S. (continued 2)
Reading edition
Senātus auctoritas, senātus consultum. Een rechtsgeldig senaatsbesluit heet senatus consultum. Het werd op schrift gebracht door den voorzitter, die hierbij bijgestaan werd door eenige senatoren, qui scribendo adfuerunt. Werd een besluit door intercessio getroffen, dan heette het senatus auctoritas; het werd, hoewel het niet voor uitvoering vatbaar was, toch opgeteekend. De intercessio kon uitgeoefend worden door magistraatspersonen, qui eadem potestate qua ii qui senatus consultum facere vellent, maioreve essent, en door de tribuni plebis. Z. ook senatus aan het einde. Een senatus consultum tacitum is een besluit, in eene geheime zitting genomen. Omtrent de senatus auctoritas, vereischt voor wetsvoorstellen in de com. centuriata zie men patres.
Senatus consultum ultimum was de uiterste maatregel, waartoe de senaat overging, wanneer de staat door binnenlandsche onlusten of een buitenlandschen vijand naar zijn meening in gevaar verkeerde. Het was een uitnoodiging aan de in het besluit genoemde ambtenaren, in den vorm videant consules, (enz.) ne quid respublica detrimenti capiat. Zij verzocht hen, op eigen gezag alle naar omstandigheden noodige maatregelen te nemen, die in hun bevoegdheid lagen, zooals vormen van een leger met buitengewone lichtingen, bevelen uitvaardigen aan burgers en bondgenooten, met geweld de rust herstellen, enz. Zie ook hostis iudicatio.
Senātus municipālis. In de rom. municipia had men een gemeenteraad, senatus genoemd, wiens leden decuriones heeten en die ook wel ordo decurionum wordt genoemd. In den regel bestond hij uit 100 leden.
Seneca, familienaam, zie Annaei.
Senecio, familienaam, zie Herennii.
Senogallia = Sena Gallica.
Senones, Σένονες, machtige gallische volksstam aan de Sequana (Seine) in het latere Isle de France en Champagne. Hunne hoofdstad was Agedincum (Sens in Champagne). Een gedeelte van dit volk trok ± 400 de Alpen over naar Italië en stichtte daar aan de Adriatische zee de stad Sena, gewoonlijk Gallica bijgenaamd. Het waren deze Galliërs, die in 390 de Romeinen aan den Allia versloegen en het Capitool belegerden. In 283 werden zij door den consul P. Cornelius Dolabella Maximus verslagen en zoo goed als vernietigd. Z. Ager Gallicus.
Sentia Aelia (lex), zie Aelia Sentia (lex).
Sentii. 1) C. Sentius overwon in 89 als praetor de Thraciërs, na eerst zelf door hen te zijn verslagen.—2) C. Sentius Saturninus, vriend van den jongen Sex. Pompeius, consul in 29, toonde zich uiterst gestreng tegen afpersingen en ambitus. In 7 werd hij stadhouder van Syria en hield toen den census in Iudaea, later (4 en 5 n. C.) was hij legaat van Augustus in Germania.—3) C. Sentius Saturninus, een zoon van no. 2, consul in de eerste helft van het jaar 4 na C., zie Aelia Sentia (lex). In de tweede helft van ditzelfde jaar vindt men als consul suffectus Cn. Sentius Saturninus, die in 19 na C. legaat in Syria was.—4) Sentius Augurīnus, een vriend van Plinius minor.
Sentīnum, Σεντῖνον, versterkte stad in Umbria aan den Aesis. Hier versloegen in 295 de Romeinen de vereenigde Samnieten, Galliërs en Etruscers. Consuls waren toen Q. Fabius Maximus Rulliānus (zie Fabii no. 14) en P. Decius Mus, die volgens het verhaal zich ten doode wijdde.
Sepias, Σηπίας, Z.O. punt van het thessalische landschap Magnesia.
Sepīnum = Saepinum.
Seplasia, eene straat te Capua, met parfumeriewinkels.
Sepphōris, Σεπφωρίς = Diocaesarēa.
Septem aquae, “de 7 meren”, landstreek bij Reāte in het sabijnsche land.
Septempeda, Σεπτέμπεδα, rom. municipium in het N. van Picēnum, op de grens van Umbria.
Septemviri epulōnes, zie epulones.
Septentrio, Ἀπαρκτίας, de Noordenwind, zie Windstreken.
Septimii, rom. geslacht, waarvan in Cicero’s tijd en later eenige leden voorkomen, echter niet belangrijk genoeg voor afzonderlijke vermelding. Aan het einde van de 2de eeuw na C. komt een dichter Septimius Serēnus voor. Zie ook Dictys no. 2.
Septimius Geta, rom. keizer, zie Geta.
Septimius Sevērus, rom. keizer, zie Sevēri.
Septimontium, het zeven-heuvelenfeest, jaarlijks in Dec. te Rome gevierd, oorspronkelijk alleen door dat gedeelte van de bevolking, dat het Septimontium (zie Roma) vormde.
Septizonium, paleis (z. echter ook Nymphēum) door keizer Septimius Severus aan de Z.O. zijde van den Palatinus opgericht. Het had drie verdiepingen kolonnades, elke voorzien van eene kroonlijst, die op de via Appia uitzagen. Paus Sixtus V liet het gebouw afbreken om aan de zuilen een andere bestemming te geven. Ook keizer Titus had een dergelijk gebouw laten oprichten.
Septa = saepta, zie ovile.
Septuaginta, οἱ ἑβδομήκοντα, worden bij verkorting de 72 Joden genoemd, die volgens het verhaal op last van Ptolemaeus Philadelphus te Alexandrië het O.T. in het Grieksch hebben vertaald. Deze vertaling was in de Hellenistisch-Joodsche en in den Oud-Christelijke wereld algemeen in gebruik. De schrijvers van het Nieuwe Testament citeeren deze uitgave, nooit den Hebreeuwschen bijbel. De taal is de Κοινή, maar met belangrijke afwijkingen; men zou dit het Joden-Grieksch kunnen noemen.
Septunx = 7/12 as. Een muntstuk van deze waarde bestond niet.
Sequana, rivier in Gallia, thans Seine.
Sequani, keltisch volk, een der hoofdstammen van Gallia Transalpīna, aan de Westzijde van het Juragebergte, vijanden van de Aeduërs. Hoofdstad: Vesontio (Besançon).
Serapēum, Σεράπειον, Serāpis-tempel. Beroemd was vooral het Serapeum te Alexandrië in Aegypte, met een aanzienlijke bibliotheek, dat in 379 n. C. door Theophilus van Alexandria vernietigd werd.
Serapion, Σεραπίων, 1) van Alexandrië, stichter eener empirische geneeskundige school, omstreeks 220.—2) van Antiochië, beroemd wiskundige en aardrijkskundige, waarschijnlijk tijdgenoot van Eratosthenes no. 2.
Serāpis, Σάραπις, een god, wiens beeld door Ptolemaeus I naar aanleiding van een droomgezicht uit Sinōpe gehaald werd en wiens eeredienst hij in Aegypte invoerde. Hij werd beschouwd als eene vereeniging van Osīris en Apis, als een god der afgestorven zielen, heer van gezondheid en ziekte. Zijn dienst vond ook ingang bij de Grieken en Rom., die hem met Zeus, Hades of Asclepius vereenzelvigden.
Serbouis lacus, Σερβωνὶς λίμνη, een langgestrekt, ondiep zoutmeer ten O. van Aegypte langs de kust, in Casiōtis. Daarvóór lag de Casius mons (z. Casius no. 1), en ten W. Pelusium, de grensvesting van Aegypte.
Serdica, Σερδική, aanzienlijke stad in het N.O. van Thracia, nabij de grenzen van Moesia en Dardania, in de bergstreek, waar de Scomius zich van den Haemus afscheidt. Tgw. Sophia. Sedert Diocletiānus behoorde dit gedeelte van Thracia, als Dacia mediterranea, tot de Praefectura Illyricum. Attila verwoestte de plaats, die echter weder werd opgebouwd.
Serēnus Sammonicus (Q.), geleerde onder de regeering van Septimius Sevērus en Caracalla, die een groote bibliotheek had; op last van den laatstgenoemde werd hij ter dood gebracht. Zijn zoon, die den zelfden naam droeg, schreef als leek een receptenboek in hexameters, dat tot de lievelingslektuur van Alexander Severus behoorde, en nog in de middeleeuwen veel werd gelezen.
Seres, bewoners van Serica (z. a.).
Sergestus, een van de tochtgenooten van Aenēas, door de rom. Sergii als hun stamvader beschouwd.
Sergii, aanzienlijk patricisch geslacht. 1) L. Sergius Fidēnas, consul in 437, verwierf zich zijn cognomen door zijne zegepraal op de Fidenaten en Vejenten.—2) M. Sergius, krijgstribuun in 205, ging met zijn ambtgenoot P. Matiēnus de schandelijke roofzucht der rom. bezetting te Locri Epizephyrii te keer en werd hiervoor door den rom. propraetor Q. Pleminius onder allerlei martelingen ter dood gebracht.—3) M. Sergius Silus, overgrootvader van no. 5, onderscheidde zich door moed in den tweeden punischen oorlog.—4) M. Sergius Silus, zoon van no. 3, was onder Aemilius Paullus bevelhebber der ruiterij in den oorlog tegen Perseus.—5) L. Sergius Catilīna, achterkleinzoon van no. 3, toonde van jongs af een diep bedorven karakter. Hij bezat groote geestesgaven en was merkwaardig gehard tegen ontbering en inspanning, doch paarde daaraan een zeldzame gave van verleiding tot het kwade. Hij was een van Sulla’s handlangers geweest bij de proscripties (zie Gratidii no. 3), werd in 77 quaestor, in 68 praetor en wilde in 65 naar het consulaat dingen, doch zag zich hierin verhinderd door eene aanklacht wegens afpersingen. Toen smeedde hij eene samenzwering, die echter door zijn eigen ongeduld mislukte. Toen hij in 64 niet tot consul verkozen was, beraamde hij een tweede complot met een groot aantal Rom. van aanzienlijken huize, voor een deel even berooid en in schulden gedompeld als hij zelf. Het doel was niets minder, dan de tegenstanders, den consul M. Tullius Cicero in de eerste plaats, om te brengen, Rome op verschillende punten in brand te steken en Italië en de provinciën onder elkander te verdeelen. Er waren te Rome en elders duizenden onder het volk, die niets te verliezen hadden en bij oproer en omwenteling althans de kans hadden iets te winnen. De onbedachtzaamheid van een der samenzweerders was oorzaak, dat het plan nog tijdig Cicero ter oore kwam, die hierop door zijne waakzaamheid de uitvoering er van voorkwam (63) en Catilina noodzaakte, Rome te verlaten en zich naar het leger te begeven, dat hij in het N. van Etruria in de bergen bij Faesulae verzameld had. Eenige hoofden der samenzwering bleven echter te Rome, en knoopten onderhandelingen aan met een gezantschap der Allobrogen, die juist te Rome waren om den senaat de grieven van hun volk kenbaar te maken. De brieven, die zij den gezanten medegaven, werden echter door Cicero onderschept, waarop de saamgezworenen in hechtenis werden genomen en, overeenkomstig het gevoelen van de meerderheid van den senaat, doch tegen Caesars raad, in den kerker door worging ter dood gebracht. Catilina zelf sneuvelde kort daarop na dapperen strijd in een slag bij Pistoria tegen de troepen van den legaat M. Petreius. De geheele loop der samenzwering is op meesterlijke wijze door Sallustius te boek gesteld.—6) C. Sergius Orāta, een bekende lekkerbek en fijnproever, omstreeks het jaar 100.
Serica, Σηρική, het land der Seres, Σῆρες, en der Sinae, Σῖναι, China. Het land der Sinae ligt ten Zuiden van Serica, en grenst aan den Sinus Magnus (de Zuid-Chineesche zee) en aan India trans Gangem; het is dus Zuid-China, terwijl Serica het binnenland en het Noorden van China (Mongolië en Mandschoerije) inneemt. Bij de ouden was het volk der Chineezen slechts bij naam uit de verhalen van oostersche kooplieden bekend. Zij hadden den naam, een zacht en goedaardig volk te zijn, dat echter den omgang met andere volken vermeed en niet gemakkelijk vreemden toeliet. Ammiānus Marcellīnus (390 na C.) had ook van den chineeschen muur gehoord. Ook wist men, dat Serica het vaderland was der zijdewormen; vandaar sericum = zijde. Zijden stoffen, vestes sericae, waren onder het keizerrijk ook te Rome niet onbekend.
Seriphus, Σέριφος, een klein eiland, tot de groep der Cycladen behoorende, rotsig en onvruchtbaar, maar rijk aan metalen, o. a. ijzer en magneet. Hier laat de mythe de kist aanspoelen, waarin Danaë was opgesloten (zie Acrisius en Perseus en Dictys no. 1). Later vestigde zich op S. eene ionische kolonie. In den perzischen oorlog weigerde S. den Perzen schatting te betalen. Onder de rom. keizers werd het een verbanningsoord. Aristoteles vermeldt het bestaan van kikvorschen die niet kwaakten; vandaar Σερίφιος βάτραχος = een stomme, iemand die niet spreekt.
Sermyle, Σερμύλη, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Serrānus, familienaam in de gens Atilia (Atilii no. 7–9).
Serrati, z. Bigati.
Serrīum, Σέρρειον, kaap en kasteel op de thracische kust, tegenover het eil. Samothrāce.
Sertorius (Q.), geb. te Nursia in het sabijnsche land, had zich eerst op de studie van recht en redekunst toegelegd, diende als soldaat onder Marius in den strijd tegen de Cimbren en Teutonen (105–102) en vervolgens in Hispania onder T. Didius (97) als krijgstribuun. Als quaestor in Gallia Cisalpīna onderscheidde hij zich in 91 door onvermoeiden ijver en in den marsischen oorlog door moed en krijgstalent, en verloor op het slagveld een oog. In den burgeroorlog was hij de partij van Marius toegedaan, en als praetor zelfs aanvoerder van een der vier legers, die in 87 Rome bestormden. Hij verafschuwde echter uit den grond van zijn hart de wreedheden, door Marius en Cinna bedreven. Na den dood van deze beiden wanhoopte Sertorius aan de verdere verdediging van Italië en Rome tegen Sulla en begaf hij zich naar Hispania Citerior (83), welk gewest hem als praetor door het lot was toegewezen. Sulla zond hem den proconsul C. Annius Luscus achterna. Wel verdedigde een legaat van Sertorius, Iulius Salinātor, met moed den toegang tot de Pyrenaeën, doch na diens vermoording zag Sertorius zich genoodzaakt voor Luscus te wijken en zocht in Mauretania een toevluchtsoord. Van daar verdreven doolde hij op zee rond, doch Luscus versloeg zijne vloot. Andermaal in Mauretania geland, was hij gelukkiger (hij veroverde o. a. Tingis (Tanger)), totdat een gezantschap der Lusitaniërs, die in opstand waren tegen Rome, hem het bevel over hunne strijdkrachten kwam aanbieden. Toen begon Sertorius een guerilla; van alle zijden stroomden hem hispanische troepen toe, leger op leger der Rom. werd verslagen, de opstand breidde zich voortdurend uit, en Q. Caecilius Metellus Pius (Caecilii no. 17) kon dien niet meester worden. Doch ook Pompeius die in 76 met een leger ter ondersteuning van Metellus naar Hispania trok, kon evenmin Sertorius verslaan, en stelde toen een prijs op diens hoofd. Niet om dit bloedgeld te verdienen, maar alleen uit naijver en trotschheid smeedde een der onderbevelhebbers van Sertorius, de optimaat M. Perperna, die het niet kon dulden aan een man van nederige afkomst te moeten gehoorzamen, een complot, en S. werd in 72 op een gastmaal vermoord. Hiermede was ook de kracht van den oorlog gebroken.
