← Table of contents
Woordenboek der Grieksche en Romeinsche oudheid

P. (continued 2)

Reading edition

Pentekontaëtie noemt men het ongeveer vijftig jaren lange tijdperk tusschen den perzischen en den peloponnesischen oorlog.

Pentelēum, Πεντέλειον, sterkte in het N. van Arcadia, aan den berg Πεντέλεια, Pentelēus mons.

Pentelicus, Πεντελικὸν ὄρος, berg in Attica, beroemd om zijn marmer (πεντελήσιος λίθος), ook Brilessus, Βριλησσός, geheeten.

Penthesilēa, Πενθεσίλεια, dochter van Ares en Otrēra, koningin der Amazonen, die na den dood van Hector den Trojanen te hulp kwam. Zij werd door Achilles gedood, die echter zelf weende bij het gezicht van haar jeugd, schoonheid en heldenmoed.

Pentheus, Πενθεύς, zoon van Echīon en Agāve, volgde Cadmus als koning van Thebe op. Hij verzette zich tegen het invoeren van den dienst van Dionȳsus, en toen hij zich naar den Cithaeron begaf om een feest der Bacchanten te verbieden, werd hij door zijn moeder en de overige vrouwen, die hem in razernij voor een wild dier hielden, gedood en verscheurd.

Penthilus, Πένθιλος, zoon van Orestes en Erigone no. 2, stichter eener volkplanting op Lesbus. Hij wordt de stamvader genoemd van de Penthiliden, eene familie, die tot het midden der zevende eeuw op Lesbus de koninklijke waardigheid bezat.

Pentri, de eenige samnietische volksstam, die na den slag bij Cannae aan Rome trouw bleef. Hoofdstad: Boviānum.

Peparēthus, Πεπάρηθος, eil. in de Aegaeische zee ten Z.O. van Thessalia, door de Chalcidiërs gekoloniseerd, beroemd om zijn wijn.

Pephrēdo, Πε(μ)φρηδώ, eene van de Graeae.

Peplum, -plus, πέπλος, -πλον, een kleedingstuk bij de Grieken, dat in vorm overeenkwam met de romeinsche palla en ongeveer op dezelfde wijze gedragen werd. In de oudste tijden schijnt het alleen door vrouwen, later ook door mannen gedragen te zijn. Bijzonder beroemd is de πέπλος van Athēna, z. Panathenaea.

Peraea, Περαία, 1) het overjordaansche gedeelte van Palaestina.—2) ἡ περαία τῶν Ῥοδίων, het carische kustland tegenover Rhodus.—3) ἡ περαία Τενεδίων, mysische kuststreek tegenover Tenedus.—4) kolonie van Mitylēne op de kust van Mysia.

Percōte, Περκώτη, oude stad in Mysia aan den Hellespont.

Perdiccas, Περδίκκας, 1) een afstammeling van den Heraclide Temenus uit Argos, vluchtte met zijne broeders naar Illyrië, en stichtte van daar uitgaande het macedonische rijk, waarvan hij de eerste koning werd, omstreeks 700. V. a. was hij de opvolger van Carānus (z. a.).—2) P. II, zoon van Alexander no. 5, regeerde na den dood van zijn vader (454) met zijne broeders Alcetas en Philippus, sedert 436 alleen. De uitbreiding van de atheensche macht op de kusten van zijn rijk maakte hem tot een natuurlijk vijand der Atheners, toch durfde hij slechts zelden openlijk tegen hen optreden, en in den peloponnesischen oorlog stond hij bij afwisseling aan hunne zijde of aan die van hunne vijanden. Hij regeerde tot 413.—3) P. III, zoon van Amyntas II, deelde na den dood van zijn broeder Alexander no. 6 het rijk met Ptolemaeus Alorītes, zijn zwager (369); nadat deze vermoord was (365) regeerde hij tot 360, hij sneuvelde in een slag tegen de Illyriërs.—4) dapper veldheer en vertrouwd vriend van Alexander d. G. Hij onderscheidde zich bij het beleg van Thebe, bij de slagen aan den Granīcus, bij Issus en bij Gaugamēla en op den tocht naar Indië. Alexander overhandigde hem op zijn sterfbed zijn zegelring. Na den dood van Alexander werd besloten dat P. in naam van Alexanders nog ongeboren zoon en van Philippus Arrhidaeus het rijk zou besturen. Hij liet Meleager (z. a.) en diens aanhangers dooden, huwde met Nicaea, de dochter van Antipater, en trachtte op alle wijzen zijne macht te bevestigen. Maar de andere veldheeren toonden zich weinig geneigd zijn gezag te erkennen, en weldra was alleen Eumenes aan P. en het koninklijke huis trouw gebleven, terwijl daarentegen Antigonus, wegens ongehoorzaamheid voor het gerecht gedaagd, naar Europa vluchtte en zich met Antipater, Craterus en Ptolemaeus tegen P. verbond. Deze verstiet nu Nicaea en trad in het huwelijk met Cleopatra, de dochter van Philippus, vooreerst wendde hij zich tegen Ptolemaeus, en toen hij bij eene poging om den Nijl over te trekken zich met groot verlies moest terugtrekken, brak een opstand uit onder de door zijne strengheid verbitterde soldaten, vele officieren vielen van hem af en eenige drongen in zijne tent en doodden hem (321).

Perdix, Πέρδιξ = Talos no. 1.

Perduellio. In het oude fetiaalrecht is perduellis = vijand, terwijl hostis synoniem met peregrīnus was. Onder perduellio verstaat men vijandige handelingen van den burger tegenover den staat, b. v. pogingen tot omwenteling, verstandhouding met den vijand, ook overloopen, desertie enz. Daar de volkstribunen sedert de lex Hortensia van 287 het recht hebben, politieke misdrijven te vervolgen, wordt perduellio sedert dien tijd slechts weinig genoemd; zie duumviri perduellioni iudicandae.

Peregrīnus, de buitenlander, de vreemdeling, in tegenstelling met den rom. burger. Zie omtrent hun rechten ius gentium.

Peregrīnus Proteus, Περεγρῖνος Πρωτεύς, van Parium, cynisch wijsgeer, vestigde zich, na een tijd lang een zwervend leven geleid te hebben, te Athene. Hij wendde alle middelen aan om de aandacht van het publiek te trekken, en toen hij met dit doel had bekend gemaakt dat hij zich bij de feesten te Olympia zou laten verbranden, drongen zijne aanhangers op de vervulling zijner belofte aan, en was hij genoodzaakt zijn woord te houden (164 n. C.). Hij was ook een tijdlang Christen geweest. Hij is vooral bekend door de satire van Lucianus: de morte Peregrini.

Peremne auspicari. Auspiciën verloren hunne kracht bij het overschrijden van een water, tenzij daarbij zekere vormen in acht werden genomen en een formulier werd uitgesproken. Dit heette peremne auspicari en moest ook plaats hebben, wanneer men, om op den Campus Martius comitiën te houden, den amnis Petronia, een beekje aan den voet van den Capitolinus, moest overgaan.

Perenna, zie Anna Perenna.

Perfectissimi, titel der ambtenaren van den vierden rang, door Constantijn d. Gr. ingevoerd.

Perga, Πέργη, stad in het binnenland van Pamphylia, met een beroemden tempel van Artemis.

Pergama, τὰ Πέργαμα, de burcht van Troje, ook wel de stad zelve. Neptunia Pergama, omdat Neptunus met Apollo voor koning Laomedon de muren der stad had gebouwd.

Pergamum, Πέργαμον, beroemde stad in het mysische gewest Teuthrania, ten N. van den Caīcus. Na den dood van Alexander d. Gr. behoorde het tot het gebied van Lysimachus, totdat in 284 diens schatmeester Philetaerus afvallig werd en te P. een eigen rijkje stichtte, dat hij in 263 aan zijn neef Eumenes I naliet. In 188, na den syrischen oorlog, kreeg Eumenes II van Rome het grootste gedeelte van het door Antiochus afgestane land. Attalus III vermaakte in 133 zijn rijk en zijne schatten aan het rom. volk. Zijn onechte broeder Aristonīcus weigerde dezen afstand te erkennen, doch werd verslagen, gevangen naar Rome gevoerd en ter dood gebracht. Het rijk van Pergamus werd de rom. provincie Asia (129). De vorsten van P. waren groote beminnaars van kunst en wetenschap geweest. Van de bouw- en beeldhouwwerken, door de Duitschers daar opgegraven, is vooral beroemd het groote Zeusaltaar, in de 2de eeuw gesticht, waarvan het beeldhouwwerk naar Berlijn is overgebracht. In de geschiedenis der beeldhouwkunst neemt de Pergameensche kunst een afzonderlijke plaats in. De bibliotheek van P. bevatte 200000 boekrollen. Ook de nijverheid bloeide; fabricatie van manufacturen en weeldeartikelen werd op groote schaal gedreven. Het perkament, charta pergamēna, ontleende zijn naam aan de stad. De bibliotheek werd later op last van M. Antonius naar Alexandria overgebracht.

Pergamus, Πέργαμος, 1) = Pergama.—2) = Pergamum.—3) stad op Creta bij Cydonia, sterfplaats van Lycurgus.

Περίακτοι, twee driehoekige prisma’s, waarvan de zijden als coulissen beschilderd waren; het geheele lichaam draaide om een spil, zoodat op deze wijze de drie verschillende zijden bij afwisseling voor de toeschouwers zichtbaar konden gemaakt worden. Z. theātrum.

Periander, Περίανδρος, zoon van Cypselus, geb. 668, volgde zijn vader in de regeering over Corinthe op (627). Aanvankelijk regeerde hij gematigd, hij gaf wetten tegen weelde en overdaad, bevorderde handel en scheepvaart door het aanleggen van kanalen, het stichten van volkplantingen enz., beschermde kunsten en wetenschappen en liet de stad met prachtige bouwwerken versieren. Kort voor zijn dood besliste hij als scheidsrechter een geschil tusschen Athene en Mytilēne over het bezit van Sigēum. Nadat hij echter door zijne mishandelingen den dood zijner gemalin Melissa veroorzaakt had, waardoor hij zich een oorlog met zijn schoonvader Procles, tyran van Epidaurus, op den hals haalde, gaf hij zich, naar men wil, aan dronkenschap over en vertoonden zich bij hem blijken van gekrenkte geestvermogens. Uit achterdocht bedreef hij de grootste wreedheden, hij omgaf zich met eene lijfwacht van 200 man, woedde vooral tegen den adel en deed zijn best om de dorische eigenaardigheden bij zijn volk uit te roeien. Zie ook Lycophron. Door allen verlaten en door wroeging gefolterd stierf hij, 585. Dat hij tot de zeven wijzen behoord zou hebben, wordt reeds door de ouden tegengesproken. Als zijn spreuk wordt aangehaald: μελέτη τὸ πᾶν, voorzorg is alles.

Periboea, Περίβοια, 1) Najade, die hare onsterfelijkheid prijs gaf om met den arcadischen koning Lelas te trouwen.—2) gemalin van Polybus, die Oedipus als zoon aannam en opvoedde.—3) dochter van Hipponous, gemalin van Oeneus, moeder van Tydeus.—4) Najade, gemalin van Icarius, moeder van Penelope.—5) of Eriboea, dochter van Alcathous, gemalin van Telamon, moeder van Aiax.

