den perzischen Ormuzdienst. Sedert de Grieken met zijne leer bekend werden, gold hij dikwijls als de eerste sterrenkundige, sterrenwichelaar en toovenaar.
Zosimus, Ζώσιμος, grieksch geschiedschrijver in de 2de helft der 5de eeuw n. C., schreef eene geschiedenis van den rom. keizertijd, die niet zonder verdiensten is, maar ontsierd wordt door zijne partijdigheid tegen het Christendom en christelijk gezinde keizers.
Zoster, Ζωστήρ = gordelkaap, op de Westkust van Attica, een uitlooper van den Hymettus, met altaren van Athēna, Leto, Apollo, en Artemis.
Ζυγία, bijnaam van Hera als godin van het huwelijk.