Servare de caelo = signa observare de caelo. Deze uitdrukking wordt in het bijzonder gebezigd voor het nemen van auspiciën met de bedoeling de comitiën te storen. Bij de signa impetrativa kon men twee wegen inslaan; men kon in het algemeen een teeken van de goden vragen; men kon echter ook een bepaald teeken vragen en de overige veronachtzamen. Wie dus bepaald een goedkeurend teeken afbad, had slechts te wachten totdat hij zulk een teeken zag en had met de overige, die hij niet gevraagd had, niets te maken. Maar evenzoo kon men ook om een storend teeken vragen. Al wat naar onweder zweemde, een verwijderd gerommel, dat voor donder kon doorgaan, een schijn van weerlicht, kon te baat genomen worden om de comitiën te storen, en reeds de aankondiging van een overheidspersoon, se servaturum de caelo esse werd als storing beschouwd. De voorzitter had echter het recht, een ambtenaar van minderen rang te verbieden, obnuntiatio aan te wenden. Hij deed dit geregeld door aan de oproeping ter vergadering toe te voegen: ne quis magistratus minor de caelo servare velit. De leges Aelia et Fufia (± 156) regelden de obnuntiatio. Waarschijnlijk bepaalde de lex Aelia, dat zoodanige storing niet slechts door hoogere overheden tegenover lagere, maar ook door overheden van gelijken rang tegenover elkander zou mogen geschieden (zelfs hadden de praetoren als collegae minores de obnuntiatio tegenover de consuls) en door de volkstribunen tegenover alle. Het belangrijke dezer wet lag vooral hierin, dat nu ook volkstribunen elkander in het doordrijven van wetten konden belemmeren; want de wet verklaarde uitdrukkelijk de bovengenoemde verklaring voor eene afdoende obnuntiatio, waaraan onmiddellijk gehoor moest worden gegeven. Ook waren nu de concilia plebis aan de obnuntiatio onderworpen. De lex Fufia bevestigde de lex Aelia en stelde strafbepalingen vast voor het aanwenden der obnuntiatio op dagen voor kiescomitiën bepaald. De lex Clodia (58) hief de bovengenoemde wetten voor de wetgevende comitiën op, doch werd, daar Clodius de obnuntiatio in den wind had geslagen, door velen niet als geldig erkend, hetgeen schromelijke verwarringen veroorzaakte.
Servi, z. servitus.
Servilia (lex) agraria, van den volkstribuun P. Servilius Rullus (63). Zie onder Agrariae leges.
Servilia (lex) de repetundis, van den volkstribuun C. Servilius Glaucia (zie Servilii no. 23). De wet is gemaakt kort voor 111. Ze beoogde een verscherping van de procedure bij crimen repetundarum en een nadere uitwerking van de lex iudiciaria van C. Sempronius Gracchus. O. a. verwierf volgens deze wet een Latinus, die een rom. burger met goeden uitslag van afpersingen aanklaagde, zelf het rom. burgerrecht. Ook werd door deze wet de ampliatio (z. a.) afgeschaft en vervangen door de comperendinatio.
Servilia (lex) iudiciaria van den consul Q. Servilius Caepio van 106 (Servilii no. 15), waarbij de iudicia tusschen senatoren en ridders in gelijke verhouding werden verdeeld.
Servilii, oud geslacht, uit Alba Longa afkomstig. 1) P. Servilius Priscus Structus, consul in 495.—2) Sp. Serv. Priscus Structus, consul in 476.—3) C. Serv. Structus Ahāla, magister equitum van den dictator L. Quinctius Cincinnātus (439), doodde Sp. Maelius, die weigerde voor den dictator te verschijnen. Later moest hij hiervoor in ballingschap gaan. Zie Maelii no. 1 en 2.—4) Q. Serv. Priscus Structus veroverde in 435 als dictator Fidēnae, waarnaar hij den bijnaam Fidēnas kreeg. In 418 was hij opnieuw dictator en overwon toen de Aequers.—5) C. Serv. Structus Axilla was drie jaren achtereen consulairtribuun, 419–417. In 418 was hij magister equitum van no. 4.—6) C. Serv. Structus Ahāla, in 408 mag. eq. van den dictator P. Cornelius Rutilus Cossus, was een hevig tegenstander der volkstribunen.—7) Q. Serv. Ahāla, dictator in 360, versloeg de Galliërs, die voor Rome waren verschenen.—8) P. Serv. Geminus, consul in 252 en 248, streed, volgens een niet geheel betrouwbaar bericht, voorspoedig op Sicilia tegen de Carthagers. Hij en zijn tweelingbroeder Q. geleken zoo sprekend op elkander, dat zij bijna niet te onderscheiden waren. Hieruit ontstond de familienaam Geminus.—9) Cn. Serv. Geminus, consul in 217, sneuvelde in 216 bij Cannae.—10) C. Serv. (Geminus), volkstribuun in 209, consul in 203, bevrijdde zijn vader, die in 218 bij het stichten eener kolonie door de Bojers krijgsgevangen was gemaakt (zie Lutatii no. 3). In 202 was hij dictator comitiorum habendorum causa.—11) M. Serv. Pulex Geminus, consul in 202, een dapper krijgsman, voerde in 202 en 201 het bevel in Etruria en streed in 181 tegen de Liguriërs.—12) Cn. Serv. Caepio was consul in 203, tegelijk met no. 10.—13) Cn. Serv. Caepio, consul in 169, had drie zoons, die het consulaat hebben bekleed. De oudste ging door adoptie in de gens Fabia over, zie Fabii no. 19.—14) Cn. Serv. Caepio, ook een zoon van no. 13, consul in 141, was in 125 een gestreng censor.—15) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 14, consul in 106 (zie lex Servilia iudiciaria), werd in 105 als proconsul door de Cimbren bij Arausio verslagen. In 95 werd hij wegens wangedrag in dien oorlog en onwettige plundering (men beschuldigde hem namelijk, de tempelschatten van Tolosa (z. a.) verduisterd te hebben), aangeklaagd en tot verbanning veroordeeld, terwijl zijne bezittingen verbeurd verklaard en gerechtelijk verkocht werden. Z. Norbani no. 1.—16) Q. Serv. Caepio, derde zoon van no. 13, consul in 140, verbrak het verdrag, dat zijn broeder Q. Fabius Maximus Serviliānus (Fabii no. 19) met de Lusitaniërs gesloten had, en bewerkte dat Viriāthus door sluipmoord werd omgebracht.—17) Q. Serv. Caepio, kleinzoon van no. 16, was een heftig tegenstander van L. Appulēius Saturnīnus (100), en ook van M. Livius Drusus (91), toen deze den ridderstand de iudicia poogde te ontrukken. In den marsischen oorlog lokte Pompaedius Silo hem in eene hinderlaag, waar hij sneuvelde.—18) Q. Serv. Caepio, zoon van no. 17, stierf nog jong in Asia. Hij nam zijn zusterszoon M. Iunius Brutus (Iunii no. 9) als zoon aan, die hiernaar soms Q. Caepio Brutus wordt genoemd.—19) Servilia, dochter van no. 17, was gehuwd met M. Iunius Brutus, den vader van Caesars moordenaar. Zij was eene stiefzuster van Cato van Utica, en stond bekend als eene zeer schrandere, ontwikkelde vrouw, wier invloed in staatszaken niet gering was. Eene zuster van haar was gehuwd met L. Licinius Lucullus.—20) P. Serv. Vatia, consul in 79, tuchtigde in 78 en 77 de cilicische en lycische zeeroovers op eene nadrukkelijke wijze, drong vervolgens in den Taurus door, beoorloogde de Isauriërs (76) en verwierf zoo den bijnaam Isauricus.—21) P. Serv. Vatia Isauricus, zoon van no. 20, in 48 Caesars medeconsul, een zachtzinnig man, sloot zich na Caesars dood bij Cicero aan tegen Antonius.—22) P. Serv. Casca, volkstribuun in 43, bracht aan Caesar den eersten dolkstoot toe en werd daarbij zelf door Caesar met een schrijfstift aan de hand gewond. Zijn broeder C. Serv. Casca, behoorde wel tot de saamgezworenen, doch niet rechtstreeks tot de moordenaars.—23) C. Serv. Glaucia, tribunus plebis kort voor 111 (z. Servilia (lex) de repetundis), praetor in 100, een slecht, beginselloos mensch, zeer geslepen, bevorderde de plannen van Marius en Saturnīnus en werd met Saturninus om het leven gebracht.—24) P. Serv. Globulus, vriend van Cicero, volkstribuun (66) en later praetor in Asia.—25) P. Serv. Rullus, volkstribuun in 63; zie onder Agrariae (leges): lex Servilia agraria.
Servitus, 1) servituut, in den regel zakelijke rechten, die men op eens anders grond of erf heeft en waarvoor zoodanig erf dienstbaar is. Men onderscheidde ze in servitutes praediorum rusticorum, die op landerijen rustten, en servitutes praediorum urbanorum, op gebouwde eigendommen. Tot de eerste, die res mancipi (z. a.) zijn, behoorden: actus, het recht om vee over eens anders land te drijven, iter, het recht te voet of op een rijdier over eens anders grond te gaan, via, er met een voertuig over te rijden, aquaeductus, het recht om over vreemden grond water te leiden. Het servituut van via sloot dat van actus en iter in, bij via was een bepaalde rijweg aangewezen. Onder de tweede soort worden o. a. vermeld: ius tigni immittendi, het recht om balken in ’s buurmans muren te leggen, ius proiiciendi, het recht om een bovenbouw over eens anders grond te laten uitspringen, ius stillicidii en fluminis, het recht van afvoer van regen- en ander water, ius luminum, het recht om licht te ontvangen zonder dat de buurman dit mag betimmeren. Servitutes personarum zijn diensten waartoe een bepaald persoon krachtens overeenkomst is verplicht.—2) toestand van slavernij. Volgens het rom. recht is diegene slaaf, qui iustam servitutem servit. Hij was wel een mensch, doch geen persoon, slechts eene res, die zijn meester toebehoort. Men werd slaaf door geboorte of door verlies zijner vrijheid, in het laatste geval door krijgsgevangenschap of door de capitis deminutio maxima (vgl. verna, ius postliminii en capitis deminutio). De eigenaar was onbeperkt heer en meester over zijne slaven; slechts kon eene al te wreede behandeling door de censoren bestraft worden; onder de keizers kwam hierin verandering. Vrijverklaring heette manumissio (z. a). Servi publici waren slaven in dienst van den staat. Zie ook Δουλεία.—3) servitus poenae, eerst onder de keizers in zwang gekomen voor personae humiles, die veroordeeld werden ad opus publicum, tot dwangarbeid bij openbare werken, ad metalla, tot dwangarbeid, in de mijnen, steengroeven en dgl., ad bestias, om in het amphitheater tegen de wilde dieren te vechten.
Servius, 1) rom. vóórnaam, vooral in de gens Sulpicia voorkomende, zoodat men wel eens Servii = Sulpicii gebruikt vindt.—2) Servius Clodius (Claudius), romeinsch ridder, een man van groote geleerdheid; hij was een ijverig taalkundige en maakte vooral studie van Plautus. Hij bezat een uitgebreide bibliotheek, die na zijn dood door zijn bloedverwant L. Papirius Paetus (Papirii no. 14) aan Cicero ten geschenke werd gegeven. Hij was een schoonzoon van L. Aelius Stilo Praeconīnus (Aelii no. 7).—3) Servius Maurus Honorātus, taalgeleerde op het einde der 4de eeuw na C., gaf te Rome onderwijs in grammatica en rhetorica en heeft ons o. a. een uitvoerigen commentaar op Vergilius nagelaten, met een schat van oudheidkundige en mythologische ophelderingen en tal van fragmenten uit thans verloren geschriften van verschillende schrijvers.
Servius Tullius, zesde koning van Rome. Volgens de overlevering was hij de zoon eener slavin Ocrisia, eene krijgsgevangene uit de latijnsche stad Corniculum, en was hij in het paleis van Tarquinius Priscus te Rome geboren. Eens zagen Tarq. en diens gemalin Tanaquil het hoofd van den slapenden knaap door een stralenden lichtkrans omgeven en daarop namen zij hem als kind aan. Hij wies op als een edel jongeling, de lieveling van goden en menschen, hij huwde ’s konings dochter en werd na diens dood door het overleg van Tanaquil zijn opvolger. In een nog bewaard fragment eener redevoering van keizer Claudius wordt een ander verhaal medegedeeld, uit etrurische bron geput. Onder de regeering van Tarquinius Priscus zou een Etruscer, met name Mastarna, een aanhanger van Caeles Vibenna, met eene schaar uitgewekenen naar Rome zijn gekomen en zich op den Caelischen berg hebben neergezet en vervolgens zijn naam tegen dien van Servius Tullius verwisseld hebben.—Na zijne troonsbeklimming trad S. T. spoedig als hervormer op. Vooreerst trok hij drie heuvels binnen den kring der stad, n.l. den Quirinālis, den Esquilīnus en den Viminālis, en omringde nu het geheel door een kolossalen muur. Wat in verschillende deelen van Rome nog over is van den zoogenaamden agger Servii Tullii behoort tot twee bouwperioden; de oudste muurbrokken zijn waarschijnlijk uit de 6de eeuw, de jongere gedeelten uit den tijd der samnietische oorlogen. Hij verdeelde vervolgens het terrein binnen de stad in 4 wijken of tribus (z. a.) en het omliggende gebied in een zeker aantal regiones, ook meestal tribus (rusticae) genoemd. Ten tweede bracht hij een verbond tot stand tusschen Rome en Latium, met een bondsheiligdom, den Diana-tempel op den Aventīnus. Ten derde maakte hij eene nieuwe indeeling van het volk, op timocratisch beginsel berustende, in klassen en centuriën (zie centuria), zonder dat daarbij op afkomst werd gelet. Zoo ontstonden de comitia centuriata. De patriciërs waren den hervormingsgezinden koning moede, die al te zeer naar de zijde der plebejers overhelde. Er vormde zich eene samenzwering, aan welker hoofd ’s konings schoonzoon L. Tarquinius stond, en S. T. werd na eene 43-jarige regeering (578–535) vermoord. Zoo luidt de overlevering; in hoeverre in deze verhalen waarheid schuilt, is niet meer na te gaan.