Pericles, Περικλῆς, 1) Athener, zoon van Xanthippus, van moederszijde met de Alcmaeoniden verwant, genoot in zijne jeugd het onderwijs van Zeno van Elea, den toonkunstenaar Damon en vooral van Anaxagoras, mannen, met wie hij ook op lateren leeftijd zeer bevriend bleef. Nadat hij zich in verscheiden veldtochten onderscheiden had, trad hij in 469 als staatsman op, en wel als tegenstander van de aristocratische en spartaansch gezinde partij, die onder de leiding van Cimon stond. Sedert deze door het ostracismus verbannen was (460), was P. de eerste man in den staat en hij bleef dit ook na de terugkomst van Cimon. Gewoonlijk behoorde hij tot de strategen, soms was hij ook met het beheer der financiën en der openbare bouwwerken belast, maar zijn grooten invloed had hij vooral te danken aan zijne persoonlijke eigenschappen; zijn politiek doorzicht en zijne overredende welsprekendheid maakten hem tot een volksleider in den goeden zin van het woord. Zijn doel was in Athene aan de democratische instellingen de grootst mogelijke uitbreiding en ontwikkeling te geven en het tot den eersten, zoo mogelijk tot den heerschenden, staat in Griekenland te maken. Om aan alle burgers niet alleen gelijke rechten te verschaffen, maar hen ook in staat te stellen die rechten inderdaad uit te oefenen, werd de macht van den Areopagus beperkt, waarbij P. persoonlijk echter slechts eene ondergeschikte rol speelde (z. Ephialtes), de werkkring van de heliaea uitgebreid, aan den eenen kant door liturgieën de grootste lasten op de schouders der rijken gelegd, aan den anderen kant door het invoeren van betaling voor rechters enz. de armeren verlicht en tot het gebruiken hunner burgerrechten aangemoedigd. Daar de democratie in zijn tijd haar glanspunt bereikte, worden hem een aantal wetten in democratischen geest toegeschreven, waarvan echter waarschijnlijk vele reeds voor of eerst na hem zijn ingevoerd. Kunst en wetenschap moedigde hij ten zeerste aan, de voornaamste kunstenaars van Griekenland zochten Athene op en vonden er werk, het Parthenon, het Odēum, de Propylaea, e.a. onsterfelijke kunstwerken zijn in dezen tijd gebouwd, grootendeels onder leiding van Phidias, den vriend van P.—Zijn streven om Athene’s macht ook te land uit te breiden veroorzaakte reeds vroeg een oorlog met Sparta (457), die, hoewel de slag bij Tanagra verloren werd, aanvankelijk voor Athene gunstig verliep; toen in 451 door tusschenkomst van Cimon een vijfjarige wapenstilstand gesloten werd, was Aegīna onderworpen, Megara met Athene verbonden, Boeotië, Locris en Phocis gedwongen geworden zich bij Athene aan te sluiten, zelfs waren eenige gelukkige tochten naar de Peloponnēsus en naar Acarnanië gedaan. Maar weldra verhief zich de oligarchische partij in Boeotië tegen dezen toestand, en toen Tolmides tegen den raad van P. den slag bij Coronēa waagde en verloor (447), vielen ook Locris, Phocis, Megara en Euboea af, en deden de Spartanen een inval in Attica. Wel wist P. hen door omkooping tot den aftocht te bewegen en veroverde hij Euboea weder, maar bij den dertigjarigen vrede (445) werd Athene gedwongen al zijne bezittingen in de Peloponnēsus op te geven en Boeotië, Megara, Locris en Phocis uit den bond te laten treden. Daarentegen veranderde langzamerhand de betrekking van Athene tot de zeestaten, zoodat deze van bondgenooten tot onderhoorigen werden; P. uitte onverholen de meening, dat zij aan Athene gehoorzaamheid en schatting schuldig waren, terwijl Athene daarentegen verplicht was hen te helpen en te verdedigen. De meeste staten misten de middelen om zich tegen deze aanspraken te verzetten, daar zij de gewoonte hadden aangenomen voor de verdediging van den bond geld in plaats van soldaten te geven; die het niettemin beproefden, werden met geweld ten onder gebracht, zooals Euboea, Aegīna, Samus. Sedert 454 werd de bondskas te Athene bewaard en als Atheensch eigendom beschouwd en behandeld. Een middel, waardoor P. staten van twijfelachtige trouw aan Athene verbond en tevens arme burgers verzorgde, was het uitzenden van cleruchieën; bijna 5000 atheensche burgers kregen op deze wijze in verschillende deelen van Griekenland grondbezit. Maar P. zag wel in, dat Athene vroeg of laat zijne heerschappij, hoe hecht zij ook gevestigd scheen, zou moeten verdedigen, daarom nam hij reeds sedert het begin van den dertigjarigen vrede alle mogelijke maatregelen tegen den onvermijdelijken oorlog, en toen deze oorlog eindelijk uitbrak, had Athene 300 schepen, een leger van 30000 hopliten en 8000 talenten in kas, terwijl de jaarlijksche inkomsten 1000 talenten bedroegen. Hij ried daarom aan de eischen der Spartanen (z. Pelop. oorlog) af te wijzen, den oorlog moedig te ondernemen en voorzichtig te voeren. Wel vond hij verbitterden tegenstand bij de aristocratische grondeigenaars en bij de boeren, die van een oorlog de grootste schade zouden ondervinden; wel trachtten zijne tegenstanders, die hemzelf niet durfden aanvallen, aan hunne verbittering lucht te geven door aanklachten tegen Anaxagoras, Aspasia en Phidias, maar P., steunend op het vertrouwen van het volk, hield vol en, hoe moeilijk de tijden ook waren, het bleef naar hem luisteren. Eerst toen door oorlog en pest de nood op het hoogst gestegen was en de ontevredenheid een offer zocht, waagde men het P. van slecht beheer der staatsgelden te beschuldigen, inderdaad werd hij tot een geldboete veroordeeld (430), doch spoedig keerde het vertrouwen van het volk terug en werd hij opnieuw tot strateeg verkozen. In het volgende jaar stierf hij, v.s. aan de pest.—2) onechte zoon van den vorigen bij Aspasia. Ter eere van zijn vader gaf het volk verlof hem onder de burgers op te nemen; hij was een van de atheensche vlootvoogden, die na den slag bij de Arginūsae ter dood veroordeeld werden.

Periclymenus, Περικλύμενος, 1) zoon van Neleus en Chloris no. 3, Argonaut, was zeer sterk en konde verschillende gedaanten aannemen; bij de verwoesting van Pylus werd hij door Heracles gedood.—2) zoon van Poseidon en Chloris no. 4, Thebaan, die bij den oorlog der zeven tegen Thebe Parthenopaeus doodde en Amphiarāus op de vlucht vervolgde.

Περίδειπνον, een maaltijd, door de bloedverwanten van een gestorvene na zijne begrafenis in het sterfhuis gehouden.

Periēres, Περιήρης, zoon van Aeolus, koning van Messenië, vader van Aphareus en Leucippus.

Perigūne, Περιγούνη, dochter van Sinis, bij Theseus moeder van Melanippus.

Perilāus, Πιρίλαος, 1) zoon van Icarius en Periboea, v. s. aanklager van Orestes bij den Areopagus.—2) of Perillus, kunstenaar van Agrigentum, maakte een koperen stier, waarin een mensch kon verbrand worden, en die zoo gemaakt was, dat het geschreeuw van het slachtoffer op het gebrul van een stier geleek. Hij bood dien stier voor eene aanzienlijke som aan Phalaris aan, maar deze nam de eerste proef met den kunstenaar zelf.

Perillus, Πέριλλος, z. Perilāus no. 2.

Perinthus, Πέρινθος, bloeiende volkplanting (559) van Samus, op de thracische kust aan de Propontis (zee v. Marmara) gelegen. Zij verdedigde zich met goed gevolg tegen Philippus van Macedonië. Later Heraclēa Perinthus.

Περίοικοι, afstammelingen van de oude bevolking der peloponnesische staten, wien door de dorische veroveraars de vrijheid en gedeeltelijk ook hun grondeigendom gelaten was. Zij misten het burgerrecht en moesten schatting opbrengen. In Lacedaemon is de naam Lacedaemoniërs soms in het bizonder op hen toepasselijk, terwijl daarentegen de heerschende Doriërs zich Spartanen noemen.

Peripatetici, Περιπατητικοί, wijsgeeren uit de school van Aristoteles (z.a.).

Periphas, Περίφας, 1) attisch autochthoon, die nog vóór Cecrops over Attica regeerde en wegens zijne wijsheid en goedheid als een god vereerd werd. Hierover vertoornd, wilde Zeus hem met den bliksem dooden, maar op de bede van Apollo veranderde hij hem in een arend.—2) een Aetoliër, die voor Troje door Ares gedood werd.—3) een Griek, die bij de verovering van Troje den burcht innam.—4) heraut van Aenēas.

Periphētes, Περιφήτης, zoon van Hephaestus en Anticlēa, een berucht roover, die met een ijzeren knots de reizigers doodde, die in zijne handen vielen. Theseus doodde hem in de nabijheid van Epidaurus en ontnam hem de knots.

Περίπολοι waren te Athene belast met de bezetting der grensvestingen en de bewaking van het land. Zij hadden eene lichte wapenrusting en werden slechts bij uitzondering buitenslands gezonden. De dienst der περ. gold als eene voorbereiding voor den werkelijken krijgsdienst en was daarom aan de epheben opgedragen.

Peripterus, περίπτερος, is een tempel, wanneer er eene kolonnade aan al de vier zijden om heen loopt. Staan de zuilen aan de zijkanten en den achterkant ter halverwege in den muur dan zegt men pseudoperipterus.

Περίστασις noemt men de zuilengangen rondom den dorischen tempel, zie columna.

Peristylium, περιστύλιον, een ruimte, rondom ingesloten door zuilen, die binnen de muren staan. Het komt eerst sedert den hellenistischen tijd voor, z. Domus en Οἰκία.—2) = Περίστασις.

Permessus, Περμησσός, beekje in Boeotia, ontspringt op de zuidelijke helling van den Helicon en stroomt langs Thisbe en Leuctra.

Pēro, Πηρώ, de schoone dochter van Neleus en Chloris, gemalin van Bias, z. Melampus.

Pero, laars van ruw of ongelooid leder.

Περόνη, z. Fibula.

Perperēna, Περπερήνα, vlek in Mysia, ten Z. van Adramyttium.

Perpernae, ook Perpennae. 1) M. Perperna werd samen met L. Petillius door den illyrischen koning Gentius, tot wien zij als gezanten kwamen, gevangen gehouden, totdat de praetor Anicius hen met een leger kwam bevrijden (168).—2) M. Perperna, consul in 130, overwon den pergameenschen kroonpretendent Aristonīcus. Hij overleed te Pergamum.—3) M. Perperna, consul in 92, censor in 86.—4) M. Perperna, een laatdunkend en onbekwaam man, koos in den burgeroorlog de partij van Marius en werd praetor. Toen Sulla zegevierde, week hij naar Sicilië, van waar Pompeius hem verjoeg. In 78 was hij onderbevelhebber van den oproerigen consul Mam. Aemilius Lepidus, na wiens nederlaag hij naar Hispania tot Sertorius vluchtte. Door zijne afkomst achtte hij zich ver boven Sertorius verheven en zoo nam hij deel aan eene samenzwering, waardoor S. vermoord en P. tot aanvoerder werd uitgeroepen (72). Hij werd echter spoedig door Pompeius verslagen en gevangen genomen, trachtte nog door eene laaghartigheid zijn leven te redden, doch werd ter dood gebracht.

Perrhaebi, Περραιβοί, krijgshaftig volk in het Noorden en in het Oosten van Thessalia, en ook in het N. van Euboea wonend.

Perranthes, berg in Epīrus, bij Ambracia, ten O. van den Arachthus.

Persaeus, Περσαῖος, 1) z. Perses.—2) van Citium, slaaf, later leerling van Zeno, leefde als stoicijnsch wijsgeer aan het hof van Antigonus Gonātas, die hem veldheer maakte en aanvoerder van het macedonische garnizoen van Corinthe. Hij sneuvelde in den strijd tegen Aratus (± 243).

Perse, Persēis, Πέρση, Περσηίς, dochter van Oceanus, gemalin van Helius, moeder van Aeētes, Circe, Pasiphaë, e. a.