Sesamus, stad in Paphlagonia, zie Amastris no. 2.
Sesos(tr)is, Σέσωσ(τρ)ις, naam, door de Grieken aan Ramses II (z. a.) gegeven.
Sessa Aurunca = Suessa Aurunca.
Sestertius, voor Semistertius, derdehalf = 2½ as, de meest algemeene zilvermunt en de algemeene rekenmunt bij de Rom. In het schrijven werd hij aangeduid door LLS (libra libra semis), later IIS of HS. Het dwarsstreepje is slechts een verbindingsstreepje. Bij de munthervorming in 217 (zie as) werd de waarde van den sestertius op 4 as bepaald. Eigenlijk is sestertius een adjectief en is de volledige naam nummus sestertius; vandaar wordt ook meermalen alleen het woord nummus gebezigd. Eene som van 1000 sestertiën, mille sestertium (= sestertiorum) werd kortweg sestertium geheeten, waaruit zich een nieuw onzijdig substantief vormde, d.v. decem sestertia = 10000 sestertiën. Bij de veelvouden van 100000 echter bleef sestertium als onverbuigbaar woord staan met een multiplicatief telwoord. Zoo is dan b.v. eene som van quingenti sestertii = 500 sestertiën, quingenta sestertia = 500 × 1000 sestertiën, quinquies sestertium = 5 × 100000 sestertiën. Wanneer echter geldsommen geschreven worden met cijfers en het teeken HS (dat voor al de drie beteekenissen geldt), moet men uit den zin de bedoeling afleiden. Een liggend streepje boven de cijfers b.v. CC duidt aan, dat men het getal met 1000 moet vermenigvuldigen; staan de cijfers tusschen drie streepjes (twee staande rechts en links, en één liggend van boven, b.v. |CC|), dan worden honderdduizenden bedoeld. Die streepjes worden echter niet altijd geschreven.
Sestii = Sextii.
Sestīnum, stad in het umbrische bergland, aan den N.O. kant der Apennijnen.
Sestus, Σηστός, stad op de thracische Chersonesus aan den Hellespont, tegenover Abȳdus. Nabij deze plaatsen sloeg Xerxes eene schipbrug over de zeeëngte. Te Sestus woonde Hero (zie Leander).
Sesubii = Esubii.
Setabis = Saetabis.
Setia, Σητία, stad in Latium, ten Z.O. van Rome met belangrijken wijnbouw. Het hoorde oorspronkelijk tot den latijnschen bond, kwam later onder de Volscen, maar werd in 382 of 379 latijnsche kolonie.
Seuthes, Σεύθης, 1) koning der odrysische Thraciërs, opvolger van Sitalces.—2) zoon van Maesades, trachtte het gebied waaruit zijn vader verdreven was, door de hulp der 10.000 Grieken onder Xenophon te heroveren.
Sevēri. Vier rom. keizers hebben dezen naam gedragen. 1) L. Septimius Severus, rom. keizer 193–211 na C., geb. te Leptis in Africa, was onder Marcus Aurelius en Commodus achtereenvolgens stadhouder in Gallia en Pannonia. Na den dood van Pertinax werd hij door zijne legioenen te Carnuntum (aan den Donau) tot keizer uitgeroepen. Terstond trok hij naar Rome op, waar zijn mededinger Didius Iuliānus, die de regeering van de praetorianen gekocht had, bij zijne nadering werd vermoord. Hierop trok hij naar het O. op tegen zijn tweeden mededinger Pescennius Niger, die bij Cyzicus, Nicaea en Issus verslagen werd (194), en veroverde na een langdurig beleg Byzantium (196). De derde mededinger was Clodius Albīnus, veldheer in Britannia, die reeds op marsch naar Italië was, maar bij Lugdūnum (Lyon) verslagen en op de vlucht gedood werd (197). Aldus meester van het rijk geworden, zuiverde hij den rom. senaat, richtte eene nieuwe lijfwacht op (de oude had hij reeds na den dood van Iulianus ontbonden), en voerde een streng militair despotisme, eene soldatenregeering, in. Daarna trok hij tegen de Parthen te velde, veroverde en vernietigde hunne hoofdstad Ctesiphon (198) en keerde in 202 naar Rome terug, dat hij met prachtige bouwwerken verfraaide, terwijl hij zich beijverde, door een wijs en gematigd bestuur de herinnering aan zijne vroegere gestrengheid uit te wissen. In 208 trok hij met zijn beide zoons Caracalla en Geta naar Britannia, waar hij den bestaanden wal tegen de Caledoniërs door een sterken muur verving (zie Britannia). Hij stierf in 211 te Eborācum.—2) M. Aurelius Severus Alexander, geboren te Arca Caesarēa in Phoenicia, werd door zijn neef, keizer Heliogabalus (z. a.), als zoon aangenomen, bij welke gelegenheid zijn eigenlijke naam Alexiānus in Alexander veranderd werd (221 n. C.). Spoedig echter haalde de genegenheid van het leger hem den haat van den tyran op den hals, die hem herhaaldelijk zocht te vermoorden, tot hij zelf door de woedende soldaten werd omgebracht (222), waarop Alex. Sev., 13 jaar oud, doch zorgvuldig onderwezen en opgevoed onder de leiding zijner voortreffelijke moeder Julia Mammaea en zijner brave grootmoeder Julia Maesa, door senaat, volk en leger als keizer werd erkend. Hij verhoogde het aanzien en de macht van den senaat. Hij trachtte het binnenlandsch beheer te verbeteren en de uitspattingen van den door Heliogabalus ingevoerden syrischen eeredienst tegen te gaan, doch hij wilde ook de verslapte krijgstucht herstellen, hetgeen oorzaak was, dat zijn staatsdienaar Ulpianus in 228 voor zijne oogen werd vermoord. In 232 voerde hij oorlog tegen den nieuw-perzischen koning Artaxerxes I; in 234 trok hij op tegen de Germanen, die over den Rijn stroopten, doch hij werd in een soldatenoproer met zijne moeder vermoord, waarop Maximīnus tot keizer werd uitgeroepen.—3) Flavius Valerius Severus, een Illyriër, werd in 305 na C. door Galerius tot Caesar benoemd en in 306 tot Augustus, doch in den strijd tegen Maxentius werd hij in 307 door zijne troepen verlaten en te Ravenna vermoord.—4) Libius Severus, rom. keizer 461–465 na C., door Ricimer (z. a.) op den troon gezet.
Sevēri. 1) Cornelius Severus, episch dichter, vriend van Ovidius.—2) Iulius Severus, generaal van keizer Hadriānus in den oorlog tegen de Joden, die onder leiding van Bar-Kochba waren opgestaan (132–134 n. C.), zie Hadrianus; later was hij stadhouder van Syria Palaestina.—3) Sulpicius Severus, omstreeks 400 na C., een Christen, schreef eene historia sacra van de schepping tot op zijn tijd.
Severiāna (via), van Ostia over Antium naar Tarracīna.
Sevērus mons, rots in het Sabijnsche land op de grenzen van Picēnum.
Sēvir of Sexvir, meest VIvir of IiiiiIvir geschreven, lid van een college van 6 leden. 1) aanvoerder van de equites Romani equo publico, in den keizertijd; ze worden voor een jaar benoemd; het eerst komen ze voor tijdens keizer Augustus (2 v. C.).—2) lid van het bestuur der Augustāles in de municipiën; zie municipium.
Sevo mons = Saevo mons.
Sextans = 2 unciae = ⅙ as.
Sextarius, rom. maat, iets meer dan een halve liter, het 1/48 deel eener amphora, het 1/16 van een congius.
Sextia (rogatio) van P. Sextius in 57, tot terugroeping van Cicero uit de ballingschap, kwam niet in behandeling.
Sextii of Sestii, dezelfde naam, hoewel men soms de eene schrijfwijze hoven de andere ziet voorgetrokken. 1) P. Sestius Capitolinus (v. a. Capito) Vaticānus, consul in 452 (z. Menenia Sestia (lex)) en in 451 een der decemviri legibus scribundis.—2) L. Sextius Sextinus Laterānus, in 366 de eerste consul uit de plebs ten gevolge der Lex Licinia Sextia, waartoe hij zelf had medegewerkt. Zie Licinii no. 4.—3) C. Sextius Calvīnus, consul in 124, voerde voorspoedig oorlog in Gallia Transalpīna en stichtte de badplaats Aquae Sextiae (Aix).—4) T. Sextius diende van af 54 als legaat onder Caesar in Gallia. Later ontnam hij in dienst van Octaviānus, de provincie Africa aan Q. Cornificius, die in den strijd sneuvelde (42). Na den slag bij Philippi moest hij Numidia afstaan aan den legaat van Octavianus, C. Fuficius Fango, maar veroverde het weer na den Perusijnschen oorlog. In 40 gaf hij de provincie en zijn troepen over aan Lepidus.—5) P. Sextius of Sestius, quaestor in 63, zuiverde Campania van de Catilinarii, dwong den consul C. Antonius aan Catilīna slag te leveren, hetgeen Ant. evenwel door zijn legaat Petreius liet doen, en schaarde zich als volkstribuun in 57 geheel aan de zijde van Cicero. Door zijn vijand P. Clodius werd hij in 56 van geweldenarij en omkooping aangeklaagd doch door Cicero verdedigd en vrijgepleit. Bij het begin van den burgeroorlog volgde hij Pompeius en ging eerst later tot Caesar over.—6) L. Sestius, zoon van no. 5, volgde na Caesar’s dood eerst de vanen van Brutus, doch werd niettemin in 23 door Augustus tot consul suffectus benoemd. Aan hem is gericht Horatius’ ode I. 4.—7) Q. Sextius, een aanzienlijk Romein, een senatorszoon, onder Augustus, om zijne eenvoudige levenswijze zeer geacht, stichtte te Rome eene wijsgeerige school vermoedelijk op stoicijnsche en pythagoreïsche beginselen. Hij schreef in het Grieksch. Ten onrechte neemt men wel eens aan, dat een verzameling spreuken van een zekeren Sextus, die later in het Latijn vertaald is, maar waarvan het origineel in 1880 teruggevonden is, van hem afkomstig is. Dit is het werk van een Christen uit de 2de of 3de eeuw. Na Sextius trad zijn zoon als hoofd der school op, daarna geraakte zij spoedig in verval.
Sextilii, een rom. geslacht, dat geen mannen van beteekenis heeft opgeleverd. 1) P. Sextilius (v. a. Sextius), propraetor van Africa, verjoeg den als balling ronddolenden Marius uit zijne provincie.—2) C. Sextilius Rufus, admiraal van Cassius in 43.—3) Sextilia, moeder van keizer A. Vitellius, eene vrouw van strenge, oud-romeinsche zeden.
Sextīlis, vroegere naam der maand Augustus.
Sextula = ⅙ uncia = 1/72 as.
Sextus Empiricus, arts en sceptisch wijsgeer omstreeks 200 n. C. Van zijne werken zijn bewaard gebleven Πυρρωνεῖαι ὑποτυπώσεις, eene uiteenzetting van de leer van Pyrrho en Πρὸς τοὺς μαθηματικούς, waarin hij bezwaren ontwikkelt tegen de grondstellingen van iedere wetenschap en ieder wijsgeerig stelsel.
Sibuzates, volksstam in Aquitania, bij het tegenw. Sobousse aan den Adour.
Sibylla, Σίβυλλα, een geheimzinnig vrouwelijk wezen, dat in verschillende landen en in verschillende tijden voorkomt, in eenzame holen woont en van Apollo de gave der voorspelling heeft. Gewoonlijk nam men aan dat er meer dan ééne S. was, in latere tijden sprak men van tien. De meest bekende is de S. van Cumae, die onder verschillende namen voorkomt (Herophile, Demophile, Demo, Deïphobe, Amalthēa), uit Azië naar Italië kwam, zeer oud was en reeds aan Aenēas de toekomst voorspelde. Eene verzameling van hare profetieën, in het Grieksch opgesteld, werd door Tarquinius Priscus voor eene groote som gelds gekocht. De verzameling, libri Sibyllini genoemd, werd bewaard door IIviri (sedert 367 Xviri, sedert Sulla XVviri) sacrorum of sacris faciundis, die in buitengewone omstandigheden, vooral bij prodigia, van den senaat bevel kregen de boeken te raadplegen (adire libros). Vooral door den invloed van deze boeken werd de rom. godsdienst met vele grieksche elementen vermengd. Toen zij bij den brand van het Capitolium (83) verloren gingen, werden overal sibyllijnsche orakels opgezocht, en eene nieuwe verzameling aangelegd, waaruit echter onder Augustus en Tiberius een aantal als onecht verwijderd werden. De sibyllijnsche boeken behielden lang hun invloed en zelfs de oudste Christenen ontzeiden hun niet alle gezag, eerst onder Stilicho werden zij verbrand.—De nu nog bestaande Χρησμοὶ Σιβυλλιακοί zijn van verschillende tijden en uiteenloopenden inhoud, grootendeels bevatten zij als profetieën ingekleede historische verhalen.
Sibyrtius, Σιβύρτιος, onder en na Alexander d. Gr. satraap van Arachosië en Gedrosië, later verbond hij zich met Eumenes, dien hij echter verliet om tot Antigonus over te gaan.
Sycambri = Sygambri.
Sicania, Sicāni, Sicānus, zie Sicilia.
Sicānus, Σικανός, een van de strategen van Syracuse in den atheenschen oorlog.
Sicca, de vriend van Cicero, op wiens landgoed hij in zijn ballingschap een schuilplaats vond.
Sicca Veneria, Σίκκα, aanzienlijke stad in Numidia ten O. van den Muthul; het behoort later tot Africa Vetus (Zeugitana).
Siccii, zie Sicinii.
Sichaeus, z. Dido.
Sicilia, Σικελία, het bekende eiland Sicilië bij Italië. In den mythischen tijd was het de woonplaats der Cyclopen en der menschenetende Laestrygonen. In den historischen tijd vindt men als oudste bewoners de Sicāni, Σικανοί, vermeld, volgens Thucydides afkomstig uit Iberia, waar zij aan de boorden eener rivier Sicānus, Σικανός, later Sucro geheeten, zouden gewoond hebben, hetgeen tegenwoordig op taalkundige gronden wordt tegengesproken. Later vindt men hen slechts in de westelijke helft, terwijl het oostelijk gedeelte bevolkt is door Siculi, Σικελοί, een door de Oscers uit Italia verdreven volk. Niet onwaarschijnlijk is het, dat Sicani en Siculi tot één stam behooren, die met de Latijnen verwant is. De grens tusschen beide stammen is de rivier de Himera. In den Westhoek vindt men nog een klein gebied bezet door Elemi, Ἔλυμοι, die over zee waren gekomen. De mythe laat deze Elymers afstammen van Trojanen (zie Elymus), doch de namen hunner steden Segesta, Entella, worden op de oostligurische kust ook aangetroffen, terwijl met Eryx en den Venusdienst de haven portus Veneris in Liguria overeenkomt. Op de kusten van het zoo vruchtbare en uitstekend gelegen eiland vestigden zich een aantal volkplantingen: phoenicische, carthaagsche, ionische en dorische. De afstammelingen der grieksche kolonisten noemden zich Σικελιῶται. Naar de drie meest vooruitspringende kapen, Lilybaeum ten W., Pelōrum ten N.O., Pachȳnum ten Z., wordt het eiland bij dichters ook Trinacria, Τρινακρία, geheeten, ook Sicania is een dichterlijke naam. Terwijl het W. gedeelte in de macht der Carthagers kwam, breidde de machtige stad Syracuse haar gezag over het O. deel uit. Beide mogendheden streefden naar het bezit van het geheele eiland en bloedige worstelingen waren hiervan het gevolg. In den eersten punischen oorlog verloor Carthago zijn deel aan de Rom.; West-Sicilia werd toen de eerste rom. provincie (241), het overige bleef syracusaansch tot aan den val van Syracuse in 212. Beide deelen bleven, ofschoon één stadhouder hebbende, onder rom. bestuur toch in zooverre administratief gescheiden, dat zij elk een afzonderlijken quaestor hadden (één te Lilybaeum en één te Syracuse), en dat in het syracusaansche gedeelte de tiendregeling in stand bleef, zooals deze door koning Hiero II (260–215) was vastgesteld (lex Hieronica frumentaria). De gemeenten in dit gedeelte werden civitates decumanae genoemd en hare korentienden werden op het eiland zelf verpacht; de gemeenten in het vroegere carthaagsche gedeelte, waarvan de tienden te Rome met andere vectigalia door de censoren verpacht werden, heetten civitates censoriae. In Cicero’s tijd waren Messāna, Tauromenium en Netum civitates foederatae, Centuripae, Halesa, Segesta, Panormus en Halicyae civitates liberae et immunes. Van de verschillende civitates, 63 in getal, hadden alleen de burgers van Centuripae recht van grondbezit over het geheele eiland. Sicilia was door zijn graanbouw van groote waarde voor de Rom., die er jaarlijks ontzaggelijke hoeveelheden koren uit trokken; terecht was het aan Demēter geheiligd; thans is door de onverschilligheid der latere bevolking de toestand geheel anders geworden. Berucht zijn de afpersingen, door C. Verres gepleegd (73–71) en reeds van dit tijdstip af openbaart zich bij de bevolking een zekere onwil, om verder hunne akkers te bebouwen en zich te laten uitmergelen. Sicilia heeft een aantal beroemde mannen voortgebracht, o.a., Theocritus, tijdgenoot van Hiero II en den vader der bucolische poëzie. Bij Vergilius is Siculus pastor = Theocritus, Sicelides Musae = de Muzen van het herdersdicht.—De zee ten O. van het eiland heette mare Siculum; door sommigen werd zij als een gedeelte der ionische zee beschouwd, v. a. strekte zij zich tot Creta uit.
Sicinii. 1) T. Sic. Sabīnus, consul in 487, zegepraalde over de Volscen.—2) C. Sic. Bellutus voerde het volk in 494 naar den Mons Sacer en werd een der eerste volkstribunen (493).—3) C. Sicinius of Siccius was onder de eerste volkstribunen, die krachtens de lex Publilia Voleronis (471) door de plebs tributim werden gekozen. In het volgende jaar klaagde hij met M. Duilius den trotschen App. Claudius Sabīnus, consul in 471, aan; deze stierf echter vóór den afloop van het proces. Het verhaal van dit proces en van Claudius’ dood is geheel verzonnen. Zie Claudii no. 2.—4) L. Sic. of Siccius Dentātus, bijgenaamd de rom. Achilles, een man die door zijne schitterende wapenfeiten meer dan 300 militaire onderscheidingen had verworven, 120 gevechten had bijgewoond en 45 wonden in de borst had gekregen, volkstribuun in 454, was een warm strijder voor de rechten der plebejers. In 450 lieten de tienmannen hem in den oorlog tegen de Aequers in eene hinderlaag vallen, waar hij sneuvelde. Dit verhaal is verzonnen, met het doel de tienmannen van het jaar 450 als tyrannen voor te stellen.—5) Cn. Sicinius, praetor in 183, werd in 172 met een leger naar Macedonia gezonden.—6) C. Sicinius, door Cicero onder de goede redenaars gerangschikt, overigens niet nader bekend.—7) Cn. Sicinius, volkstribuun in 76, wendde vergeefsche pogingen aan om de macht van het tribunaat te herstellen. Zijne vijanden wisten hem uit den weg te ruimen.
Sicinnis, σίκιν(ν)ις, de dans van het satyrdrama.
Sicinus, Σίκινος, eiland der Sporaden, ten Z. van de Cycladengroep gelegen en om zijn wijnbouw vroeger Oenoë genoemd.
Sicoris, Σίκορις, thans Segre, zijtak van den Ibērus (Ebro), stroomt langs Ilerda (Lerida).
Siculi, Σικελοί, zie Sicilia.
Siculum fretum, thans straat van Messina. Zie ook Scylla.
Siculus. 1) Calpurnius Siculus, bucolisch dichter uit Nero’s tijd, schrijver van 7 Eclogae.—2) Siculus Flaccus, rom. landmeter uit de 2de eeuw na C., schrijver van een werkje de condicionibus agrorum, z. Groma.—3) Diodōrus Siculus, zie Diodorus no. 3.
Sicyon, Σικυών = augurkenstad, hoofdstad van het kleine peloponnesische gewest Sicyonia, Σικυωνία, aan den Z.O. hoek der Corinthische golf gelegen. Volgens de overlevering was na Argos Sicyon de oudste staat van Griekenland. Bij de dorische volksverhuizing kwam het onder de Doriërs, in wier bezit het bleef. Het staatje, dat te onbeduidend was om eenig gewicht in de schaal te leggen, stond van ± 670 tot 576 onder de zeer dragelijke heerschappij der Orthagoriden, wier laatste telg Clisthenes was, de schoonvader van den Athener Megacles. Hierna werd de regeeringsvorm een tijd lang democratisch, totdat er onder den invloed van Sparta weder tyrannen kwamen. Eerst sedert 249 vervulde Sicyon weder eene rol (zie Arātus) als lid van het achaeisch verbond. Onder rom. heerschappij verviel het meer en meer.—De sicyonische schilderschool (Eupompus, Pamphilus, Pausias) kenmerkte zich door wetenschappelijke behandeling. De beeldhouwschool legde zich minder toe op het scheppen van godenbeelden, dan van schoone menschenfiguren. Onder de sicyonische beeldhouwers zijn vooral beroemd Polyclētus (z. a.) en Lysippus (z. a.), die ook een kundig metaalgieter was.
Sida, Side, Σίδη, 1) aeolische kolonie op de kust van Pamphylia, hoofdzetel van den dienst van Athēna, die er werd afgebeeld met een granaatappel (σίδη) in de hand. De bevolking is grootendeels van phoenicischen oorsprong.—2) havenstad in Pontus, later Polemonium (z. a.).—3) vroeg vervallen stadje aan de Z.O. spits van Laconica.
Sidēro, Σιδηρώ, tweede gemalin van Salmōneus, wreede stiefmoeder van Tyro, door wier zonen Neleus en Pelias zij gedood werd.
Sidicīni, een oscische volksstam in Campania (z.a.); hun stad heet Teānum Sidicīnum.
Sidon, Σιδών, de oudste en lang de machtigste der phoenicische steden, eene sterke vesting met een dubbele haven. Door handel, zeevaart, kunst en nijverheid en door het uitzenden van talrijke volkplantingen verhief Sidon zich tot een hoogen trap van bloei, totdat het door het jongere Tyrus overschaduwd werd. De sidonische schepen waren uitstekende zeilers, de sidonische zeelieden in hun tijd de beste der wereld. De nijverheid bloeide vooral door glasfabrieken en door de weverijen, waar de kostbare sidonische gewaden werden vervaardigd. Van oudsher stond Sidon onder erfelijke koningen, die ook onder de perzische en de macedonische opperheerschappij aan het bewind bleven. In 675 was Sidon door Assarhaddon van Niniveh vernietigd, maar als assyrische kolonie weer opgebouwd. Sedert de 5de eeuw begint de grieksche invloed er door te dringen. De 17 sarkophagen van de koningen van Sidon, die in 1887 terug gevonden zijn, en zich nu in het Museum te Constantinopel bevinden, zijn door grieksche kunstenaars van den eersten rang vervaardigd. De verwoesting door den perzischen koning Artaxerxes III Ochus (± 350), tot straf voor haren afval, bracht aan de stad een onherstelbaren slag toe.
Sidonius Apollināris, voluit C. Sollius Apollinaris Modestus Sidonius, in 428 na C. te Lugdūnum (Lyon) geboren, bisschop van Clermont, schrijver eener verzameling brieven en van enkele gedichten in vrij gezwollen stijl, doch belangrijk voor de kennis van zijn tijd.
Sidus, Σιδοῦς = granaatappelstad, sterke vesting in Corinthia, ten O. van Corinthus.
Sidussa, Σιδοῦσσα, vlek in Lydia in het gebied der ionische stad Erythrae.
Siga, Σίγα, handelsstad en rom. municipium op de kust van Mauretania Caesariensis.
Sigambri = Sygambri.
Sigēum, Σίγειον, kaap en stad in Troas, iets ten zuiden der invaart van den Hellespont. In de nabijheid was het graf van Achilles.
Sigillaria (van sigillum, deminutief van signum), het beeldjesfeest, te Rome op 21 en 22 Dec. gevierd. Men gaf godenbeeldjes ten geschenke, uit klei gebakken of uit metaal vervaardigd. Ook werden bontgekleurde kaarsen en gebak in verschillende vormen weggegeven. Het schijnt vooral een kinderfeest te zijn geweest. Er was te Rome eene beeldjesstraat, via sigillaria, waar men winkels van zulke beeldjes had. Het feest hing met de Saturnalia (z. a.) samen.
Sigma, eene sofa in den vorm van een hoefijzer, aldus genoemd naar den ouden vorm der grieksche letter, C. Dit sigma of stibadium kwam in gebruik, toen de vierkante tafels door de ronde werden verdrongen. Vgl. triclinium.
Signia, thans Segni, stad in Latium aan den Oostkant der volscische bergen, door Tarquinius Superbus gesticht en bekend door een tempel van Jupiter Urius, door hard cement (opus Signīnum), lekkere peren en wrangen wijn. Van de cyclopische muren bestaan nog overblijfselen.

Signum. Onder de verschillende beteekenissen van dit woord zijn er vier, die hier behooren vermeld te worden, 1) beeld eener godheid, nooit van een mensch, daar van menschenbeelden het woord statua wordt gebezigd.—2) onderscheidingsteekenen van de verschillende afdeelingen van het leger te velde, standaarden, waarvan de hierbij gevoegde gravure er eenige te aanschouwen geeft. Vóór Marius hadden de drie afdeelingen van het rom. voetvolk verschillende standaarden, een wolf, een minotaurus, een everzwijn en een paard, terwijl een adelaar met uitgespreide vlerken de standaard van het legioen was. Marius schafte de genoemde bijzondere standaarden af en behield alleen den legioensadelaar. Doch naast den standaard had nog elke manipel zijn bijzonder onderscheidingsteeken, bestaande in een geopende hand boven op een lans bevestigd, terwijl de cohorte waarschijnlijk de afbeelding van een of ander dier voerde. De stok is versierd met kransen en kronen (zie corōna), waarschijnlijk in den strijd verworven. Bij den legioensadelaar evenwel ontbreken v. s. deze sieraden; hoogstens vindt men dezen dan getooid met een vexillum, een lap doek. Het vexillum, vaandel, behoort vooral bij de ruiterij te huis. Verder ziet men onder de signa ook een paar angues of dracōnes. In de legerplaats werd vóór het praetorium eene verhooging van zoden of aarde aangebracht, en daarin werden de legioenstandaarden in den grond geplant. Het uittrekken er van was het sein tot den marsch. Zat de stok zeer vast in den grond, zoodat de vaandeldrager, signifer, hem slechts met groote moeite er uit kon trekken, dan gold dit voor een slecht voorteeken. Aan de onderscheidingsteekenen te velde zijn verschillende zegswijzen ontleend, als: signa in hostem inferre = op den vijand aanrukken, signa conferre = handgemeen worden, slaags raken, signa proferre = voorwaarts rukken, signa referre = zich terugtrekken, signa transferre = zich overgeven, signa movere = opbreken, signa figere = zijn leger opslaan, e. a.—3) Zie auguria.—4) In de 3de en 4de eeuw na Christus een soort clubnaam. Zie onder nomen.
Sigrium, Σίγριον, kaap aan de Westkust van het eiland Lesbus.
Sigynnes, Σιγύννες, een half mythisch volk, volgens Herodotus ten N. van den Ister (Donau) woonachtig. Sommigen willen hierin de voorvaderen der Zigeuners zien.
Sila, Σίλα, boschrijk gebergte in Bruttium, een deel der Apennijnen, dat het beroemde bruttische pek opleverde.
Silanion, Σιλανίων, beroemd beeldgieter te Athene, tijdgenoot van Alexander d. Gr.
Silanus, familienaam bij de Iunii (Iunii no. 14–20) en de Turpilii.
Silarus, Σίλαρος, 1) grensrivier tusschen Campania en Lucania, valt bij den mons Alburnus ten N. van Paestum in zee. Aan den Silarus werd de zwaardvechtersveldheer Spartacus in 72 door Crassus verslagen.—2) rivier in Gallia Cispadāna, die ten O. van Bononia (Bologna) naar den zuider Po-arm stroomt.—Beide rivieren heeten thans nog Silaro.

Silenus met den kleinen Dionysus, Louvre-Museum.