Persephone, Περσεφόνη, -φόνεια, Περσέφασσα, Φερρέφ-, Κόρη, Proserpina, dochter van Zeus en Demēter, gemalin van Hades, die in de onderwereld over de schimmen der afgestorvenen regeert. Na Homerus treedt hare verhouding tot Demēter meer op den voorgrond dan die tot Hades, zelfs is zij in de mysteriën de bruid van Iacchus en heeft Hades haar slechts door geweld tot gemalin gekregen en door list behouden. Toen zij nl. eens op de vlakte van Nysa of bij Enna bezig was bloemen te plukken, opende zich plotseling de aarde, en uit de opening verscheen Hades, op zijn gouden met vier zwarte paarden bespannen wagen gezeten, en ontvoerde haar in weerwil van haar tegenstreven. Zeus had hem hiertoe zijne toestemming gegeven, maar Demeter, die niet wist waar hare dochter gebleven was, zocht deze vruchteloos negen dagen en nachten, totdat zij van Helius vernam, dat zij toch niet in P.’s tegenwoordig verblijf zou kunnen doordringen; in toorn trok zij zich van het gezelschap der goden terug, terwijl alle groei op aarde ophield. Eindelijk was Zeus genoodzaakt P. door Hermes uit de onderwereld te laten terughalen, maar Hades geeft haar, voordat hij haar laat gaan, de pit van een granaatappel, het zinnebeeld van het huwelijk, zoodat zij niet voor goed het sombere rijk van haar gemaal kan verlaten, maar er een derde van het jaar moet doorbrengen. Intusschen had Demeter, bewogen door de gastvrije ontvangst van Celeüs, door Triptolemus de kennis van den landbouw onder de menschen laten verbreiden en de eleusinische mysteriën ingesteld. In dezen mythus is P. blijkbaar het zinnebeeld van het jaarlijks terugkeerende afsterven en herleven der plantenwereld, waaraan in de mysteriën verder de beteekenis gegeven werd van eene zinnebeeldige voorstelling van verlossing uit den dood. De nauwe betrekking, die tusschen P. en hare moeder gedacht wordt te bestaan, wordt uitgedrukt door den veelal aan beide godinnen gemeenschappelijken eeredienst, door hare gemeenschappelijke bijnamen (Δέσποινα, Μεγάλη θεά), en vooral door den naam Κόρη (de jonkvrouw, dochter), die P. in de mysteriën droeg. Onder den invloed van de mystiek der Orphici werd zij later dikwijls verward met Hecate, Gaea, Rhea e.a.—Zij wordt afgebeeld als koningin der onderwereld met schepter en kroon, of als de bruid van Iacchus met klimopkrans en fakkels, of eenvoudig als de jonge dochter van Demeter; tot hare attributen behooren de narcis, papaver en korenaren.

Persepolis, Περσέπολις, heilige hoofdstad van het landschap Persis, door Darīus aangelegd, aan den Medus, dicht bij zijn uitmonding in den Araxes. De burcht met het koninklijk paleis, de schatkamer en de graven der perzische koningen, was door een driedubbelen muur omgeven. De stad werd door Alexander d. Gr. geplunderd en gedeeltelijk verwoest.

Perses, Πέρσης, 1) of Persaeus, zoon van Crius en Eurybia, vader van Hecate.—2) zoon van Helius en Persēis.—3) zoon van Perseus en Andromeda, mythisch stamvader der Perzen.—4) broeder van Hesiodus (z.a.).—5) bij latijnsche schrijvers = Perseus van Macedonië.

Perseus, Περσεύς, 1) zoon van Zeus en Danaë (z. Acrisius). Hij werd door koning Polydectes van Seriphus opgevoed, maar toen hij opgegroeid was, wenschte deze zich van hem te ontslaan, hetzij omdat hij hem voor zijne regeering gevaarlijk achtte, hetzij omdat hij Danaë in zijne macht wilde brengen. Door valsche voorspiegelingen wist hij P. de belofte te ontlokken, dat hij desnoods het Medusahoofd voor hem zoude halen, en daarna drong hij op de vervulling van die belofte aan. Door de hulp van Hermes en Athēna kwam P. bij de Graeae (z.a.), maakte zich, terwijl zij sliepen, van haar oog en tand meester en dwong haar dus hem den weg te wijzen naar de woning der nimfen, die hem de middelen konden verschaffen om zijne onderneming tot een goed einde te brengen. Van de nimfen kreeg hij gevleugelde schoenen, een tasch en den helm van Hades, Athena voegde er een spiegel en Hermes een sikkel bij. Met deze uitrusting kwam hij bij de Gorgonen (z. a.) aan de overzijde van den Oceaan, hij vond ze slapend en sloeg Medūsa het hoofd af, terwijl hij, om niet versteend te worden, het gelaat afwendde en haar in den spiegel zag; toen de andere Gorgonen ontwaakten en hem wilden grijpen, maakte hij zich door den helm onzichtbaar. Met het afgehouwen hoofd in zijn tasch, nam hij met zijne gevleugelde schoenen over Afrika den terugtocht aan. Door de versteenende kracht van het Medusahoofd wreekte hij zich op Atlas, bevrijdde hij Andromeda en verdedigde hij zich tegen Phineus en diens aanhangers, eindelijk kwam hij op Seriphus terug, toen Polydectes op het punt stond Danaë tot een huwelijk te dwingen; tot straf veranderde hij ook dezen door het gezicht van het Medusahoofd in steen, waarop hij diens broeder Dictys koning over het eiland maakte. Met Danaë en Andromeda keerde hij nu naar Argos terug, maar nadat hij door een ongelukkig toeval zijn grootvader gedood had, ruilde hij zijn rijk tegen dat van zijn achterneef Megapenthes; zoo werd hij koning van Tiryns, van waar uit hij Midea en Mycēnae stichtte. Hij was de stamvader der Persiden, tot welke o. a. ook Heracles behoorde. Tusschen Argos en Mycenae, op Seriphus en te Athene had hij een heiligdom. Met Andromeda werd hij onder de sterren geplaatst.—2) onechte zoon van Philippus III (z. a.), voerde reeds op jeugdigen leeftijd oorlog tegen de Illyriërs, en later, toen zijn vader met de Rom. in bondgenootschap was, tegen de Aetoliërs. In 178 volgde hij zijn vader als koning van Macedonië op. Aanvankelijk regeerde hij wijs en gematigd, met de Rom. sloot hij vriendschap, maar daar hij wel inzag dat een oorlog met hen onvermijdelijk was, rustte hij zich ijverig daarvoor toe, hij vergrootte zijn leger, zorgde voor een ruimen voorraad van levensmiddelen en geld, verbond zich met Illyriërs, Thraciërs e. a., en trachtte zich in Syrië, Boeotië en Aetolië aanhangers te verwerven. In 171 brak de oorlog uit, die aanvankelijk ten gevolge van de onbekwaamheid der rom. veldheeren door P. met geluk gevoerd werd, maar met hoeveel overleg hij ook zijne maatregelen genomen had, op het oogenblik van handelen miste hij de vastberadenheid om zijne met zorg beraamde plannen uit te voeren, van zijne overwinningen wist hij geen gebruik te maken, en door zijne gierigheid vervreemdde hij zijne soldaten en bondgenooten van zich. In 168 kreeg de consul L. Aemilius Paullus het opperbevel over het rom. leger, en nadat deze de krijgstucht door gepaste maatregelen hersteld had, behaalde hij in den slag bij Pydna eene beslissende overwinning. P. vluchtte met zijne schatten naar Samothrāce, maar gaf zich terstond over, toen de Rom. hem vervolgden; hij moest den triumftocht des consuls opluisteren, en bracht de weinige overige jaren van zijn leven als gevangene te Alba Fucentia door.

Persicus sinus, ὁ Περσικὸς κόλπος, tegenwoordig nog als de Perzische golf bekend.

Persii. De beroemdste van dit geslacht is de dichter A. Persius Flaccus, te Volaterrae in Etruria in 34 na C. uit den ridderstand geboren, een leerling van den stoicijn Annaeus Cornūtus en een vriend van den dichter Lucānus. Hij was ook bevriend met Seneca en Thrasea Paetus. Van zijne gedichten zijn zes satiren tot ons gekomen. Hij had zich Horatius en Lucilius tot voorbeeld gekozen. In 62 stierf hij aan eene maagkwaal.

Persis, Περσίς, Περσική, de bakermat van het groote perzische rijk, ten Z. van Media. De Persae, Πέρσαι, waren in drie kasten verdeeld de edelen, de landbouwers, de nomadische herdersstammen. Uit Media kwam de priesterkaste der Magiërs.

Persōna, het tooneelmasker. De afmetingen der oude theaters waren van dien aard, dat bij de tooneelspelers van mimiek geen sprake kon zijn; men kon deze toch niet waarnemen. Om deze reden droegen de spelers maskers, die geheel berekend waren op het effekt en waaraan de toeschouwers terstond konden zien, welke soort van rol zij voorstelden, waarmede de haartooi of pruik dan in overeenstemming moest wezen. Zoo waren b.v. de maskers voor goden, heroën, vorsten hoog van maaksel, zoodat zij den speler grooter en verhevener lieten schijnen. Voor het treurspel had men ten minste 25 verschillende typen, 6 voor senes, 7 voor jongelieden, 9 voor vrouwen, 3 voor slaven; voor het blijspel worden 43 typen vermeld. Figuranten, personae mutae, hadden maskers met gesloten mond.

Persōna.
Persōna.

Pertinax (P. Helvius), rom. keizer 193 na C. Hij begon zijne loopbaan als letterkundig leeraar, trad vervolgens in den krijgsdienst, werkte zich omhoog, verkreeg in 176 het consulaat, doch viel later (182) bij Commodus in ongenade en werd verbannen, maar weder teruggeroepen, waarna hij nog in Britannia en Africa diende. Daarop was hij voor de tweede maal consul met Commodus in 192. Toen Commodus den 31 Dec. 192 vermoord werd, werd Pertinax door de soldaten tot keizer uitgeroepen, doch reeds 28 Maart door de praetorianen omgebracht, daar hij de krijgstucht poogde te verscherpen.

Perusia, Περουσία, eene der 12 etruscische bondssteden, op een heuvel ten O. van het Trasimeensche meer nabij den Tiber gelegen, o. a. bekend door den oorlog, Bellum Perusīnum in 41, toen Fulvia, de vrouw van den drieman M. Antonius, haar zwager L. Antonius tot een oorlog tegen Octaviānus wist te bewegen. L. Antonius werd toen te Perusia door Octavianus belegerd. Bij de inneming der stad staken de verbitterde soldaten van Oct. haar in brand; zij werd echter herbouwd; thans Perugia.