Silēnus, Σειληνός, zoon van Hermes of Pan en eene nimf, de leermeester, opvoeder en trouwe metgezel van Dionȳsus, de oudste der Satyrs. Hij wordt afgebeeld als een vroolijk, oudachtig mannetje met stompen neus, kaal hoofd en buitengewoon dikken buik. Hij houdt van zang en muziek, maar vooral van wijn, steeds is hij in een roes, zoodat hij gewoonlijk op een ezel moet rijden of zich door andere Satyrs moet laten ondersteunen, daar zijne beenen slechts zelden in staat zijn hem te dragen. Zijne attributen zijn een wijnzak, beker, thyrsusstaf en krans van klimop.—Onder den invloed der mysteriën kreeg ook S. eene hoogere beteekenis. Als leermeester van Dionysus werd hij beschouwd als een wijze en profeet, ver verheven boven het ijdele streven der gewone menschen, en werd hij ook op geheel andere wijze afgebeeld.—Soms worden alle oudere Satyrs Silenus genoemd, ter onderscheiding draagt dan de opvoeder van Dionysus den naam van Papposilēnus.
Silicernium, lijkmaal ter eere van een afgestorvene, hetzij op den dag der begrafenis, hetzij eenige dagen later gegeven. Ook als scheldwoord gebezigd = een afgeleefde oude vent, een oude sul.
Silicius Corōnas (P.), rom. senator, die in de rechtbank, door Octaviānus ingesteld om de moordenaars van Caesar te vonnissen, openlijk ten gunste van die moordenaars, met name van Brutus, het woord voerde en hiervoor later door Octavianus op de proscriptielijsten werd geplaatst.
Silii, plebejisch geslacht. 1) T. Silius diende onder Caesar in Gallia en werd in 56 door de Veneti (op de kust van Bretagne) gevangen gehouden.—2) P. Silius Nerva, in 51 propraetor van Bithynia, een vriend van Cicero.—3) A. Silius, bevriend met Cicero en met Atticus.—4) P. Silius Nerva, consul in 20, was eerst legatus pro praetore van Hispania citerior, en streed daarna voorspoedig tegen de Alpenbewoners, de Norici (16), de Pannoniërs en de Dalmaten.—5) C. Silius, consul in 13 na C., voerde eenige jaren het bevel in Germania en nam deel aan de tochten van Germanicus. Ook onderdrukte hij in 21 den opstand van Sacrovir. Hij laadde echter den argwaan van Tiberius op zich; door dezen van knevelarij beschuldigd, bracht hij zichzelf om het leven (24).—6) C. Silius, zoon van no. 5, werd onder Claudius met den dood gestraft wegens ongeoorloofden omgang met Messalīna, 48 na C.—7) Tib. Catius Silius Italicus, rom. dichter en redenaar, 25–100 na C., was in 68 consul en later stadhouder van Asia, en wijdde zich daarna op zijn landgoed aan de letterkunde. Hij schreef een epos, Punica, in 17 boeken, dat in 1415 te St. Gallen ontdekt is en over den tweeden punischen oorlog handelt; het verraadt wel studie, doch weinig genie. Waarschijnlijk is ook aan hem toe te schrijven een uittreksel uit de Ilias in hexameters gedicht, in de M. E. bekend als Homerus latinus of Pindarus Thebanus. Daar Silius aan eene ongeneeslijke kwaal leed, liet hij zich doodhongeren, ten einde van zijn lijden bevrijd te worden.
Silis, beekje in het land der Veneti, dat zich bij Altīnum in de Adriatische zee stort.
Σίλλοι, z. Timon no. 2.
Silures, Σίλυρες, machtig en dapper volk in het W. van Britannia, in het Z.O. van het tegenw. Wales, met de steden Isca en Venta. Zij verdedigden zich hardnekkig tegen de Romeinen. Ze zijn donker van gelaatskleur, en hebben krulhaar; ze behooren niet tot de Kelten, maar waarschijnlijk tot de Iberiërs.
Silvanectes, volksstam in Belgica ten Z. der Suessiones. Hoofdstad: Augustomagus, tgw. Senlis.
Silvānus, familienaam in de gens Plautia (Plautii no. 5 en 8).
Silvanus, rom. bosch- en veldgod, beschermer van planten, kudden en van de grenzen der akkers. Hij heeft veel overeenkomst met Pan en Faunus, houdt van muziek, is voor landlieden over het algemeen een weldoend god, jaagt daarentegen gaarne den menschen schrik aan en is daarom vooral voor kraamvrouwen te vreezen (z. Deverra). Te zijner eere vierde men in den herfst een oogstfeest, waarbij men hem de eerstelingen der vruchten, korenaren en melk offerde.
Silvium, stad in Apulia op de lucanische grenzen, aan den weg van Venusia naar Tarentum.
Silvius, zoon of stiefbroeder van Ascanius, volgde hem in de regeering over Alba Longa op; hij was de stamvader der albaansche koningen.
Simbruīni colles, heuvelstreek in het Z. van het land der Aequi, later tot Latium behoorende, nabij het land der Marsen, tusschen Sublaqueum en Treba. In de nabijheid lagen de Simbruina stagna, waterbekkens, waarin zich verschillende bronnen en beken ontlastten, die door keizer Claudius gebruikt werden tot voeding der aqua Marcia en door Nero voor zijne schoone villa Sublaquensis. Thans zijn die kommen uitgedroogd, doordat de beken zich een anderen weg gebaand hebben.
Simeni, Σιμενοί = Icēni.
Simmias, Σιμμίας, 1) van Thebe, leerling van Philolāus, later vriend van Socrates en Plato.—2) zoon van Andromenes, broeder van Polemo no. 1.—3) epigrammendichter in den alexandrijnschen tijd.
Simois, Σιμόεις, 1) een der beide riviertjes bij Troje; zie Scamander.—2) op Sicilia; zie Egesta.—3) rivier in Epīrus, onzeker waar.
Simonides, Σιμωνίδης, 1) van Amorgus, beroemd jambendichter, jonger tijdgenoot van Archilochus. Van zijne werken bestaan nog eenige fragmenten, waaronder twee vrij lange.—2) van Iūlis op Ceos, geb. 556, een van de grootste grieksche lierdichters. Hij leefde eenigen tijd aan het hof van Hipparchus te Athene, daarna in Thessalië bij de Aleuaden en Scopaden (514), vervolgens kwam hij naar Athene terug, waar hij met zijne elegie op de gesneuvelden bij Marathon den prijs behaalde. Zijne laatste levensjaren bracht hij in gezelschap van vele andere voortreffelijke dichters, o. a. Pindarus, bij Hiero te Syracuse door, waar hij in 468 stierf. Hij was een zeer vruchtbaar dichter, vooral een meester in treurzangen en epigrammen; 56 maal behaalde hij in wedstrijden den eersten prijs. Van zijne werken zijn slechts enkele fragmenten bewaard, die door fijn gevoel en schoone taal uitmunten. Hij geldt ook als de uitvinder der herinneringskunst (μνημονική), volgens zijn eigen getuigenis was zijn geheugen op zijn 80ste jaar nog onverzwakt.
Simpulum, een lepel met langen, rechtopstaanden steel, om den wijn over het offer te gieten. Spreekwoord: fluctus excitare in simpulo = veel geschreeuw om weinig wol.
Simpuvium, een offergereedschap, misschien = simpulum.
Sinae, Σῖναι, zie Serica.
Sinai, Σινᾶ, een van de hoogste toppen der Zwarte bergen in het Z. van Arabia Petraea.
Sinda, Σίνδα, 1) hoofdstad der Sindi, een volk in Sarmatia aan de invaart der Palus Maeōtis (zee van Azow).—2) hoofdstad der Sindi of Sindae, een volk op de kust van India extra Gangem, in het tegenw. Achter-Indië.—3) stad in Pisidia.
Sindi, Σινδοί, zie Sinda no. 1 en 2.
Sindus, Σίνδος, stad in Macedonia aan de golf van Terma, ten W. van Therma (Thessalonica).
Singara, τὰ Σίγγαρα, vesting in Mesopotamia tusschen den Chabōras en den Euphraat, rom. kolonie. In de oorlogen tusschen keizer Constantius II en Sapores II, koning van Perzië, werd de stad tweemaal (in 348 en 360 n. C.) door Sapores ingenomen, en na den dood van Keizer Iuliānus, door Ioviānus met vele andere steden voor goed aan Perzië afgestaan (363).
Singidūnum, Σιγγίδουνον, sterke vesting aan de samenvloeiing van den Ister (Donau) en den Savus, thans Belgrado.
Singiticus sinus, golf van Singus (z. a.) tusschen de chalcidische landtongen Acte en Sithonia.
Singulis, linker zijrivier van den Baetis in Baetica.
Singus, Σιγγός, stad op de chalcidische landtong Sithonia.
Sinis, Σίνις, zoon van Polypēmon of Poseidon, een roover, die op de landengte van Corinthe woonde; hij was gewoon de reizigers die hij beroofd had, aan twee naar elkander toe gebogen pijnboomen vast te binden (Πιτυοκάμπτης); als hij dan de boomen losliet en zij hun oorspronkelijken stand hernamen, werden de slachtoffers uit elkander gescheurd. Theseus doodde hem op dezelfde wijze.
Sinnius Capito, rom. grammaticus uit den tijd van Augustus.
Sinon, Σίνων, zoon van Aesimus of Sisyphus, bloedverwant van Odysseus. Hij liet zich bij den geveinsden aftocht der Grieken door de Trojanen gevangen nemen en overreedde hen, het houten paard in de stad te halen, voorwendende dat het behoud van de stad daarvan afhing. Hij was het ook die ’s nachts het paard voor de Grieken opende.
Sinope, Σινώπη, oudste en voornaamste der grieksche volkplantingen aan den Pontus Euxīnus (Zwarte zee), door Milētus op de kust van Paphlagonia gesticht (± 750), in het midden der 7de eeuw verwoest door de Cimmerii (z. a.), en in 632 herbouwd. De stad werd door handel en zeevaart spoedig zeer machtig, en zond op hare beurt tal van koloniën uit langs de kust van den Pontus Euxinus, terwijl zij haar eigen gebied (Sinōpis) tot aan den Halys uitbreidde. Mithradātes VI van Pontus maakte Sinope tot residentiestad. Door Lucullus werd het veroverd en geplunderd, doch het kwam den slag weder te boven, nadat het in 45 eene rom. kolonie was geworden onder den naam Iulia Caesarēa Felix Sinōpe. Het had twee havens en was de geboorteplaats van den cynischen wijsgeer Diogenes en den blijspeldichter Diphilus.
Sintice, Σιντική, gewest van Macedonia op den rechteroever van den Beneden-Strymon, bewoond door een thracischen stam, de Sinti, Σιντοί, met de stad Heraclēa Sintica.
Sinties, Σίντιες, oudste bewoners van Lemnus, ook op Samothrāce. Strabo brengt hen in verband met de Sinti, zie Sintice.
Sinuessa, bloeiende handelsstad in Latium aan de kust nabij de grenzen van Campania en den mons Massicus, rom. kolonie sedert 296. In den omtrek lagen warme bronnen, aquae Sinuessanae. De stad dreef een levendigen wijnhandel.
Sion, Σίων, berg, die een deel uitmaakte van Jerusalem.
Siparium, in tegenstelling van aulaeum, een klein scherm: bij mimi werden achter het aulaeum een of twee siparia gebruikt, die niet neergelaten, maar opgerold werden. Ze zijn waarschijnlijk een herinnering aan den tijd, dat de mimus nog een poppekastvertooning was. De mimi traden op vóór het siparium (de siparia).
Siphae, Σῖφαι, dorisch Τίφα, haven aan de Zuidkust van Boeotia, tot het gebied van Thespiae behoorende.
Siphnus, Σίφνος, eiland der Cycladen met eene stad van denzelfden naam. Het was rijk aan edele metalen; van het tiende deel der opbrengst legden de Siphniërs een schatkamer te Delphi aan. Toen echter in het zenden der tienden een verzuim had plaats gegrepen, drong de zee in die mijnen door, die aan de kust lagen, en vernielde ze. Toch bleef er nog genoeg over, om de welvaart te doen voortduren. Evenals de bewoners van Serīphus en Melos, weigerden ook die van Siphnus den Perzen schatting op te brengen. Voor de bondskas van het attische zeeverbond bracht Siphnus 3600 drachmen ’s jaars op. Op zedelijk gebied stond het in slechten naam; vandaar σιφνιάζειν, leven als een Siphniër.
Sipontum, Sipuntum, Σιποῦς, stad en sedert 194 rom. kolonie in Apulia aan den mons Gargānus, eene aanzienlijke havenplaats, later vervallen.
Sipylus, Σίπυλος, vulkanisch gebergte in Lydia, dat zich van den Tmolus afscheidt en langs den linkeroever van den Hermus naar de kust loopt. Het was rijk aan metalen. In het gebergte zou de oude hoofdstad van Lydia gelegen hebben, Tantalis of Sipylus, reeds vroeg bij gelegenheid eener aardbeving verzonken en in het meer Saloë of Sale herschapen.
Siraces of -ci, Σίρακες, -κοι, 1) machtig sarmatisch volk ten N. van den Caucasus. Zij werden door koningen geregeerd. In 50 na C. geraakten de Rom. met hen in oorlog.—2) volksstam in N.W. Armenia.
Sirbōnis lacus, Σιρβωνὶς ἡ λίμνη, lagune aan de aegyptische kust, tusschen den oostelijken of pelusischen Nijlmond en de judaeïsche grensstad Rhinocolūra. Het meer was diep en rijk aan asphalt. Thans is het grootendeels uitgedroogd.
Siredones, Σειρηδόνες = Sirēnes.
Sirēnes, Σειρῆνης, twee of drie nimfen, die op een bloemrijk eiland wonen en door haar betooverend gezang de voorbijvarenden onweerstaanbaar naar het strand lokken, waar zij op de klippen schipbreuk lijden. Op de Argonauten echter bleef haar gezang zonder uitwerking, daar Orpheus een lied zong, waarvoor zij moesten verstommen. Eveneens ontsnapte Odysseus aan het gevaar, door de ooren zijner tochtgenooten met was dicht te stoppen en zich zelf aan den mast te laten binden. Daarop wierpen de S. zich in zee en veranderden zij in rotsen.—Zij worden dochters van Phorcys of van Achelōus genoemd, hare namen zijn Aglaophēme, Thelxiepēa en Molpe, of Parthenope, Ligēa en Leucosia; als hare woonplaats beschouwde men kaap Pelōrum, de Sirenūsae of Capreae. Zij werden oudtijds afgebeeld als groote, logge vogels met vrouwenhoofden, later als vrouwen met vleugels en pooten van een vogel; hare beelden worden dikwijls als grafornamenten gebruikt. Men verhaalde dat zij gezellinnen van Persephone geweest waren en hare gedaante gekregen hadden om deze beter te kunnen zoeken, of als straf, omdat zij den roof van Persephone niet verhinderd hadden.
Sirenūsae, Σειρηνοῦσσαι, ook Sirēnum scopuli, drie onbewoonde eilandjes op de campaansche kust, ten Z. van het schiereiland van Surrentum, volgens de mythe eenmaal het verblijf der Sirenen.
Siris, Σίρις, rivier van Lucania, die zich in de golf van Tarentum stortte. Aan den mond lag een gelijknamige, bloeiende stad, die ± 550 door de inwoners van Croton, Sybaris en Metapontum (Metapontion) verwoest werd. Ruim een eeuw later werd de stad door de Tarentijnen herbouwd, niet echter op de oude plaats, die ongezond was, maar op de nabijgelegen hoogten, en Heraclēa genoemd. Siris bleef slechts haven. Aan den Siris (bij Heraclea) behaalde Pyrrhus in 280 zijne eerste overwinning op de Rom.
Sirius, Σείριος, z. Canis maior. In verscheiden deelen van Griekenland werden bij het opkomen van Sirius offers gebracht en godsdienstige plechtigheden verricht, om de verderfelijke gevolgen van de verzengende hitte der hondsdagen af te weren.
Sirmio, stadje aan den lacus Benācus (Gardameer) in Gallia Transpadāna. Catullus had in den omtrek eene villa.
Sirmium, Σίρμιον, stad in Pannonia aan den Savus (Save), sterke vesting met groote wapenfabrieken, hoofddepôt der Rom. in den dacischen oorlog. De stad was gesticht door de Tauriscers en werd onder de Rom. de hoofdstad der provincie en onder Diocletiānus die van de praefectura Illyrici.
Sisapon, Σισαπών, belangrijke stad in Baetica, met zilver- en tinmijnen, ten N. van Corduba (Cordova), thans Almaden.
Siscia, Σισκία, ook Segesta, thans Sissek, sterke vesting en aanzienlijke handelsplaats op een eiland, door den Savus en de Colapis gevormd. Het was de ligplaats der Savusvloot.
Sisenna, zie Cornelii no. 56.

Sistrum, σεῖστρον, een rammelaar, bij den dienst van Isis in gebruik. Het instrument bestond uit een metalen beugel met gaten, waardoor aan de uiteinden gekromde metalen staafjes gestoken waren; bij het schudden sloegen de omgebogen einden van die staafjes tegen den beugel en zoo werd het geluid voortgebracht.
Σισύρα, een grove, maar warme mantel, vooral bij landlieden in gebruik.
Sisygambis, Σισύγαμβις, moeder van Darīus Codomannus, werd na den slag bij Issus door Alexander gevangen genomen en met buitengewone oplettendheid door hem behandeld. Na den dood van Alexander stierf zij vrijwillig den hongerdood.
Sisyphides, Σισυφίδης, Odysseus, zoo genoemd als zoon van Sisyphus.
Sisyphus, Σίσυφος, zoon van Aeolus en Enarete, gehuwd met Merope (no. 3), stichter en koning van Corinthe. Ter gedachtenis aan Melicertes, wiens lijk hij aan het strand vond, stelde hij de isthmische spelen in. Hij was de hebzuchtigste aller menschen en ontzag niets in zijn streven om winst te behalen. Over het algemeen wordt hij als een zeer slecht mensch voorgesteld: hij verried de geheimen der goden, deed strooptochten in Attica, beroofde en vermoordde reizigers, maakte aan Asōpus bekend, dat Zeus diens dochter Aegīna geschaakt had, enz. Zelfs toen de Dood hem kwam halen, wist S. dezen op listige wijze in boeien te slaan, zoodat niemand meer stierf, totdat Hades zelf kwam en den gevangene bevrijdde. Nu moest S. sterven, maar vooraf gaf hij aan zijne vrouw bevel hem niet te begraven; na eenigen tijd beklaagde hij zich hierover bij Hades en kreeg hij verlof naar de aarde terug te keeren om zijne vrouw te straffen, hij maakte echter van dat verlof misbruik en keerde niet naar de onderwereld terug, totdat Hermes kwam en hem met geweld medenam. Wegens al deze misdaden moet hij in de onderwereld een zwaar rotsblok tegen een hoogen berg opwentelen, dat telkens, wanneer het doel bijna bereikt is, weder naar beneden stort.—V. s. had hij, om zich te wreken op Autolycus, die runderen van hem gestolen had, diens dochter Anticlēa verleid, en was zij bij hem moeder geworden van Odysseus.
Sitace, Σιτάκη, volkrijke stad van Babylonia, aan den Tigris, stroomopwaarts van Seleucīa en Ctesiphon, maar nog binnen den medischen muur, hoofdstad van het distrikt Sitacēne, Σιτακηνή.
Sitalces, Σιτάλκης, zoon en opvolger van Teres, vergrootte het door zijn vader gestichte rijk der odrysische Thraciërs en was eenigen tijd een bondgenoot der Atheners. Hij sneuvelde in een slag tegen de Triballi, 424.
Sitella, vaas met betrekkelijk wijden buik en langen, nauwen hals, zooals in de comitiën te Rome gebruikt werd om de voorstemmende tribus aan te wijzen. Hiertoe werden plankjes (tesserae) met de namen der tribus in de vaas geworpen en dooreengeschud. Vervolgens werd de sitella met water gevuld en de tessera, die het eerst aan den mond te voorschijn kwam, wees de tribus aan, waarvan de stem het eerst werd publiek gemaakt of waaruit de voorstemmende centurie zou genomen worden. Ook de urn, waarin de indices bij de quaestiones perpetuae hunne stemtafeltjes (tabellae) werpen, heet sitella.
Σιτηρέσιον, kosten van onderhoud en verpleging, die aan de atheensche soldaten boven hun soldij betaald werden. Als minimum wordt door Demosthenes gerekend 2 obolen per dag voor een voetknecht, 1 drachme voor een ruiter.
Σίτησις, voeding op staatskosten, genoten te Athene allen of bijna allen, die in dienst van den staat waren. Bovendien onthaalde de staat in het Prytanēum vreemde gezanten, herauten, enz.; ook aan enkele burgers, die zich jegens den staat verdienstelijk gemaakt hadden, werd een plaats aan de tafel in het Prytaneum gegeven, wat in den bloeitijd van Athene als een groote eer beschouwd werd.
Sithonia, Σιθωνία, de middelste der drie landtongen van Chalcidice, tusschen de Toronaeïsche en Singitische golven.
Σιτῶναι, ambtenaars te Athene, wier taak het was te zorgen, dat steeds in de staatsmagazijnen genoeg koren in voorraad was om te beletten, dat de prijzen door de korenkoopers te zeer opgejaagd werden.
Sitōnes, bij Tacitus een germaansch volk in Scandinavia, met eene vrouwenregeering. Het is echter een Finsche stam, die ten N. van de Suiōnes (de Zweden) het Midden en Noorden van Scandinavië bewoonde.
Σιτοφύλακες, ambtenaars te Athene, belast met het toezicht op de uitvoering der korenwetten. Er waren 5, later 25, voor de stad, en 5, later 15, voor den Piraeus.
Sittace = Sitace.
Sittii. P. Sittius Nucerīnus, vriend van P. Cornelius Sulla, werd vóór het uitbarsten der catilinarische samenzwering naar Hispania gezonden, doch na zijne terugkomst van medeplichtigheid beticht. Hij ontvluchtte naar Afrika (62) en diende daar in de legers der afrikaansche vorsten, tot hij in den burgeroorlog de partij van Caesar koos, Juba’s troepen hielp verslaan en na den slag bij Thapsus de overblijfselen van het pompejaansche leger verstrooide. Caesar stelde hem aan als stadhouder over een gedeelte van Numidia; na Caesars dood werd ook Sittius vermoord.
Σκύθαι, z. τοξόται.
Σκυτάλη, z. Scutala.
Σκυτάλισμος, doodstraf door middel van een knods of knuppel. Deze wijze van terechtstelling is in een tijd van hevige beroering (± 370) door het volk te Argos op 1000 (v. a. 1200) aanzienlijke burgers toegepast, terwijl ten laatste ook de demagogen, die het volk daartoe aangezet hadden, aldus werden terechtgesteld.
Smerdis, Σμέρδις, broeder van Cambȳses, die hem uit jaloerschheid door Prexaspes liet dooden. Terwijl Cambyses nog in Aegypte was, gaf een magiër Gaumāta, Gometes, zich voor Smerdis uit, op wien hij inderdaad sprekend geleek, en maakte zich van de regeering meester. Hij werd door het volk erkend, en Cambyses stierf voordat hij hem had kunnen straffen, maar na 7 maanden werd de gewaande Smerdis (Pseudo-Sm.) ontmaskerd (z. Prexaspes) en door zeven edele Perzen, waaronder ook Darīus Hystaspis was, gedood.
Smilis, Σμῖλις, van Aegīna, een van de oudste grieksche beeldhouwers, waarschijnlijk uit de eerste helft van de 6de eeuw; hij wordt een leerling van Daedalus genoemd.
Smintheus, Σμινθεύς, bijnaam van Apollo, waarschijnlijk naar de stad Sminthe in Troas. Men leidde echter den naam gewoonlijk af van σμίνθος (muis), omdat de muis het zinnebeeld der voorspellingskunst is, of omdat Apollo een van zijne priesters van muizen bevrijd zou hebben. Of hij had aan Teucriërs, die onder leiding van Scamander uit Creta verhuisden, een orakel gegeven, dat zij zich moesten vestigen, waar zij last zouden hebben van uit de aarde geborenen. Toen zij nu in Troas geland waren en vonden, dat muizen aan hunne bogen en schilden geknaagd hadden, bleven zij daar en stelden zij den dienst van Apollo Sm. in.
Smyrna, Σμύρνα = Myrrha.
Smyrna, Σμύρνα, aeolische kolonie van Cyme, eene der meest beroemde en welvarende steden van Klein-Azië, ± 700 door de Ioniërs vermeesterd en sedert lid van het ionisch-aziatisch verbond gebleven. Omstreeks 600 werd het door den lydischen koning Sadyattes verwoest, en het duurde tot na den dood van Alexander den Gr., eer door toedoen van Antigonus een nieuw Smyrna verrees, iets zuidelijker gelegen dan het oude. Lysimachus maakte er vervolgens eene van de prachtigste steden der oudheid van, met rechte en goed geplaveide straten. Ook onder rom. heerschappij bleef Smyrna eene bloeiende plaats en was het een conventus. In 178 na C. werd het door eene aardbeving hevig geteisterd, doch op last van keizer M. Aurelius hersteld. Smyrna beweerde de geboorteplaats te zijn van Homerus, voor wien in het Homerēum een standbeeld was opgericht. Ook was er een fraaie tempel van Cybele. De tapijtweverijen van Smyrna waren reeds in de oudheid beroemd. De aanliggende golf heette Smyrnaeus sinus. Thans heet de stad zoowel Smirna als Ismir.
Soccus, een pantoffel van lichte stof, het eigenaardig schoeisel van tooneelspelers en dansers in het blijspel. Ook buiten het tooneel werd de soccus door de Grieken zeer algemeen gebruikt, bij de Rom. echter in den regel alleen door vrouwen.
Sociāle bellum, opstand der italiaansche bondgenooten tegen Rome in de jaren 90 en 89. Zie Marsicum bellum.
Socii, bondgenooten. Volgens de overlevering reeds in den koningstijd, en in elk geval sedert 493 is Rome door een foedus aequum met de Latijnen, en later met de Hernici verbonden geweest, zie Latium. Later, toen Rome langzamerhand geheel Italia veroverde, werd de afhankelijkheid, waarin de verschillende steden en staten gebracht werden, uitgedrukt door het woord socii, waarbij dan het nomen Latinum een bevoorrechte plaats innam. De staten, waarmede Rome een foedus sloot, heetten civitates foederatae, en behielden hun souvereiniteit; ze hadden eigen bestuur, eigen rechtspleging en het recht om munt te slaan. Zij mochten geen betrekkingen met het buitenland onderhouden; in elk verdrag kwam de bepaling voor: ut eosdem quos populus Romanus amicos atque hostes habeant. Zij betaalden geen belasting, maar waren verplicht troepen, en de staten aan zee ook schepen, te leveren. De afhankelijkheid waarin zij stonden ten opzichte van Rome werd uitgedrukt door de formule: maiestatem populi Romani comiter conservanto. Door hun verstandig en gematigd optreden wisten de Romeinen de socii aan zich te binden; en deze politiek heeft het hun mogelijk gemaakt, op den duur de nederlagen van den 2den punischen oorlog te boven te komen. In de 2de eeuw beginnen ze echter de socii, wier hulp men niet meer noodig heeft, te onderdrukken, hetgeen dan ten slotte uitloopt op den bondgenooten-oorlog, die Italië ontvolkt heeft, zie Marsicum bellum. De provinciën, wier toestand door eene wet geregeld was, werden niet tot de socii gerekend. Overigens waren er ook buiten Italië socii als civitates foederatae (z. a.), en koningen wien de titel socius et amicus populi Romani was verleend, doch ook dan was meestal het bondgenootschap slechts een zachtere vorm van afhankelijkheid. Buitenlandsche volken zijn exterae nationes, doch waar in engeren zin van socii et exterae nationes gesproken wordt, moet men onder de laatsten de bewoners der rom. provinciën verstaan en onder socii de latijnsche en italische bondgenooten. Zelfs werd deze benaming nog wel voor de italiaansche civitates gebezigd, ook nadat deze in de jaren 90–88 het burgerrecht hadden verkregen en de naam socii dus strikt genomen op haar niet meer van toepassing was.—In de rom. legers waren vóór 90 de troepen der italiaansche civitates onder den naam van socii aanwezig; andere hulptroepen heetten auxilia (z. a.).
Socii navāles. De dienst ter zee stond bij de Rom. in minachting, daarom werd de bemanning der vloot uit de armste burgers genomen. Allengs kwam het bemannen en proviandeeren der vloot meer en meer ten laste der socii (z. a.), die natuurlijk hiervoor het uitschot hunner bevolking en ook vrijgelaten slaven leverden, hetgeen niet strekte om den zeedienst te verheffen. De rom. marine was in den eersten punischen oorlog zeer belangrijk, later liet men ze vervallen (zie classis) en bediende men zich veelvuldig van de vloten van verbonden volken, zooals de Rhodiërs e. a.