Perzische oorlogen (492–449). Verbitterd door den opstand der ionische Grieken onder Aristagoras, verstoord door de hulp, die Athene en Eretria aan de opstandelingen verleend hadden, en bovenal begeerig om na den mislukten tocht tegen de Scythen zijn rijk aan een anderen kant door verovering uit te breiden, besloot Darīus I een leger naar Europa te zenden. Zijn schoonzoon Mardonius, die over dit leger het bevel voerde, onderwierp de Macedoniërs en veroverde Thasus, maar keerde daarop naar Azië terug, daar zijn vloot bij den Athos schipbreuk geleden had en zijn leger door de Thraciërs verslagen was. Darius gaf echter zijn voornemen niet op, maar zond twee jaar later een leger van 100000 man onder Datis en Artaphernes over zee naar Griekenland, die op Euboea landden en Eretria innamen, maar in den slag bij Marathon tegen 9000 Atheners, versterkt door 1000 Plataeërs en aangevoerd door Miltiades, de nederlaag leden en terugkeerden (490). Nieuwe toerustingen van Darius werden door zijn dood afgebroken, en zijn opvolger, Xerxes, konde eerst na het onderdrukken van een aegyptischen opstand aan den oorlog tegen Griekenland denken, dien hij aanvankelijk gaarne geheel had opgegeven, maar waartoe hij aangespoord werd door Mardonius, de Pisistratiden en de thessalische Aleuaden. Nadat hij een brug over den Hellespont had laten slaan en de landengte van den Athos had laten doorgraven, trok hij in 480 met een ontzaggelijk leger van 800.000 man voetvolk en 80.000 ruiters en eene vloot van 1200 schepen naar Griekenland. De peloponnesische staten (behalve Argos), Athene en eenige andere besloten zich te verdedigen, Thessalië, Thebae en de eilanden hadden zich reeds vroeger onderworpen. De Thermopylae werden bezet door ruim 6000 man onder Leonidas, de vloot van 271 schepen lag bij Artemisium. Een driedaagsche zeeslag bleef onbeslist, maar na de nederlaag bij de Thermopylae trok de vloot zich terug naar Salamis. Intusschen trok Xerxes door Midden-Griekenland naar Athene, dat door de burgers verlaten was, en toen nu de Peloponnesiërs verder wilden terugtrekken en zich tot de verdediging van de landengte van Corinthe wilden bepalen, bewoog Themistocles, ten einde dit plan te verijdelen, Xerxes door list de grieksche vloot, die nu 366 schepen sterk was, in te sluiten. In den nu noodzakelijk geworden slag behaalden de Grieken eene schitterende overwinning (September 480), Xerxes ging met de overblijfselen van zijne vloot, ongeveer 300 schepen, naar Azië terug, terwijl hij Mardonius met 300.000 man in Thessalië achterliet. Nadat deze daar overwinterd had, rukte hij in het volgende jaar weder Griekenland in, Athene werd weder door de burgers verlaten en door Mardonius ingenomen, waarop hij zich in Boeotië legerde. De Grieken, 110.000 man sterk en aangevoerd door Pausanias, ontmoetten hem bij Plataeae, en behaalden weder eene luisterrijke overwinning (479); Mardonius sneuvelde met het grootste deel van zijn leger, en slechts 40.000 man konden zich in behoorlijke orde terugtrekken. Op denzelfden dag versloeg de grieksche vloot van 120 schepen onder Leotychides en Xanthippus de Perzen bij Mycale, en daarmede was de oorlog naar Azië overgebracht. De Grieken, in het vervolg meestal aangevoerd door Cimon, gingen nu aanvallend te werk, en behaalden o. a. aan den Eurymedon eene groote overwinning te land en ter zee (466). De Perzen werden uit geheel Europa verjaagd, de aziatische Grieken werden van hen onafhankelijk, en sedert 449 vertoonde zich geen perzisch oorlogsschip in de Aegaeïsche zee. Of op deze voorwaarden een formeele vrede gesloten is, is onzeker, z. Cimon.—De in dit artikel genoemde getallen, aangevende de sterkte der perzische legermacht, berusten op opgaven van oude schrijvers en worden door vele nieuweren sterk overdreven geacht. Zie hieromtrent het artikel τάξις.

Pes als maat, rom. voet = 0,295 meter.

Pescennius Niger (C.) was in 190 na C. bevelhebber in den dacischen oorlog, werd in 191 door Commodus naar Syrië gezonden en na den dood van Pertinax door zijne troepen tot keizer uitgeroepen (293). Hij was een bekwaam en dapper generaal, doch werd door zijn mededinger Septimius Sevērus bij Issus verslagen en op de vlucht gedood (194).

Πεσσεία, een spel, dat veel overeenkomst heeft met ons damspel. Men speelde het met steenen (πεσσοί) op een bord (πεσσά), dat in 36 vakken (χῶραι, πόλεις) verdeeld was.

Pesssinus, Πεσσινοῦς, belangrijke stad van Galatia, waar zich een beeld van Cybele bevond, dat uit den hemel was gevallen. Ten gevolge eener uitspraak der sibyllijnsche boeken werd dit beeld in 204 naar Rome overgebracht en daarmede de dienst der Magna Mater aldaar ingevoerd.

Petalismus, πεταλισμός, instelling te Syracuse, gelijk aan het ostracismus te Athene. De stemmen werden op bladeren (πέταλα) van een olijfboom geschreven, vandaar de naam.

Πετάσματα, gordijnen, die soms gebruikt werden om kamerdeuren te vervangen.

Petasus, πέτασος, hoed met breeden rand, gewoonlijk bij de chlamys gedragen.

Petelia, Πετηλία, stad op de Oostkust van het land der Bruttii, even ten N. van Croton, volgens de sage door Philoctētes gesticht, en bekend door de hardnekkige, ofschoon vruchtelooze verdediging tegen Hannibal.

Peteon, Πετεών, vlek in Boeotia, in het gebied v. Thebe.

Peteos, Πετεώς, zoon van Orneus, door Aegeus uit Attica verdreven, stichtte Stiris in Phocis.

Petilia = Petelia.

Petilii = Petillii.

Petillia (lex), plebisciet van 187, gericht tegen de gebroeders Scipio, Asiaticus en Africānus maior, tot instelling van een onderzoek de pecunia capta ablata coacta ab rege Antiocho. Dit is geen wet, maar een eisch, door twee tribuni plebis Q. Petillius Ateius(?) en Q. Petillius Spurinus (Petillii no. 1) in den senaat ingesteld. De eisch werd afgewezen.

Petillii, plebejisch geslacht. 1) Q. Petillius Spurīnus liet als praetor urbanus in 181 een aantal voorgewende boeken van Numa Pompilius, die in den grond gevonden waren, verbranden. In 176 sneuvelde hij als consul tegen de Liguriërs. Z. ook Petillia (lex).—2) L. Petillius, zie Perpernae no. 1.—3) Q. Petillius Cereālis, een ervaren generaal, slaagde in 70 na C. er in, den opstand der Batavieren onder Civīlis tot een einde te brengen. Vervolgens onderwierp hij als stadhouder van Britannië de Brigantes, die opgestaan waren.

Petra, Πέτρα, 1) bloeiende stad van Arabia Petraea, ten Z. van Palaestina, halverwege tusschen de Doodenzee (Asphaltītes lacus) en den Aelaniticus sinus, in eene door steile bergwanden omgeven vlakte gelegen en slechts toegankelijk door bergkloven. Door zijne ligging was Petra het middelpunt van den handel tusschen Aegypte, Syrië en Arabië. Het was met de hoofdstad Bostra de belangrijkste stad van Arabia Petraea.—2) bergvesting in Sogdiāna.—3) stad der Maedi in Thracia.—4) plaats bij Dyrrachium in Illyria.—5) stad in het macedonische landschap Pieria.—6) stadje (demus) in Corinthia.—7) vlek in het gebied van Elis.—8) stad op Sicilia, ten N.N.W. van Henna.

Petrēii, plebejisch geslacht. M. Petreius, legaat van den consul C. Antonius, versloeg in 63 de benden van Catilīna bij Faesulae. Van 54–49 was hij legaat van Pompeius in Hispania, streed in 49 tegen Caesar en moest een verdrag sluiten. Na Pompeius’ dood verzamelde hij troepen in Africa, en benam zich na de nederlaag bij Thapsus het leven.

Petrīnum, berg en landgoed bij Sinuessa op de grens van Campania in Latium.

Petrocorii, gallisch volk ten N. van de Garumna (Garonne) in het tegenw. Périgord. Hoofdstad Vesunna (Périgueux).

Petronii. 1) C. Petronius, stadhouder van Aegyptus onder Augustus, veroverde Napata, de hoofdstad der aethiopische vorstin Candace, in 23, en noodzaakte haar zelve in 21 zich te onderwerpen. Hij legde in Aegypte verschillende kanalen aan, om de productiviteit van het land te vergrooten, en onderdrukte een opstand te Alexandrīa.—2) P. Petronius, was onder Tiberius en Caligula eerst stadhouder in Asia, later legaat in Syria en trok zich de belangen der Joden aan. Hij kreeg o. a. bevel, het standbeeld van Gaius (Caligula) in den tempel te Jerusalem te plaatsen, maar verzocht den keizer op zijn besluit terug te komen (39 n. C.).—3) P. Petronius Turpiliānus was onder Nero generaal in Britannia (61 na C.). Hij werd door Galba zonder vorm van proces gedood (69).—4) C. Petronius Arbiter, proconsul van Bithynia onder Nero, was een van diens vertrouwelingen, doch in 66 na C. hij den keizer zwart gemaakt en van verraad beticht, opende hij zich op reis eene ader en stierf. Volgens Tacitus schitterde hij aan het hof als volleerd hoveling en ceremoniemeester, arbiter elegantiae. Hieraan heeft P. zeker den bijnaam Arbiter te danken; het beroemde, gedeeltelijk tot ons gekomen en in romantischen vorm geschreven Satyricon van Petronius Arbiter wordt thans algemeen aan hem toegewezen. Het is eene fijn geteekende en uit het leven gegrepen schets van de toenmalige zeden in verschillende standen. Een meesterstuk in dit opzicht is het gastmaal van den rijken parvenu Trimalchio.—4) T. Petronius Secundus, was in 95 na C. stadhouder van Aegyptus. In 96 was hij praefectus praetorio, en nam toen deel aan den moord op Domitiānus, maar werd zelf het slachtoffer van de verbittering der praetorianen.—5) M. Petronius Sura Mamertīnus, consul 182 n. C., schoonzoon van Marcus Aurelius, door Commodus omgebracht.—6) Petronius Didius Sevērus, vader van keizer Didius Iuliānus.—7) Petronius Maximus, zie Maximus (Petronius).

Peuce, Πευκή, eiland, gevormd door de beide zuidelijke Donaumonden en bewoond door de Peucīni, een bastarnischen stam.

Peucestes, Πευκέστης, -τας, veldheer van Alexander d. Gr. Bij de bestorming van de hoofdstad der Malli redde hij den koning het leven, daarvoor werd hij tot satraap over Persis aangesteld. Door het aannemen van perzische taal, kleeding en zeden maakte hij zich bij zijne onderdanen bemind, maar wekte hij de ontevredenheid der Macedoniërs op. Na den dood van Alexander streed hij als bondgenoot van Eumenes tegen Antigonus, na den val van Eumenes gaf hij zich aan Antigonus over, die hem zijne satrapie ontnam.

Peucetia, Πευκετία, Z.O. helft van Apulia, bewoond door de Peucetii, Πευκέτιοι.

Peucetius, Πευκέτιος, broeder van Oenōtrus, dien hij naar Italië volgde; v. s. is Peucetia naar hem genoemd.

Peucīni, Πευκηνοί, bastarnische volksstam aan de Donaumonden. Zie Peuce.

Πεζέταιροι, naam van de zware infanterie in de macedonische legers. Zij waren ingedeeld in zes of meer τάξεις, die weder verdeeld waren in λόχοι.

Phacium, Φάκιον, stad in Pelasgiōtis in Thessalia, ten O. van Crannon.

Phacūsa, Φακοῦσα, stad in de Nijldelta aan den Pelusischen arm.

Phaea, Φαιά, heette het wilde zwijn van Crommyon, dat door Theseus gedood werd.

Phaeāces, Φαίακες, een mythisch volk, dat vroeger in Hyperēa gewoond had, maar daar het veel van de naburige Cyclopen te lijden had gehad, naar Scheria verhuisd was, waar Odysseus op het einde van zijne zwerftochten gastvrij ontvangen werd en van waar hij naar zijn vaderland werd teruggebracht. Zij zijn lievelingen der goden, rijk en vooral ter zee machtig. Scheria wordt door de ouden voor Corcȳra gehouden, dat vandaar Phaeacia tellus genoemd wordt.

Phaeax, Φαίαξ, 1) atheensch veldheer, ging in 422 naar Sicilië, om de volkspartij van Leontini tegen de Syracusanen te ondersteunen, maar keerde terug zonder veel uitgericht te hebben. Als staatsman was hij een tegenstander van Alcibiades, hoewel zij samenwerkten om de verbanning van Hyperbolus te bewerken.—2) bouwmeester te Agrigentum op het einde der 4de eeuw.

Phaeca = Pheca.

Phaedo, Φαίδων, van Elis, vriend en leerling van Socrates. Na diens dood leefde hij in zijne vaderstad als leeraar der wijsbegeerte en stichtte hij een eigen school, de elische genoemd, die in richting niet veel van de megarische verschilde. Plato noemde zijn samenspraak over de onsterfelijkheid der ziel naar hem; zijn werken zijn alle verloren gegaan.

Phaedra, Φαίδρα, dochter van Minos en Pasiphaë, gemalin van Theseus, moeder van Acamas en Demophon. Na den door haar veroorzaakten dood van Hippolytus (z. a.) beroofde zij zich van het leven.