Socrates, Σωκράτης, Athener, zoon van den beeldhouwer Sophroniscus en Phaenarete, geb. 470. In zijne jeugd genoot hij de gewone atheensche opvoeding, hij trachtte zich te ontwikkelen door het lezen van dichters en wijsgeeren en zocht met hetzelfde doel gaarne den omgang van beschaafde en verstandige lieden, in een bepaalde school gevormd werd hij echter niet. Hij leerde de kunst van zijn vader, en nog meer dan vijf eeuwen later wees men op de acropolis te Athene een groep, die voor het werk van S. gehouden werd. Hij streed mede in de slagen bij Potidaea, Delium (z. Alcibiades) en Amphipolis, in 406 was hij lid van den raad en verzette hij zich tegen de onwettige behandeling van het proces der veldheeren uit den Arginusenslag. Als wijsgeer heeft hij meer dan iemand anders invloed uitgeoefend op zijne vrienden en leerlingen niet alleen, maar ook op zijne tijdgenooten in het algemeen, zelfs op de geheele geschiedenis der philosophie. Zonder met een uitgewerkt wijsgeerig stelsel op te treden, wekte hij bij allen met wie hij omging de zucht tot wetenschappelijk onderzoek op het gebied der zedeleer op, waarbij hij uitging van de eenvoudige stelling dat deugd kennis is en dus geleerd kan worden, dat alzoo niemand vrijwillig, maar slechts uit onwetendheid, verkeerd handelt. Het hoogste dat men bereiken kan, tevens de noodzakelijke voorwaarde voor praktische voortreffelijkheid, is dus zelfkennis, en de eerste stap om daartoe te komen is het zich bevrijden van verkeerde meeningen. Daartoe trachtte hij nu hen, die met hem omgingen, langs een eigenaardigen weg te leiden. Hijzelf erkende dat hij niets wist, terwijl hij nu voorgaf te willen leeren van hen, die beweerden wel iets te weten (socratische ironie, εἰρωνεία), bracht hij door de inrichting van zijne gesprekken en vragen ieder tot het bewustzijn, dat diens vermeende kennis slechts schijn was en iederen vasten grondslag miste. In overeenstemming hiermede noemde hij zich ook geen leeraar en liet hij zich, ook om zijne vrijheid niet aan banden te leggen, voor zijn onderwijs niet betalen, ook had hij in den eigenlijken zin van het woord geen leerlingen, maar iedereen, dien hij er geschikt toe achtte, overviel hij met zijne vragen en dwong hij tot de erkentenis van zijne onwetendheid. In zijne handelingen beweerde hij geleid te worden door eene inwendige goddelijke stem (δαιμόνιον), die hem van het verkeerde terughield. Maar terwijl velen zich door zijne streng logische redeneering aangetrokken gevoelden en erkenden, dat hij den juisten weg voor wijsgeerige studiën aanwees, terwijl verder velen, vol bewondering voor zijn levenswandel, zijn zelfbeheersching, standvastigheid, matigheid, trouw, vaderlandsliefde en godsvrucht, zich met liefde en eerbied bij hem aansloten, was het aantal nog veel grooter van hen, die in hem alleen een lastig en eigenwijs mensch zagen, die al wat van ouds voor waar erkend was op losse schroeven zette en de gemoederen voortdurend in beroering bracht; men beschouwde hem als een van de sophisten, en juist de groote bijval, dien hij vond, maakte hem in het oog van het oppervlakkige volk tot den gevaarlijksten onder hen. Als zoodanig werd hij door Aristophanes in een van zijne comedies, de Νεφέλαι, aan aller bespotting prijs gegeven. Eindelijk werd hij, reeds 70 jaar oud, door Melētus, Anytus en Lycon aangeklaagd wegens het verachten der van staatswege erkende goden, het invoeren van nieuwe godheden en het verleiden der jeugd. Met een kleine meerderheid van stemmen werd hij schuldig bevonden; daar echter de aanklagers de doodstraf geëischt hadden, en S. daartegen de geringe som van 30 minen aanbood (zie τίμημα), daarbij bewerende, dat hij eigenlijk verdiend had op staatskosten in het Prytanēum onderhouden te worden, verbitterde hij door zijne onverschilligheid de rechters en werd hij met eene grootere meerderheid ter dood veroordeeld. Met de grootste kalmte en opgeruimdheid dronk hij den giftbeker (399).
Sodāles, sodalitas, sodalicium. Sodales zijn kameraden, deelgenooten van een disch, leden van een krans, van een gezelschap en dgl. Eene sodalitas is dus eene broederschap, een genootschap, en evenzoo sodalicium. Beide woorden, doch vooral het laatste, komen echter ook in slechten zin voor, en beteekenen dan een geheime of verboden vereeniging, een politieke club. Vooral bij verkiezingen speelden zulke clubs door omkooping en andere ongeoorloofde middelen dikwijls eene groote rol. Ook priestercollegiën voor den dienst eener bepaalde godheid of tot het vieren van bepaalde feesten vormen eene sodalitas, o. a. de Salii, de fratres arvāles.—De sodāles Titii waren, naar het heet, door Romulus ingesteld om de gedachtenis aan koning Titus Tatius in eere te houden. Voor de vereering van Augustus werd na diens dood te Rome een college, van sodāles Augustāles ingesteld (niet te verwarren met de Augustāles in de municipiën). Later kreeg men ook sodales van andere vergode keizers.
Sodoma, τὰ Σόδομα, Sodom, welvarende stad in het vruchtbare dal Siddim, die met Gomorra en nog andere steden door eene vulkanische uitbarsting werd verdelgd, terwijl de geheele landstreek verzonk en in een meer veranderd werd (lacus Asphaltītes, Doode zee).
Sogdiāne, Σογδιανή, N.O. provincie van het perzische rijk, bergachtig doch niet onvruchtbaar. De Sogdii of Sogdiani, Σόγδιοι, Σογδιανοί, waren een vrij ruw volk, in verschillende stammen verdeeld. Hoofdstad: Maracanda (Samarkand).
Sogdi(ān)us, Σόγδιος, Σογδιανός, zoon van Artaxerxes I, besteeg den troon na het vermoorden van zijn halfbroeder Xerxes II, doch werd na eene korte regeering door zijn broeder Darīus vermoord (425).
Sol, latijnsche naam voor Helius.
Solānus of Subsolānus, de Oostenwind, zie Windstreken.
Solarium, 1) zonnewijzer, een werktuig, omstreeks 500 door Anaximander of Anaximenes in Griekenland ingevoerd en in 291 door L. Papirius Cursor of in 264 door M. Valerius Messāla naar Rome overgebracht, waar er een op het forum werd geplaatst. In 159 verving P. Scipio Nasīca den zonnewijzer door een wateruurwerk, dat nu den vreemden naam kreeg van solarium ex aqua. In tegenstelling daarvan heet een werkelijke zonnewijzer solarium descriptum.—2) terras met borstwering of leuning boven op het platte dak van een huis, veeltijds met planten versierd, in later tijd ook wel overdekt, doch aan alle zijden open.
Soleae, sandalen, bestaande in eene zool, met een riem dwars over den voet, de gewone dracht der Rom. in huis. Ook de hoeven van last- en trekdieren werden beschermd door soleae sparteae, kleine mandjes uit sparte of biezen gevlochten, die om de pooten sloten en met riempjes werden vastgebonden. Was, om het spoedige slijten tegen te gaan, zulk eene solea van een metalen zooltje voorzien, dan was zij eene solea ferrea, aan hoefijzers schijnt men niet te moeten denken. In tijdperken van weelde onder de keizers worden ook wel soleae argenteae, zelfs aureae, voor dieren vermeld.—De solea lignea was een voetkluister voor misdadigers.
Soli, Σόλοι, 1) voorname stad, atheensche kolonie op de cilicische kust ten Z.W. van Tarsus. Tigranes II van Armenia (96–56) verwoestte ze en bracht de inwoners over naar Tigranocerta; Pompeius herbouwde ze en bevolkte ze met gevangen zeeroovers, terwijl zij tevens den naam kreeg van Pompeiopolis. Dit Soli was de geboorteplaats van den stoicijn Chrysippus, en de dichters Arātus en Philēmon.—2) havenstad op het W. gedeelte der Noordkust van Cyprus.—Van het eerstgenoemde Soli wordt het woord soloecismus afgeleid voor spreken met taalfouten.
Solidus, zie Aureus.
Solīnus (C. Iulius), uit de 3de eeuw na C., schreef eene geografisch-historische schets der oude wereld onder den titel Collectanea rerum memorabilium, wat de geographie betreft, bewerkt naar Plinius’ Nat. Historia. Later heeft dit werkje den naam van Polyhistor gekregen.
Solis fons, Ἡλίου κρήνη, bron in de libysche woestijn nabij de oase Ammonium. Des middags was het water koud, te middernacht kokend heet.
Solitaurilia = Suovetaurilia.
Solium, stoel met hooge massieve rechtopstaande rugleuning en met armleuningen. Hij werd als troonzetel gebruikt door goden en koningen. Ook de rom. rechtsgeleerden hadden de gewoonte, wanneer zij te huis adviezen gaven, op een solium plaats te nemen. Vandaar de uitdrukking a subselliis in otium soliumque se conferre = de rol van pleiter laten varen en zich bepalen tot het geven van adviezen.
Solois, Σολόεις, 1) ver vooruitspringende met bosch begroeide kaap in Mauretania aan den Atlantischen oceaan.—2) = Solus.
Solon, Σόλων, zoon van Execestides, afstammeling van Codrus, ondernam reeds vroeg als koopman verre reizen, waarbij hij meer dan gewone kennis en beschaving opdeed. In het openbare leven onderscheidde hij zich het eerst door de herovering van Salamis, waartoe hij zijne medeburgers aanspoorde, nadat het eiland kort te voren ten gevolge van een ongelukkigen oorlog aan Megara was afgestaan, ook in den heiligen oorlog tegen Cirrha trad hij op den voorgrond. Zijn grootsten roem heeft hij echter verworven door zijne wetgeving, die een einde maakte aan de verwarde toestanden te Athene, aan de verdeeldheid en partijtwisten, die door Draco’s wetgeving en door Cylon’s poging om de alleenheerschappij te verkrijgen ten top gestegen waren. S., in 594 tot eersten archont verkozen, trad als bemiddelaar tusschen de verschillende partijen op en deed door zijne wijze wetten rust en tevredenheid terugkeeren. Tot oogenblikkelijke verlichting van het verarmde volk diende de σεισάχθεια en eene amnestie voor hen, die volgens de schuldwetten hun burgerrecht verloren hadden; verder werd op dit gebied bepaald, dat men niet meer zijne persoonlijke vrijheid voor schulden zou kunnen verliezen. Vervolgens verdeelde hij de burgerij, waarin nu ook de vrije bewoners van het platteland werden opgenomen, in 4 klassen (z. φυλή), door welke verdeeling de staatkundige rechten der burgers, maar ook hunne verplichtingen tegenover den staat, van het vermogen afhankelijk gemaakt werden, en de voorrechten van den adel werden opgeheven. Alleen uit de eerste klasse werden de archonten en leden van den Areopagus gekozen, de vierde was van alle openbare ambten uitgesloten. Door een aantal bepalingen werden de bevoegdheden van de volksvergadering, de overheden, regeeringslichamen, rechtbanken, enz., nauwkeurig vastgesteld (z. o. a. Areopagus, Βουλή), het geheele staatsleven en alle maatschappelijke betrekkingen geregeld. Van groot belang is vooral ook zijne regeling van het attische privaatrecht. Omtrent de opstelling der wetten z. ἄξονες.—Om het volk te dwingen zich aan de nieuwe wetten te gewennen, liet hij zweren dat in 10 jaar geen verandering er in gebracht zoude worden. Hijzelf begaf zich gedurende dien tijd weder op reis. Wel ontbrandde in zijne afwezigheid de partijstrijd opnieuw en werden in 589 en 584 zelfs geen archonten verkozen (z. ook Damasias), wel zag hij spoedig na zijne terugkomst, in weerwil van zijn verzet, de hoogste macht in handen van Pisistratus vallen, maar zijne wetten bleven toch voor het grootste gedeelte van kracht en de latere democratische staatsinrichting van Athene heeft zich geleidelijk uit de door S. in het leven geroepen toestanden ontwikkeld.—Ook als dichter toonde S. meer dan gewone talenten, vooral beroemd is zijne elegie, waarmede hij de Atheners tot de herovering van Salamis aanspoorde; wij bezitten van zijne gedichten, die door de Atheners ook lang na zijn dood in hooge eer gehouden werden, nog vrij talrijke fragmenten, meest van staatkundigen of wijsgeerigen inhoud. Als een van de 7 wijzen had hij tot spreuk μηδὲν ἄγαν.—Hij stierf in 559 op den leeftijd van omstreeks 80 jaar.
Solonius ager, streek in Latium, ten Z.O. van Ostia, die zich tot het grondgebied van Lanuvium uitstrekte.
Solus, Soluntum, Σολοῦς, Σολόεις, oude havenstad op de N.-kust van Sicilia, carthaagsche volkplanting, ten O. van Panormus (Palermo).
Solygīa, Σολύγεια, vlek in Corinthia op den berg Solygius, ten Z. van Cenchreae.
Solyma, τὰ Σόλυμα, 1) = Climax.—2) = Hierosolyma.
Solymi, Σόλυμοι, oud volk in Lycia. Zie Climax.
Sontiātes, Σωτιᾶται, volk in Aquitania ten Z. van den Garumna (Garonne), voortreffelijke ruiters en mijnwerkers.
Sontius, thans Isonzo, rivier in Venetia, die bij Aquileia in den sinus Tergesticus (golf van Triëst) valt.
Sonus, Σῶνος, aanzienlijke rivier van India, die op den mons Vindius (Vindhya) ontspringt en bij Palibothra in den Ganges valt.
Sopater, Σώπατρος, 1) van Paphus, kluchtspeldichter ten tijde van Alexander d. G.; de weinige fragmenten, die van zijne werken over zijn, zijn het eenige, dat wij van deze dichtsoort bezitten, z. Φλύαξ.—2) van Apamēa, neo-platonisch wijsgeer, leerling van Iamblichus, werd op bevel van Constantijn d. G. ter dood gebracht, omdat hij propaganda maakte voor den heidenschen godsdienst.
Sophaenetus, Σοφαίνετος, van Stymphālus, een van de aanvoerders der grieksche troepen van den jongen Cyrus, waarschijnlijk dezelfde, van wien eene Κύρου Ἀνάβασις genoemd wordt.
Sophēne, Σωφηνή, landschap in het Z.W. van Armenia, door den Euphraat van Cappadocia gescheiden. Hoofdstad: Arsamosata.
Sophistae, σοφισταί, in het algemeen geleerden; de naam werd toegepast op hen die in een of ander vak van wetenschap uitmuntten, of er eene bepaalde studie van maakten. Ook wijsgeeren werden oudtijds zoo genoemd, Pythagoras zou zichzelf het eerst den naam van φιλόσοφος gegeven hebben. Ten tijde van en na Pericles traden in vele grieksche steden, vooral te Athene, onder den naam van sophisten mannen op als leermeesters in alles wat voor het praktische leven, vooral voor den staatsman en redenaar noodig is. Zij vonden grooten bijval, ook bij de uitstekendste mannen van hun tijd, vormden vele leerlingen en lieten zich goed betalen. Daarentegen vonden vele voorstanders van het oude, dat men de wetenschap verlaagde, door haar aan praktische doeleinden dienstbaar te maken, en welsprekendheid, als eene kunst aangeleerd, werd altijd met wantrouwen beschouwd; men meende dat zij zoo tot niets konde dienen, dan om met een schijn van wijsheid te pronken en recht en waarheid te verdraaien. En inderdaad, hoewel vele oudere sophisten zich op wetenschappelijk gebied verdienstelijk gemaakt hebben (Protagoras, Gorgias, Hippias, Prodicus), waren hunne navolgers over het algemeen niets anders dan rhetoren, wier onderwijs zich grootendeels tot de mededeeling bepaalde van allerlei kunstjes, waardoor men, misbruik makend van de leer van Protagoras over het betrekkelijk juiste van iedere meening, zoowel voor als tegen iedere zaak kon spreken. De tegenstand, dien de sophisten van Socrates en diens leerlingen, vooral van Plato, ondervonden, is de oorzaak geweest, dat men hen lang ten onrechte als aanhangers eener wijsgeerige richting met zekere gemeenschappelijke leerstellingen beschouwd heeft, en dat men hun, naar aanleiding van de weinige uitdrukkingen van sophisten, die bekend zijn, een voor zedelijkheid en godsdienst verderfelijk stelsel heeft toegedicht, dat zij in werkelijkheid nooit verkondigd hebben.