Phaedriades, Φαιδριάδες, twee steile, kale rotsen ten N.O. van Delphi, behoorende tot den Parnassus (z. a.), die een kloof vormen. In de nabijheid vindt men de bron Castalia.

Phaedrus, Φαῖδρος, 1) leerling van Socrates, bevriend met Hippias en met Plato, die een van zijne werken naar hem noemde.—2) hoofd der epicureïsche school te Athene, leermeester van Cicero, eerst te Rome (90), later te Athene (79/78).—3) van Pieria, kwam als slaaf naar Rome, maar werd door Augustus vrijgelaten. Hij schreef eene latijnsche bewerking van de fabels van Aesōpus in iambische verzen. Bovendien heeft hij eigen novellen en anekdoten gedicht. Wegens te recht of ten onrechte in zijn werk gevonden politieke toespelingen schijnt hij onder Tiberius vervolgd en gestraft te zijn, maar later weer vrij te zijn gekomen.

Phaënna, Φαεννά, eene van de Charites bij de Spartanen.

Phaesāna, Φαισάνα, stad in Z. Arcadia.

Phaestus, Φαῖστος, 1) stad op de Z. kust van Creta, bij Gortȳna. De opgravingen der laatste jaren hebben hier, evenals te Cnōsus, belangrijke overblijfselen uit zeer ouden tijd aan het licht gebracht, zie Cnōsus en Creta.—2) stad in het N. van Thessaliōtis.—3) stad der ozolische Locriërs, met een Apollo-tempel.

Phaëthon, Φαέθων, 1) bijnaam van Helius.—2) zoon van Helius en Clymene, ging, om allen twijfel aan zijne goddelijke afkomst weg te nemen, naar het paleis van den zonnegod en vroeg hem om een teeken, waardoor hij door ieder als zijn zoon erkend zou worden. De god zwoer bij den Styx hem iederen wensch te zullen toestaan. Ph. vroeg nu verlof voor een enkelen dag den zonnewagen te mogen besturen, en hoewel zijn vader hem dringend vermaande van dien vermetelen wensch af te zien, moest hij zijn eed gestand doen. Inderdaad was de jongeling niet in staat de vurige paarden in bedwang te houden, de geheele aarde raakte in brand, en om grootere onheilen te voorkomen, zag Zeus zich genoodzaakt hem met den bliksem te dooden, waarop hij uit den wagen in den Eridanus viel.—3) zoon van Eos en Cephalus, door Aphrodīte ontvoerd en tot bewaker van haar tempel aangesteld.

Phaëthontiades = Heliades.

Phaëthūsa, Φαέθουσα, dochter van Helius en Neaera, weidde met hare zuster Lampetia de kudden van haar vader.

Phagres, Φάγρης, oude sterke stad in Macedonia, dicht bij den Strymon en den mons Pangaeus.

Φαινίνδα, een balspel, waarbij men op het oogenblik van werpen aan den bal eene geheel onverwachte richting gaf, de andere spelers liepen dan om het hardst om den bal te halen.

Phalaecus, Φάλαικος, zoon van Onomarchus, opvolger van Phayllus als aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog. Toen Philippus Phocis onderwierp (346), ging Ph. met zijne huurtroepen naar de Peloponnēsus en van daar naar Creta, waar hij bij het beleg van Cydonia gedood werd.

Phalanthus, Φάλανθος, stichter van Tarentum (z. Partheniae), stierf te Brundisium en werd als halfgod vereerd.

Phalanx, φάλαγξ, het leger in slagorde. De gewone slagorde bij de Grieken was zoo, dat de troepen in even lange gelederen achter elkander stonden. De diepte der phalanx was gewoonlijk 8 man, doch werd naar omstandigheden gewijzigd; de beroemde macedonische phalanx was 16 rijen diep, in den slag bij Leuctra trok Epaminondas zijne troepen op den linkervleugel samen, zoodat deze eene diepte van 50 man kreeg en met onweerstaanbare kracht den rechtervleugel der Spartanen, waar de koning stond, kon doorbreken.

Phalara, τὰ Φάλαρα, haven van Lamia aan de Malische golf.

Phalarica, een groote brandpijl, met werk, pek, enz. omwonden, die uit een catapulta naar de vijanden geschoten werd. De pijl was voorzien van een drie voet lange ijzeren punt.

Phalaris, Φάλαρις, van Astypalaea, werd uit zijne vaderstad verbannen en ging naar Agrigentum, waar hij door zijn rijkdom tot hoog aanzien kwam. Onder voorwendsel dat hij een tempel voor Zeus wilde laten bouwen verzamelde hij eene menigte werklieden; daarop gaf hij hun wapenen, en op dit leger steunende wierp hij zich tot tyran op (570). Hij onderwierp verscheiden naburige staten en regeerde hebzuchtig en wreed (z. Perilāus). Na eene regeering van 16 jaar werd hij bij een opstand gedood. De brieven, die zijn naam dragen, zijn onecht, v. s. eerst uit den tijd der Antonijnen.

Phalasarna, τὰ Φαλάσαρνα, havenstad op de W.kust van Creta, met een Artemistempel.

Phalces, Φάλκης, zoon van Temenus, maakte zich van de regeering over Sicyon meester. Hij en zijne broeders doodden Temenus, omdat deze de regeering over Argos aan hun zwager Deïphontes overgegeven had.

Phalera (plur.) en phalerae, τὰ φάλαρα, lederen, met metalen schubben bedekte stormband en wangbedekking aan den helm. Verder bij de Rom. metalen medailles op de borst der soldaten, tot belooning uitgereikt, ook metalen sieraden aan het hoofdstel of borsttuig der paarden.

Phalērum, of -us, Φάληρον, -ος, de oudste en meest oostelijke der havens van Athene, eigenlijk een open baai, die echter door haar beschutte ligging een veilige ligplaats aanbood voor schepen.

Phalīnus, Φαλῖνος, van Zacynthus, kwam als bekwaam krijgskundige in de gunst van Tissaphernes, die hem na den slag bij Cunaxa naar de Grieken zond om met hen te onderhandelen.

Phaloria, Φαλωρία, vesting geheel in het W. van Hestiaeōtis in Thessalia, aan den Penēus.

Phanae, Φάναι, Zuidkaap en haven van het eiland Chius, met een Apollotempel.

Phanagoria, Φαναγόρεια en -ρία, grieksche stad op den aziatischen oever van den Bosporus Cimmerius (straat v. Jaffa), later hoofdstad van het bosporaansche rijk.

Phanes, Φάνης, bij de Orphici = Eros.

Pha(e)nias, Φα(ι)νίας, 1) van Eresus, leerling van Aristoteles, vriend van Theophrastus, schrijver van werken over geschiedenis, wijsbegeerte en natuurwetenschappen, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard zijn.—2) een van de bevelhebbers der atheensche vloot in den corinthischen oorlog.

Phanocles, Φανοκλῆς, grieksch elegieëndichter, die waarschijnlijk in den alexandrijnschen tijd leefde. Van zijn werk, Ἔρωτες, zijn slechts kleine fragmenten bewaard gebleven.

Phanodēmus, Φανόδημος, schrijver eener Ἀτθίς, waarvan eenige onbeduidende fragmenten bewaard gebleven zijn. Hij was waarschijnlijk een Athener.

Phanote, vesting in Chaonia in Epīrus, ten N. van Phoenīce.

Phantasus, Φάντασος, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phaon, Φάων, z. Sappho.

Pharae, Φαραί, 1) eene der bondssteden van Achaia, in het binnenland, ten Z.O. van Olenus, met een oud orakel van Hermes; de inwoners werden Φαραῆς genoemd.—2) (Pharis), stad in Laconica, waarvan de inw. Φαρῖται heetten, ten Z. van Sparta.—3) (Pherae), stad in het Oosten van Messenia, dicht bij de Messenische golf, aan de Nedon; inw. Φαραῖται.

Pharax, Φάραξ, Spartaan, die onder Lysander in Azië streed als vlootvoogd (397) en als spartaansch gezant te Athene (369) genoemd wordt.

Phāris, Φᾶρις = Pharae no. 2.

Pharmacūsa, Φαρμακοῦσσα, 1) eilandje bij Milētus, waar Caesar in handen der zeeroovers viel.—2) Pharmacūsae, twee eilandjes bij Salamis.

Pharnabāzus, Φαρνάβαζος, satraap van Phrygië aan den Hellespont, ondersteunde sedert 413 de Spartanen krachtig tegen de Atheners, maar sloot in 410 vrede met laatstgenoemden. In den oorlog, dien de Spartanen later tegen Perzië voerden, had vooral zijne satrapie van de aanvallen van Thibron, Dercylidas en Agesilāus te lijden. Daarom zorgde hij voor het uitrusten eener vloot, die hij onder het bevel van Conon stelde, en na den slag bij Cnidus (394) verklaarde hij de grieksche zeestaten onafhankelijk, landde hij in de Peloponnēsus en droeg hij bij tot den herbouw der atheensche muren. Hij verliet echter weldra Europa en kort daarna ook zijne satrapie, daar hij aan het hof geroepen werd om met de dochter des konings te trouwen. Van een krijgstocht naar Aegypte, in vereeniging met Iphicrates ondernomen, kwam hij onverrichter zake terug.

Pharnaces, Φαρνάκης, 1) koning van Pontus (183–157), zoon van Mithradātes IV. Hij trachtte zijn gebied uit te breiden ten koste van Pergamus, Bithynia en Cappadocia en vestigde zijne residentie te Sinōpe. Ten laatste echter moest hij de gemaakte veroveringen weder opgeven. De stad Pharnacia werd door hem gesticht.—2) zoon van Mithradātes VI of den Gr. van Pontus. Door de wantrouwendheid zijns vaders van dezen vervreemd, spande hij met de Rom. tegen zijn vader samen. Hiervoor werd hij als onafhankelijk vorst van het door Mithradātes veroverde kustland ten O. en N.O. van den Pontus Euxīnus erkend, het zoogenaamde Regnum Bosporānum (63). In den strijd evenwel tusschen Pompeius en Caesar zocht hij de bezittingen van zijn vader te heroveren; doch Caesar voorkwam hem door een snellen tocht, versloeg hem bij Zela (48) en joeg hem naar den Cimmerischen Bosporus terug in zoo korten tijd, dat hij aan den rom. senaat den afloop in deze beroemde drie woorden kon berichten: veni, vidi, vici. Pharnaces sneuvelde daarna in den strijd tegen zijne opgestane onderdanen (47).—3) perzisch satraap, omstreeks 430.

Pharnacia, Φαρνάκεια, stad op de kust van Pontus, door koning Pharnaces (z. a. no. 1) gesticht, eene zeer sterke stad. Zie verder Cerasus. Pharnacia heet tegenwoordig weder Kerasunt.

Φᾶρος, lange mantel van fijn linnen, door mannen en later ook door vrouwen gedragen.

Pharsālus, Φάρσαλος, stad in het N. van Phthiōtis, aan den Apidanus, ten Z. van den Enīpeus met een beroemden Thetistempel en eene sterke acropolis. Hier had in 48 de groote en beslissende slag plaats tusschen Caesar en Pompeius.

Pharus, Φάρος, 1) eilandje op de aegyptische kust, waar Menelāus bij zijn terugkeer uit Aegypte door tegenwinden werd opgehouden. Alexander verbond het door een dam van zeven stadiën, heptastadium, met de vaste kust en de stad Alexandrië. Op het eene uiteinde van het eiland liet Ptolemaeus II Philadelphus een marmeren vuurtoren bouwen, die onder de zeven wonderen der wereld werd gerekend.—2) eiland op de kust van Dalmatia, thans Lesina. Er lag eene stad op van denzelfden naam, door Aemilius Paullus verwoest.

Pharygae, Φαρύγαι, z. Tarphe en Narycus.

Phasēlis, Φασηλίς, dorische handelsplaats op de kust van Lycia, met drie voortreffelijke havens. Het werd als een van de hoofdplaatsen der zeeroovers in 78 door P. Servilius Vatia (Servilii no. 20) verwoest.

Phasēlus, φάσηλος, een klein, licht en snelloopend vaartuig, v.s. zoo genoemd, omdat zij het eerst te Phasēlis gebouwd werden, v. a. omdat zij den vorm van een snijboon (phasēlus) hadden.

Phasiāni, Φασιανοί, volksstam in Colchis aan den Phasis.

Phasis, Φᾶσις, rivier in Colchis, die op het Moschische gebergte ontspringt en in den Oosthoek van den Pontus Euxīnus (Zwarte Zee) valt. Het dal van den Phasis is zeer vruchtbaar, doch de kust is moerassig: de huizen waren er op palen gebouwd. De colchische Phasis moet niet verward worden met den armenischen, veel langeren Phasis of Araxes, die zich in de Caspische zee stort. Aan of nabij den mond van den colchischen Phasis lag de stad Phasis, kolonie van Milētus. Naar deze plaats hebben de fazanten hunnen naam aves Phasiānae.

Φάσις, een soort van γραφή, aangewend tegen hen, die de wetten op den handel overtraden, ontrouwe voogden, onrechtmatige bezitters van staatseigendom e. a. De aanklager kreeg bij veroordeeling een deel van dat, wat de veroordeelde betalen of afstaan moest.

Phatniticum, Phatneticum ostium, Φατνιτικὸν στόμα, een der Nijlmonden, tusschen den Sebennitischen en den Mendesischen Nijlmond gelegen.

Phayllus, Φάυλλος, 1) van Croton, beroemd kampvechter, die met een op eigen kosten uitgerust schip aan den slag bij Salamis deelnam.—2) opvolger van zijn broeder Onomarchus als aanvoerder der Phocensers in den heiligen oorlog (352). Daar hij geen geld ontzag, bracht hij een groot leger op de been, ook werd hij door Atheners, Lacedaemoniërs en Achaeërs ondersteund; hij werd echter herhaaldelijk verslagen en stierf reeds in 351.

Phazania, Φαζανία, z. Garamantes. Tgw. Fezzan.

Phea, Φεά, Φειά, landtong met haven en vlek in Elis.

Pheca, Phaeca, kasteel bij Gomphi in Thessalia.

Phegēa, Φήγεια, z. Psophis.

Phegēis, Alphesiboea of Arsinoë, dochter van Phegeus.

Phegeus, Φηγεύς, 1) koning van Psophis, werd met zijne zonen door de zonen van Alcmaeon (z. a.) gedood.—2) Trojaan, priester van Hephaestus, door Diomēdes gedood.—3) tochtgenoot van Aenēas.

Φειδίτια, bij de Spartanen = συσσίτια.

Phelleus, Φελλεύς, bergstreek in Attica.

Phellus, Φελλός, oude stad in het Zuiden van Lycia, met cyclopische muren.

Phēme, Φήμη = Ossa.

Phemius, Φήμιος, zanger aan het hof van Odysseus. Hij zong ook bij de maaltijden der minnaars van Penelope, maar daar hij hiertoe gedwongen was geworden, spaarde Odysseus zijn leven op voorspraak van Telemachus.—V. s. was Ph. een schoolmeester te Smyrna, die Homerus als zoon aannam, waarom deze zijn naam in de Odyssee vereeuwigde.

Phemonoë, Φημονόη, dochter van Apollo, de eerste Pythia, vandaar soms algemeen = profetes. Men zeide, dat zij den hexameter had uitgevonden.

Pheneüs, Φενεός, oude stad in Arcadia met een gelijknamig meer, door herhaalde overstroomingen gevormd, aan den voet van den berg Cyllēne.

Pherae, Φεραί, 1) = Pharae no. 3.—2) thessalische stad in het Z.O. van Pelasgiōtis, met de havenplaats Pagasae. In den mythischen tijd was zij de zetel van koning Admētus, later van de tyrannen Iāson en Alexander.

Phereclus, Φέρεκλος, bekwaam bouwmeester, gunsteling van Athēna, bouwde o. a. het schip, waarop Paris Helena ontvoerde.

Pherecrates, Φερεκράτης, tooneelspeler, later voortreffelijk dichter der oude attische comedie, ouder tijdgenoot van Aristophanes. Van zijne 16 of 18 stukken bestaan nog slechts enkele fragmenten. Het metrum Pherecratēum is naar hem genoemd.

Pherecȳdes, Φερεκύδης, 1) van Syrus, een van de oudste grieksche wijsgeeren, de eerste grieksche schrijver van een wijsgeerig werk (Ἑπτάμυχος, v. a. Πεντέμυχος, περὶ φύσεως καὶ θεῶν) en een van de eerste grieksche prozaschrijvers. Hij wordt een tijdgenoot van Alyattes en een van de leermeesters van Pythagoras genoemd, overigens is weinig van hem bekend.—2) van Lerus, gewoonlijk de Athener genoemd, logograaf in de 5de eeuw, die de mythische geschiedenis van Griekenland, in het bizonder van Attica, in een aantal werken beschreef, waarvan slechts enkele fragmenten bewaard gebleven zijn.

Pherenīcus, Φερένικος, thebaansch democraat, wiens vader Cephisodotus vele Atheners, die voor de 30 gevlucht waren, bij zich opgenomen had, werd op zijne beurt te Athene gastvrij opgenomen, toen hij voor de Spartanen uit Thebae wijken moest.

Pheres, Φέρης, zoon van Cretheus en Tyro, mythisch stichter van Pherae in Thessalië.

Pheres, Φῆρες, naam door Homerus aan de Centauren gegeven.

Pheretiades, Φερητιάδης, Admētus, zoon van Pheres.

Pherinium, kasteel in Thessalia.

Φερνή = προίξ.

Pherrephassa, Φερρέφασσα = Persephone.

Pherūsa, Φέρουσα, eene Nereïde.

Phidias, Φειδίας, Athener, zoon van Charmides, leerling van Hegias en Agelādas, de beroemdste kunstenaar uit den tijd van Pericles, wiens vriend hij was, en die alle groote werken tot verfraaiing van Athene door hem of onder zijne leiding liet uitvoeren. Hijzelf maakte bij voorkeur kolossale godenbeelden van goud en ivoor, waarin hij op de gelukkigste wijze bevalligheid en verhevenheid wist te doen gepaard gaan. Bovenal beroemd zijn zijne Athēna Promachus, staande tusschen de Propylaeën en het Parthenon, zoo hoog dat men van Sunium het bovenste gedeelte er van konde zien, zijne Athēna Parthenus van ivoor en goud, 26 el hoog, zijn Zeus te Olympia, het beroemdste kunstwerk der oudheid. Dit beeld was 40 voet hoog en zat op een troon van 12 voet. Het lichaam was van ivoor, doch zijn mantel, die van de heupen in sierlijke plooien neerhing, was van goud met ingewerkte bloemen, ook zijne sandalen waren van goud. Om het hoofd had hij een olijfkrans van groene steenen. In de rechterhand hield hij een beeld van de godin der overwinning, eveneens van goud en ivoor gemaakt, in de linkerhand zijn schepter, op welks punt een arend zat. Om den rijk met beeldhouwwerk versierden troon dansten Horen en Chariten. Het geheel maakte een onuitsprekelijken indruk van majesteit en goedheid. In de overblijfsels van het Parthenon zijn enkele door of onder den onmiddellijken invloed van Ph. vervaardigde werken bewaard gebleven.—Ph. stond dikwijls bloot aan de aanvallen van Pericles’ vijanden. Met glans verdedigde hij zich tegen de beschuldiging, dat hij van het goud, voor de Athena Parthenus bestemd, zoude gestolen hebben, maar eene later tegen hem ingebrachte aanklacht wegens heiligschennis liep slechter voor hem af. Hij stierf in de gevangenis of te Olympia (432).

Phidippides, Φειδιππίδης, de atheensche renbode, die bij den eersten inval der Perzen in Attica (490) naar Sparta gezonden werd om hulp te vragen, en in 2 dagen den afstand van 1140 stadiën aflegde.

Phidon, Φείδων, koning van Argos in de zevende eeuw, een krachtig en verlicht heerscher, die de heerschappij van Argos over de geheele Peloponnēsus uitbreidde. Na zijn dood verloor Argos echter spoedig weder de door hem gevestigde macht. Van meer blijvend gevolg waren zijne maatregelen tot bevordering van het verkeer tusschen de staten onderling, onder welke vooral genoemd worden het slaan van gemunt geld en de invoering van een algemeen geldend stelsel van maten en gewichten.

Phigalia, Φιγαλία, oude stad in het Z.W. van Arcadia. Zij had haar roem vooral te danken aan den beroemden tempel van Apollo Epicurius, door den vermaarden atheenschen bouwmeester Ictīnus, den schepper van het Parthenon, in het tot Phigalia behoorende vlek Bassae gebouwd. Van dezen tempel staan nog 36 zuilen met de architraven; een gedeelte van de fries der cella, den strijd der Centauren met de Lapithen en der Amazonen met de Grieken voorstellende, is in het Britsch Museum te zien; zie blz. 159.

Philadelphia, Φιλαδέλφεια, 1) stad in oostelijk Lydia aan den voet van den Tmōlus, bij herhaling het tooneel van aardbevingen.—2) stad in Palaestina, in Peraea, de oude hoofdstad van Ammon, Rabbath Ammon, naar Ptolemaeus II Philadelphus verdoopt.—3) stad in het binnenland van W. Cilicia.

Philadelphus, Φιλάδελφος, bijnaam van Ptolemaeus II en Attalus II.

Philae, Φιλαί, eiland in den Nijl aan de Z. grens van Aegypte, met prachtige tempels en de graven van Isis en Osīris.

Philaeni, zie arae Philaenorum.

Philaeus, Φιλαῖος, zoon van Aiax no. 2 en Tecmessa, stond de heerschappij over Salamis aan de Atheners af, waarvoor hij atheensch burger werd. Hij was de stamvader der Philaiden, waartoe ook Miltiades behoorde.

Philammon, Φιλάμμων, mythisch zanger uit Thracië, zoon van Chrysothemis of van Apollo en Chione, vader van Thamyris en Eumolpus. Hij hielp de Delphiërs in een oorlog tegen de Phlegyers en sneuvelde daarbij.

Phileas, Φιλέας, van Athene, tijdgenoot van Hecataeus, schrijver van een aardrijkskundig werk, waarvan slechts weinige fragmenten bewaard zijn.

Philēmon, Φιλήμων, 1) arm, vroom, oud man in Phrygië, die met zijne vrouw Baucis gastvrijheid bewees aan Zeus en Hermes, toen deze als vermoeide reizigers bij verscheiden rijken en voornamen een schuilplaats gevraagd hadden, maar overal afgewezen waren. Daarvoor werd die geheele streek door het water verzwolgen, alleen de hut van Ph. bleef staan en werd in een prachtigen tempel veranderd, terwijl Zeus beloofde hem een verzoek te zullen inwilligen. Daarop verzocht Ph. met zijne vrouw tot bewaarder van den tempel aangesteld te worden en tegelijk met haar te sterven. Na verloop van jaren werd hij in een eik, zij op hetzelfde oogenblik in een linde veranderd.—2) van Syracusae of Soli, kwam jong naar Athene en trad omstreeks 330 als dichter der nieuwe comedie op. Tegenover de stukken van Menander, die uitmuntten door karakterteekening, behaalden die van Ph., waarin vooral de levendige handeling boeide, dikwijls den prijs. Op uitnoodiging van Ptolemaeus leefde hij eenigen tijd te Alexandrië, daarna keerde hij echter naar Athene terug, waar hij op hoogen leeftijd stierf (262). Van zijne 97 stukken zijn slechts fragmenten bewaard, twee ervan zijn beter bekend door de latijnsche bewerking van Plautus.—3) zoon van den vorigen, dichter der nieuwe comedie, schrijver van 54 stukken.

Philetaerus, Φιλέταιρος, 1) dichter van 21 blijspelen, die deels tot het tweede, deels tot het derde tijdperk der attische comedie behooren.—2) van Tium, geb. 343, diende onder Perdiccas, Antigonus en Lysimachus; deze vertrouwde hem de bewaking van den burcht van Pergamus toe, waarvan Ph. zich in 284 meester maakte. Onder de oorlogen der diadochen wist hij zich in zijn nieuw gevestigde regeering te handhaven, en bij zijn dood (263) liet hij het rijk Pergamus aan zijn neef Eumenes I achter.