Sophocles, Σοφοκλῇς, 1) Athener, zoon van den rijken Sophillus, geb. 496 of 497. Van zijn leven is weinig bekend, onder zijne vrienden worden Herodotus en Pericles genoemd. In den samischen oorlog was hij te gelijk met dezen strateeg en even te voren had hij het ambt van Ἑλληνοταμίας bekleed. Algemeen bemind en geprezen stierf hij in 406 of 405, na zijn dood werden hem door de Atheners dezelfde eerbewijzen toegekend als aan Aeschylus, en op zijn graf werd jaarlijks van staatswege geofferd (z. ook Iophon).—Als treurspeldichter wordt hem in ouden en nieuwen tijd eenstemmig de eerste rang toegekend; evenals Homerus ὁ ποιητής heette, zoo wordt S. dikwijls door de ouden eenvoudig ὁ τραγικός genoemd. Reeds bij zijn eerste optreden (468) vertoonde zijne wijze van behandeling der stof zoo groote afwijking van die van Aeschylus, dat het toekennen van den prijs door de groote opgewondenheid der voorstanders van beide richtingen bemoeielijkt werd; ten slotte behaalde S. de overwinning. Door een derden tooneelspeler toe te voegen aan de twee, waarvoor de stukken van Aeschylus berekend waren, is hij in staat de handeling belangwekkender, de dialogen meer afwisselend te maken. Zonder in het alledaagsche te vervallen, staan de personen in zijne stukken ons nader dan bij Aeschylus; de geheele handeling ontwikkelt zich als van zelf en de afloop wordt op natuurlijke wijze voorbereid door de voortreffelijk geschilderde karakters, die hij soms door welberekende tegenstellingen nog scherper doet uitkomen; ook in hun taal, hoewel altijd edel en verheven, is alle duisterheid en onduidelijkheid vermeden. Met zijne 115 (v. a. 123 of 130) stukken behaalde hij 20 of 24 maal den eersten en zeer dikwijls den tweeden prijs. Wij bezitten er van nog 7 stukken in hun geheel, benevens een groot aantal fragmenten. Het zijn de volgende: Antigone (441), Oedipus Tyrannus, Aias, Trachiniae, Electra (± 413), Philoctetes (409), Oedipus Coloneus.—2) kleinzoon van den vorigen, treurspeldichter.—3) atheensch veldheer, werd in 425 met eene vloot naar Sicilië gezonden en ondersteunde de democratische partij in de burgertwisten op Corcȳra; later werd hij, onder vermoeden dat hij zich door de Siciliërs had laten omkoopen, verbannen.
Sophonisbe, Σοφονίσβη, dochter van den carthaagschen veldheer Hasdrubal (z. a. no. 4). Zij koesterde een onverzoenlijken haat tegen Rome. Daarom ook eischte Scipio hare uitlevering (zie Masinissa), uit vrees dat Masinissa’s trouw tegen Sophonisbe’s inblazingen op den duur niet bestand zou zijn.
Sophron, Σώφρων, van Syracuse, z. Mimus.
Σωφρονισταί, opzichters over de atheensche epheben, die op het gedrag der jongelieden toezicht hielden. Jaarlijks werden door iedere phyle drie candidaten, boven de 40 jaar oud, voor dit ambt aangewezen, en uit ieder drietal werd een door het volk verkozen. Zij werden van staatswege met een drachme per dag bezoldigd.
Sopianae, stad in Pannonia Inferior, ten N. van den Dravus.
Sora, Σώρα, volscische stad in Latium aan den Liris, met sterke muren en een sterken burcht. De Rom. hadden er eene latijnsche kolonie heengezonden, doch in 315 hadden de Soraners de kolonisten omgebracht en zich bij de Samnieten aangesloten, eene daad, waarvoor zij in 314 zwaar moesten boeten. In 303 werd Sora andermaal lat. kolonie.
Soracte, genit. -is, berg in het Z.O. van Etruria nabij den Tiber. Op den top, die ook wel eens nog in den zomer met sneeuw bedekt was, stond een tempel van den god Sorānus, tot wiens eer daar op sommige tijden feesten werden gevierd, en aan den voet een tempel van Feronia.
Sorānus, 1) een sabijnsch god, die op den Soracte vereerd werd en gewoonlijk voor denzelfden gehouden werd als Apollo, maar die in werkelijkheid tot de goden der onderwereld moet gerekend worden. Bij zijn jaarlijksch feest gingen zijne priesters, die tot het geslacht der Hirpi Sorani behoorden, met de ingewanden der offerdieren in de hand, blootsvoets over brandende hoopen hout. Zij waren van den krijgsdienst en andere staatslasten vrijgesteld.—2) Zie Barea Soranus.—3) geneesheer en schrijver over geneeskunde onder Traiānus en Hadriānus.
Sordice, een meer in Gallia Narbonensis, dicht bij de rivier Ruscino, aan den voet der Pyrenaeën, dat met een dikke korst modder of veen bedekt was.
Sordidātus, in eene toga sordida gehuld, als beschuldigde, om het medelijden der rechters op te wekken.
Sordones, kleine stam in Gallia Narbonensis. Hoofdstad: Ruscino.
Sortes, eene soort orakel door het lot. Eiken plankjes, waarop spreuken en teekens waren ingesneden, waren tot een bundel saamgebonden. Door een knaap werden zij getrokken en dan het antwoord er uit opgemaakt (Sortilegium, κληρομαντεία). Door droogte krompen zij wel eens, ook sleten zij door het gebruik af, en dan gebeurde het wel, dat er een plankje van zelf uit den bundel viel (sortes sua sponte attenuatae). De meest beroemde dezer orakels waren die van den Fortuna-tempel te Praeneste en van Caere.
Sosibius, Σωσίβιος, 1) uit Sparta, geschiedschrijver en chronograaf ten tijde van Ptolemaeus Philadelphus.—2) leermeester van Britannicus, een werktuig van Messalīna, later door toedoen van Agrippīna ter dood gebracht.
Sosigenes, van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en sterrenkundige, schreef o. a. commentaren op eenige werken van Aristoteles en hielp Julius Caesar bij het verbeteren van den rom. kalender.
Sosii. 1) C. Sosius, praetor in 49, werd in 37 door Antonius belast met den oorlog tegen Antigonus, zoon van den Maccabaeër Aristobūlus (z. a.), die met de hulp van den parthischen kroonprins Pacorus het bestuur over Judaea vermeesterd had. Sosius versloeg Antigonus en bracht hem ter dood, zoodat Herōdes I (z. a.) bezit van den troon kon nemen. In den burgeroorlog was hij op de zijde van Antonius, doch verzoende zich na den slag bij Actium met Octaviānus.—2) Q. Sosius Senecio, consul onder Traiānus, was een begunstiger van Plutarchus, die verscheidene levensbeschrijvingen aan hem opdroeg.—3) Q. Sosius Falco, na den dood van Commodus mededinger van Pertinax naar de keizerskroon; zoo P. hem niet het leven had gered, zou hij zijn pogen met den dood bekocht hebben.—4) de gebroeders Sosii, bij wie Horatius zijne geschriften uitgaf.
Sosilus, Σώσιλος, Lacedaemoniër, leermeester en vriend van Hannibal, wiens daden hij beschreef. Polybius spreekt over zijn werk een ongunstig oordeel uit.
Sosipater, Σωσίπατρος, dichter der nieuwe attische comedie. Van een van zijne stukken is een vrij groot fragment bewaard gebleven.
Sosiphanes, Σωσιφάνης, van Syracuse, treurspeldichter ten tijde van Philippus en Alexander. Hij schreef 73 stukken, behaalde 7 maal den eersten prijs, en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen.
Sosistratus, Σωσίστρατος, 1) Syracusaan, hoofd der oligarchische partij na den dood van Timoleon, werd door Agathocles verbannen en ging naar Agrigentum.—2) tyran van Agrigentum die, door Syracuse aan te vallen, den Carthagers aanleiding gaf zich in de grieksche aangelegenheden te mengen. Toen tegen hem de hulp van Pyrrhus ingeroepen werd, moest S. vluchten (278).
Sositheus, Σωσίθεος, van Alexandrië in Troas, trad te Athene en Alexandrië in Aegypte als treurspeldichter op en werd in de alexandrijnsche pleias opgenomen. Zijn bloeitijd was omstreeks 280.
Sospita, redster, bijnaam van Juno, waaronder zij vooral te Lanuvium vereerd werd en te Rome een tempel had.
Sosthenes, Σωσθένης, een Macedoniër van geringe afkomst, die koning Antigonus Gonātas dwong de regeering neder te leggen, zich aan het hoofd van het leger stelde en de Galliërs uit het land joeg (280). In het volgende jaar sneuvelde hij echter bij een nieuwen inval der Galliërs.
Sostratus, Σώστρατος, 1) een zeeroover die zich ten koste van de Atheners van het eiland Halonēsus meester maakte, van waar hij door Philippus van Macedonië verdreven werd.—2) Macedoniër, ter dood gebracht als medeplichtige aan de samenzwering van Hermolāus.—3) van Cnidus, beroemd bouwmeester, die o. a. den vuurtoren op Pharus bouwde.—4) beroemd geneesheer te Alexandria uit de 2de helft der eerste eeuw, vooral beroemd als chirurg. Er zijn nog fragmenten van zijn werken over.
Sosus, Σῶσος, van Pergamus, uitvinder van de ingelegde mozaiek-vloeren. Een nabootsing van zijn duiven op den rand van een schaal vindt men in het capitolijnsch Museum te Rome. Ze stamt uit de villa Hadriani.
Sotades, Σωτάδης, van Maronēa, schrijver van onzedelijke gedichten van mythologischen inhoud (versus Sotadei). Hij leefde onder Ptolemaeus Philadelphus, en naar men verhaalde werd hij in zee geworpen, omdat hij het huwelijk van den koning met diens zuster Arsinoë bespot had.
Σωτήρ, Σώτειρα, 1) bijnaam van verscheiden goden en godinnen, waarbij men hen aanriep, als men om redding uit nood of gevaar bad. Vooral wordt die naam aan Zeus gegeven, maar ook aan Poseidon, Apollo, Dionȳsus, Hera, Artemis e. a.—2) bijnaam van Ptolemaeus I en Demetrius III.
Soteria, Σωτήρια, feest ter eere van Apollo, jaarlijks te Delphi gevierd, ter herinnering aan den inval der Galliërs in 279, die door de hulp van Apollo afgeweerd was.
Sotion, Σοτίων, 1) van Alexandrië, wijsgeer uit de school der Sextii, leermeester van Seneca, en schrijver van een werk van gemengden inhoud, Κέρας Ἀμαλθείας.—2) van Alexandrië, peripatetisch wijsgeer en letterkundige in de 2de eeuw.
Sottiātes = Sontiates.
Spalatum, thans Spalatro, vlek nabij Salōna in Dalmatia, met eene prachtige villa van Diocletiānus, waar deze keizer zijne laatste levensjaren sleet.
Sparta, Σπάρτη, of Lacedaemon, Λακεδαίμων, de hoofdstad van Laconica, bij Homerus ἡ κοίλη Λακεδαίμων geheeten, omdat het in een kom van bergen gelegen was. Het was op onderscheidene heuvels gebouwd aan den rechteroever van den Eurōtas. Tot 206 was de stad niet ommuurd, doch niettemin sterk door hare ligging. Aan een der hoogste heuvels, waarop de tempel van Athēna Chalcioecus stond, werd de naam Acropolis gegeven. In dezen tempel stierf Pausanias den hongerdood. Aan den voet der Acropolis lag de agora met de perzische gaanderij (στοὰ περσική), die uit den perzischen buit was gebouwd en waarvan het dak door beelden van Perzen op de wijze van caryatiden werd gedragen. Aan den Eurōtas lag de Platanistas, eene door platanen belommerde oefenplaats der spartaansche jongelingschap. Tijdens den trojaanschen oorlog regeerde te Sparta Menelāus; het bekleedde toen geene voorname plaats onder de steden van de Peloponnesus en stond verre achter bij Argos. Na de dorische volksverhuizing kwam Sparta aan de beide zoons van den Heraclide Aristodēmus, de tweelingbroeders Eurysthenes en Procles. De zoon van Eurysthenes was Agis, naar wien het ééne koninklijke stamhuis genoemd wordt. De dorische stam was krijgshaftig en door de wetten van Lycurgus werd Sparta de militaire staat bij uitnemendheid van Griekenland. Dit ondervond Messenia (z. a.), en ook Athene dolf, grootendeels door eigen schuld, in den peloponnesischen oorlog het onderspit (404). Sedert dien tijd liet Sparta, niet altijd door eerlijke middelen, zich in Griekenland overwegend gelden, tot het door Epaminondas gefnuikt werd (371). Van nu af begon het tijdperk van verval, terwijl de toenemende oligarchie de macht in handen van enkele familiën bracht. Vruchteloos trachtte het zich tegen Macedonia aan te kanten. De pogingen van Agis III (z. a.), om eene hervorming tot stand te brengen, mislukten; beter slaagde Cleomenes III (z. a.), doch Arātus van Sicyon vreesde de macht van een herboren Sparta en de slag bij Sellasia (221) maakte een einde aan de regeering van Cleomenes. Met hem nam het huis der Heracliden een einde. Van nu af was Sparta overgeleverd aan de tyrannie; berucht zijn Machanidas (210–207) en Nabis (207–192). In 192 dwong Philopoemen, de strateeg van het achaeïsch verbond, Sparta tot dit verbond toe te treden, en in 189 werd het wegens poging tot afval streng gestraft en werd het overblijfsel der lycurgische wetgeving afgeschaft. De onderdrukte wrok der Spartanen verschafte den Rom. eene welkome gelegenheid om in Griekenland op bedekte wijze het twistvuur aan te blazen, totdat het land in 146 rom. provincie werd. Sparta bleef eene civitas libera.—Zie ook Laconica.