Philētas, Φιλητᾶς, van Cos of Rhodus, tijdgenoot van Philippus en Alexander, beroemd grammaticus en dichter, leeraar van Ptolemaeus Philadelphus, Theocritus en Zenodotus. Hij muntte uit in de erotische elegie en wordt door de Rom., vooral door Propertius, dikwijls nagevolgd.

Philīnus, Φιλῖνος, 1) attisch redenaar, tijdgenoot van Demosthenes.—2) van Agrigentum, beschreef met groote partijdigheid voor de Carthagers de geschiedenis van den 1sten punischen oorlog.—3) van Cos, beroemd geneesheer en schrijver van geneeskundige werken, stichter eener empirische school van geneeskunde omstreeks 240.

Philippi, Φίλιπποι, stad in het macedonische gewest Edōnis, aan den berg Pangaeus gelegen, door Philippus gesticht op de puinhoopen van de thasische volkplanting Crenides. Bij Philippi sneuvelden in 42 Brutus en Cassius. De eerste christengemeente in Europa werd te Ph. gesticht.

Philippides, Φιλιππίδης, beroemd dichter der nieuwe comedie, gunsteling van Lysimachus; van zijne 44 stukken zijn slechts onbeduidende fragmenten bewaard gebleven; nu en dan slaat hij daarin nog den vrijmoedigen toon der oude comedie aan.

Philippopolis, Φιλιππόπολις, stad in Thracia aan den Hebrus (Maritza), door Philippus van Macedonia gesticht, op de plek van het vroegere Eumolpias. Onder de Rom. werd het de hoofdstad der provincie Thracia. Thans Philippopoli.

Philippus, familienaam in de gens Marcia (Marcii no. 14–16).

Philippus (M. Iulius), Arabs bijgenaamd, was de zoon van een arabisch Bedoeinenhoofd; door Gordiānus III werd hij in 243 na den dood van Timesitheus tot bevelhebber der praetorianen aangesteld. Nadat hij in 244 Gordianus III had laten vermoorden, werd hij door de soldaten tot Augustus uitgeroepen. Hij sloot vrede met de Perzen en vierde in 248 met grooten luister het feest van Rome’s 1000-jarig bestaan. In 249 verloor hij bij Verōna het leven tegen Decius, die door de pannonische legioenen tot rom. keizer was uitgeroepen.

Philippus, Φίλιππος, 1) zoon van Argaeus, koning van Macedonië 621–588, sneuvelde in een oorlog tegen de Illyriërs.—2) zoon van Amyntas II en Eurydice, geb. 382. Als jongeling werd hij door Pelopidas, toen deze de macedonische aangelegenheden geregeld had, als gijzelaar naar Thebe medegenomen, waar hij drie jaar ten huize van Epaminondas of van Pammenes doorbracht. Na den dood van zijn ouderen broeder Perdiccas III nam hij in naam van diens minderjarigen zoon de regeering in handen; wel werden de aanspraken van andere pretendenten door de Thraciërs en Atheners ondersteund, maar door toegeven en beloften wist Ph. deze volken te winnen, zoodat zijne tegenstanders zich genoodzaakt zagen hem in het onbetwist bezit der regeering te laten. Nadat hij door gelukkige oorlogen tegen Illyriërs en Paeoniërs het rijk had uitgebreid, werd hij door de edelen tot koning uitgeroepen. Van toen af werkte hij met standvastigheid en beleid tot het bereiken van zijn doel: de grieksche staten onder macedonische hegemonie tot de verovering van het perzische rijk te vereenigen. Voorloopig wijdde hij zich aan het ordenen der binnenlandsche aangelegenheden, hij voerde eene nieuwe slagorde, de zoogenaamde macedonische phalanx, in, gewende zijne troepen aan strenge krijgstucht, en versterkte de inkomsten van het rijk door de ontginning der goudmijnen van den Pangaeus, die door een oorlog met de Thraciërs in zijn bezit waren gekomen. Inmiddels hield hij voortdurend het oog op Griekenland gevestigd, wel inziende dat de verdeeldheid der uitgeputte staten hem spoedig genoeg de gelegenheid zoude aanbieden om handelend op te treden. Zijne handelwijze was ook ten volle voor de bestaande toestanden berekend; hoewel een bekwaam krijgskundige, deed hij meer door geld en beloften, door omkooperij en bedrog, dan door de wapenen. Athene liet hem Amphipolis, Potidaea, en Methōne nemen; door de Aleuaden te hulp geroepen tegen de tyrannen van Pherae, drong hij in Thessalië; ook vond hij gelegenheid zich in den heiligen oorlog (z. Phocis) te mengen en zelfs scheen het dat hij na eene overwinning op Onomarchus (352) een inval in Phocis wilde doen, maar hierin verhinderd door de Atheners, die een leger en eene vloot naar de Thermopylae zonden, keerde hij naar zijn land terug en wendde hij zich weder tegen Thracië, waar hij aan de atheensche belangen veel afbreuk deed. Ondertusschen trachtte hij in de Peloponnēsus, op Euboea en elders partijen voor zich te vormen, eindelijk viel hij Olynthus aan, dat, door de Atheners te laat en onvoldoende ondersteund, door verraad in zijne handen viel (348). Met de Atheners sloot hij nu vrede, maar, hetzij hij hen door bedriegelijke beloften en het omkoopen van sommige hunner gezanten (Aeschines, Philocrates) wist te misleiden, hetzij de Atheners voor het oogenblik niet in staat waren het te beletten, de loop der gebeurtenissen was deze, dat hij nog gedurende de onderhandelingen nieuwe veroveringen in Thracië maakte, ongehinderd door de Thermopylae kwam, geheel Phocis onderwierp en ontwapende, de oppermacht van Thebe in Boeotië bevestigde, en zich in plaats der Phocensers in het Amphictyonen-verbond liet opnemen (346). Hiermede voorloopig tevreden, richtte Ph. zich weder tegen de barbaarsche naburen van zijn rijk, maar sedert 342 hervatte hij zijne vijandige handelingen tegen Athene, hij veroorzaakte onlusten op Euboea, viel de steden op de Chersonēsus aan en bedreigde Perinthus en Byzantium. Phocion en Diopīthes beletten hem wel eenig belangrijk voordeel te behalen, maar voordat de oorlog, dien de Atheners eindelijk verklaarden, beslist was, werd door de Amphictyonen besloten tot bestraffing der Locriërs van Amphissa (z. a.), en de uitvoering van dit besluit aan Ph. opgedragen. Hij kwam met een groot leger naar Griekenland, maakte spoedig een einde aan de op zichzelf onbeduidende zaak, die waarschijnlijk alleen in zijn belang op touw gezet was, maar bezette tevens Elatēa in Phocis, van waar hij Thebe en Athene bedreigde (herfst van 339). Door toedoen van Demosthenes sloten nu deze beide staten een verbond, maar na eenige onbeduidende voordeelen leden hunne troepen bij Chaeronēa een volkomen nederlaag (Aug. 338). Ph. behandelde de overwonnenen gematigd, en riep te Corinthe eene vergadering van afgevaardigden uit alle grieksche staten bijeen, waar tot den oorlog tegen Perzië onder het opperbevel van Ph. besloten werd. Maar terwijl hij zich met de voorbereiding van dien oorlog bezig hield, werd hij op de bruiloft zijner dochter Cleopatra, misschien met medeweten van zijne gemalin Olympias en hare aanhangers, door Pausanias, een van zijne lijfwachten, vermoord (336). Hij werd door zijn zoon Alexander opgevolgd.—3) z. Arrhidaeus.—4) zoon van Cassander, regeerde na den dood van zijn vader korten tijd over Macedonië.—5) Ph. III (of V), zoon van Demetrius II, opvolger van Antigonus Doson (221). Hij besteeg den troon op zeventienjarigen leeftijd en regeerde aanvankelijk met bekwaamheid en rechtvaardigheid; hij voerde niet zonder geluk een oorlog tegen het aetolisch verbond, die in 217 tot een einde gebracht werd wegens het gevaar van de inmenging der Romeinen in de zaken van Griekenland. Toen werd op een vergadering te Naupactus besloten tot eene vereeniging van alle gr. staten onder leiding van Ph. Doch door zijn gewelddadig optreden, door daden van roekelooze dwingelandij, zooals het vermoorden van Aratus (213), had hij zich, reeds voor het tot een botsing met de Rom. kwam, zoovele vijanden gemaakt, dat hij in die vereeniging slechts weinig steun vond. In den tweeden punischen oorlog sloot hij een verbond met Hannibal, doch in plaats van dezen krachtig te ondersteunen tergde hij slechts de Romeinen door aanvallen op hunne bondgenooten, Pergamus, Rhodus, Aetolië e. a. De Romeinen brachten eene vereeniging van Ph.’s vijanden tot stand en wikkelden hem in een oorlog, die echter spoedig, nadat de Macedoniërs eenige onbeduidende voordeelen behaald hadden, eindigde (205). Maar Ph. ging voort de Rom. op de oude wijze te verbitteren, hij vereenigde zich met Antiochus, begon een oorlog tegen Aegypte, enz.; zoodra dus de vrede met Carthago hun de handen vrij liet, verklaarden zij hem den oorlog, dien Ph., in het begin door het achaeisch verbond e. a. grieksche staten gesteund, niet zonder talent en geluk voerde. Toen echter de veldheer T. Quinctius Flaminīnus den Grieken vrijheid en onafhankelijkheid beloofd had, verlieten zij de zijde van Ph., en kort daarna verloor hij den beslissenden slag bij Cynoscephalae (197). Hij moest zijne bezettingen uit de grieksche steden terugtrekken, leger en vloot verminderen, 1000 talenten betalen, enz. Sedert dien tijd was hij als het ware de speelbal der Rom., die hem nu eens eenige meerdere vrijheid in zijne bewegingen lieten, dan weer hem voor zijne daden ter verantwoording riepen en op alle wijzen krenkten. Hij was te zeer ontmoedigd om zich door Hannibal of Antiochus tot een nieuw bondgenootschap tegen de Rom. te laten overhalen, hij streed zelfs als hun bondgenoot tegen de Aetoliërs, maar zijn steeds toenemende haat tegen hen wendde zich tegen zijn eigen onderdanen, en eindelijk liet hij zelfs zijn zoon Demetrius als romeinsch gezind ombrengen, die als gijzelaar te Rome geleefd had en het vertrouwen van het volk en den senaat genoot. Maar weldra bemerkte hij dat zijn onechte zoon Perseus, die hem tot die daad had aangespoord, slechts ten doel had gehad zichzelven door den dood van Demetrius den weg tot den troon te banen, en van verdriet over het gebeurde stierf hij (178).—6) Pseudo-Ph. z. Andriscus.—7) van Opus, leerling van Plato, bezorgde na diens dood de uitgave van een of twee zijner werken.—8) zoon van Herodes den Groote z. a.

Philiscus, Φιλίσκος, 1) van Abȳdus, werd door den satraap Ariobarzanes naar Griekenland gezonden (368) om een vrede tusschen de oorlogvoerende staten tot stand te brengen; daar zijne pogingen zonder gevolg bleven, ondersteunde hij Lacedaemoniërs en Atheners met huurtroepen tegen de Thebanen. Beide staten gaven hem het burgerrecht. Later werd hij stadhouder aan den Hellespont, waar hij wegens misbruik van macht vermoord werd.—2) van Milētus, leerling van Isocrates, schrijver van redevoeringen e. a. werken. Hij was de leermeester van Timaeus en Neanthes.—3) van Aegīna, leerling van Diogenes, v.s. leermeester van Alexander d. G.—4) van Corcȳra, treurspeldichter, door de Alexandrijnen in de tragische pleias opgenomen. Hij leefde onder Ptolemaeus II.

Philistaei, Φιλισταῖοι, de Philistijnen, z. Palaestina.

Philistides, Φιλιστίδης, wierp zich met hulp der Macedoniërs tot tyran van Oreüs op (342). Hij trachtte met Athene vriendschapsbetrekkingen aan te knoopen, maar zijne gezanten werden afgewezen en door een atheensch leger onder Phocion werd Oreüs bevrijd en Philistides gedood.

Philistion, Φιλιστίων, 1)grieksche mimograaf uit Bithynië, onder Augustus.—2) geleerd arts en geneeskundig schrijver, dikwijls door Galēnus aangehaald.

Philistus, Φίλιστος, rijk Syracusaan, bloedverwant van den ouden Dionysius, wien hij bij het verkrijgen der regeering en later ter zijde stond, totdat hij in 386 het wantrouwen van den tyran opwekte en verbannen werd. Door den jongen Dionysius teruggeroepen (366), kreeg hij weder veel invloed, en de verbanning van Dio wordt hem toegeschreven. Toen deze terugkwam, werd Ph., die het bevel over de vloot voerde, na een ongelukkig gevecht gevangen genomen en door het volk gedood (356). Gedurende zijne verbanning schreef hij in Adria, aan den mond van de Po, eene geschiedenis van Sicilië (Σικελικά), waarop hij later nog een vervolg gaf. In het beschrijven der gebeurtenissen van zijn tijd toont hij groote partijdigheid voor Dionysius; wegens zijne duidelijk merkbare nabootsing van Thucydides wordt hij een Thucydides in ’t klein (pusillus Th.) genoemd. Van dit zoo belangrijke werk zijn slechts enkele fragmenten over.

Philo, familienaam in de gens Publilia en de gens Veturia (Veturii no. 7 en 8).

Philo, Φίλων, 1) Athener, die door de 30 verdreven werd en zich te Orōpus vestigde. Later kwam hij naar Athene terug, waar hij tot lid van den raad verkozen werd.—2) van Amphipolis, door Philippus van Macedonië verbannen (358).—3) zwager van Aeschines, in 347 lid van het gezantschap, dat met Philippus ging vrede sluiten.—4) bekwaam architect, die het groote arsenaal in den Piraeus bouwde (omstreeks 300) en over onderwerpen, zijn vak betreffend, schreef.—5) van Byzantium, leerling van Ctesibius, schrijver van een werk over werktuigkunde, voornamelijk over de toepassingen daarvan op het krijgswezen, waarvan een gedeelte bewaard gebleven is.—6) van Larīsa in Thessalië, leerling van Clitomachus en zijn opvolger als hoofd der academie, soms stichter der vierde academie genoemd. Gedurende den oorlog met Mithradātes vluchtte hij naar Rome, waar hij zich vele vrienden verwierf; Cicero ging veel met hem om.—7) geleerde Jood van Alexandrië, geb. omstreeks 25. In zijn talrijke, deels geschiedkundige, maar meest wijsgeerige, geschriften streeft hij naar een vereeniging van joodsche godsdienstleer en grieksche wijsbegeerte; door allegorische verklaring van het O.T. vindt hij daarin de verschillende stelsels der grieksche scholen, vooral de academische en stoicijnsche, terug. Reeds bejaard kwam hij naar Rome (40 n. C.), om zich bij Caligula over onderdrukking zijner geloofsgenooten te beklagen. Verslag van die Jodenvervolgingen en van zijn gezantschapsreis heeft hij gegeven in zijne geschriften: εἰς Φλάκκον en Πρεσβεία πρὸς Γάιον.—8) Herennius Ph., van Byblus, beroemd grammaticus, schrijver van verscheiden werken, waaronder een over het aanleggen van bibliotheken. Hij leefde in de tweede eeuw n. C. Zie Sanchoniathon. Zie ook Ammonius no. 3.

Philochorus, Φιλόχορος, Athener, die in zijne talrijke werken, waarvan vele fragmenten bewaard zijn, de geschiedenis en oudheden van Attica met grondige geleerdheid en scherpzinnigheid behandelde. Door latere schrijvers wordt hij dikwijls aangehaald en hoog geprezen. Als tegenstander der Macedoniërs werd hij op last van Antigonus Gonātas gedood (261).

Philocles, Φιλοκλῆς, 1) atheensch treurspeldichter, wordt bespot als een onhandig navolger van Aeschylus, zijn oom. Toch behaalde hij eens den prijs tegen Sophocles. Hij zou 100 stukken geschreven hebben.—2) atheensch admiraal, een van hen, door wier onbekwaamheid de atheensche vloot bij Aegospotami genomen werd. Hij zelf werd gevangen genomen en door Lysander ter dood gebracht.

Philocrates, Φιλοκράτης, 1) atheensch veldheer, veroverde in den peloponnesischen oorlog het eiland Melus (416).—2) Athener, aan Euagoras van Cyprus te hulp gezonden met eene vloot, die door de Lacedaemoniërs genomen werd (390).—3) Athener, een van de onbeschaamdste handlangers van Philippus van Macedonië; de voor Philippus voordeelige vrede van 346 was door hem voorgesteld en wordt dikwijls naar hem genoemd. Later door Hyperīdes aangeklaagd, nam hij de vlucht (343).

Philoctētes, Φιλοκτήτης, zoon van Poeas en Demonassa, koning van Meliboea, vriend van Heracles, die hem op den brandstapel, welken niemand dan Ph. had willen aansteken, zijn boog en pijlen te geschenke gaf. Hij trok met zeven schepen mede naar Troje, maar toen de Grieken op het eiland Chryse geland waren om aan Athēna te offeren, werd hij door een slang gebeten, en sedert was hij door zijne klachten en door de ondragelijke lucht van de wond zoo hinderlijk, dat men hem op raad van Odysseus op Lemnus aan wal zette en achterliet. Daar leefde hij eenzaam en met ondragelijke pijnen tot het tiende jaar van den oorlog, toen een orakel verklaarde dat Troje alleen door de pijlen van Heracles kon genomen worden. Odysseus en Neoptolemus werden gezonden om hem te halen, en hoewel Ph. eerst niet naar hen wilde luisteren, volgde hij hen eindelijk op bevel van Heracles zelf. Zijn wond werd door Asclepius of Machāon genezen, met een zijner pijlen doodde hij Paris en spoedig moest Troje vallen. V. s. verdwaalde hij op de terugreis naar Italië, waar hij Petelia stichtte.

Philocyprus, Φιλόκυπρος, koning van Soli op Cyprus, die door Solon bezocht en in zijne gedichten geprezen werd.

Philodēmus, Φιλόδημος, van Gadara, epigrammendichter en geleerd epicureïsch wijsgeer, tijdgenoot van Cicero. Behalve een dertigtal epigrammen zijn ook van zijne wijsgeerige werken aanzienlijke fragmenten bewaard, die te Herculaneum gevonden zijn.

Philoetius, Φιλοίτιος, de herder der runderen van Odysseus, die hem behulpzaam was bij het dooden der minnaars van Penelope.

Philolāus, Φιλόλαος, 1) van Corinthe, wetgever der Thebanen.—2) van Croton of Tarentum, tijdgenoot van Socrates, pythagoreïsch wijsgeer, de eerste die de leer van Pythagoras te boek stelde; slechts weinige fragmenten zijn bewaard gebleven. V. s. was hij de eerste, die leerde dat de aarde zich om hare as beweegt.

Philomēla, Φιλομήλη, z. Procne.

Philomēlus, Φιλόμηλος, van Ledon, spoorde de Phocensers tot tegenweer aan, toen zij door de Amphictyonen in den ban gedaan waren, en werd hun veldheer in den daarop gevolgden heiligen oorlog. Daar hij noch bij Sparta, noch bij Athene de verwachte hulp vond, moest hij zijn kracht in huurtroepen zoeken, en om deze te kunnen betalen, plunderde hij den tempel te Delphi (356). Na eenige kleine overwinningen op de Thebanen en Locriërs leed hij eene groote nederlaag, waarop hij zich in een afgrond stortte (354).

Philomētor, Φιλομήτωρ, bijnaam van Ptolemaeus VI.

Philonides, Φιλωνίδης, atheensch blijspeldichter, onder wiens naam het eerste stuk van Aristophanes werd opgevoerd, daar deze zich te jong achtte om voor het publiek op te treden. Ook als tooneelspeler trad hij in de stukken van Aristophanes op.

Philonoë, Φιλονόη, 1) dochter van Tyndareos en Leda, door de gunst van Artemis onsterfelijk gemaakt.—2) dochter van Iobates, gemalin van Bellerophon.

Philopappus (Antiochus), Φιλόπαππος, afstammeling der koningen van Commagēne, liet ten tijde van Traiānus een marmeren gedenkteeken te Athene oprichten, waarvan nog overblijfsels bestaan.

Philopator, Φιλοπάτωρ, bijnaam van Ptolemaeus IV.

Philopoemen, Φιλοποίμην, van Megalopolis, geb. 253, om zijn heldenmoed en liefde voor de vrijheid “de laatste der Grieken” genoemd, onderscheidde zich reeds als soldaat, toen zijne vaderstad door Cleomenes III belegerd werd (223), en later in den slag bij Sellasia. Na een verblijf van eenige jaren op Creta, waar hij in een burgeroorlog medestreed, keerde hij naar zijn vaderland terug, en in 208 werd hij tot strateeg van het achaeïsch verbond gekozen, welke betrekking hij later nog zevenmaal bekleedde. Als zoodanig voerde hij gepaste hervormingen in het krijgswezen in en wist hij den Achaeërs een nog ongeëvenaarde geestdrift voor hunne zaak in te boezemen, hij behaalde eene groote overwinning op Machanidas bij Mantinēa (207); Argos, dat het verbond had verlaten, omdat dit zich met de Romeinen had vereenigd, werd genoodzaakt weder toe te treden. Ofschoon hij in een zeeslag overwonnen werd, versloeg hij de Lacedaemoniërs later weder te land, en na den dood van Nabis dwong hij Sparta tot het verbond toe te treden (192). Maar toen deze stad na eene poging tot afval door hem ingenomen en van hare muren ontdaan was, wendden de Spartanen zich tot de Rom. om hulp. Door hun steun wist nu eene oligarchische partij onder Dinocrates ook den afval van Messenië te bewerken, en toen Ph., hoewel hij ziek was, kwam toesnellen, joeg hij wel in het eerst Dinocrates op de vlucht, maar nadat zijn paard gevallen was en hij daardoor zich ernstig bezeerd had, werd hij gevangen genomen en reeds den volgenden nacht gedwongen den giftbeker te drinken (183).

Philostratus, Φιλόστρατος, 1) atheensch sophist in de 2de eeuw na C., schreef o. a. 43 treurspelen en 14 blijspelen. Van al zijne werken is niets bewaard. Tegenwoordig wordt echter de kleine dialoog Νέρων, die onder de werken van Lucianus is opgenomen, aan hem toegeschreven.—2) Flavius Ph., zoon van den vorigen, leefde eerst te Athene, later te Rome in de omgeving van Julia Domna en Caracalla. Van zijne talrijke werken zijn o. a. bewaard eene romantische levensbeschrijving van Apollonius van Tyana, levensbeschrijvingen van grieksche rhetoren in den rom. keizertijd en andere van minder belang.—3) de jonge Ph., schoonzoon van den vorigen, leefde te Athene, bezocht Rome en stierf op Lemnus. Van zijne werken bezitten wij nog eene rhetorische beschrijving van eene verzameling schilderijen.—4) kleinzoon van no. 3, schrijver van eene niet zeer gelukkige navolging van laatstgenoemd werk.

Philōtas, Φιλώτας, 1) zoon van Parmenio, officier en vriend van Alexander d. Gr., bij wien hij zich echter later door zijne vrijmoedigheid gehaat maakte. Daar hij geene aangifte gedaan had van eene samenzwering tegen het leven van Alex., die hem ter oore gekomen was, werd hij als medeplichtige daaraan beschouwd, ter dood veroordeeld en gesteenigd (330).—2) bevelhebber der macedonische bezetting in Thebe onder Alexander d. Gr.; na diens dood werd hem Cilicië als satrapie gegeven, doch in de daarop volgende oorlogen geraakte hij in gevangenschap.

Philoxenus, Φιλόξενος, 1) van Cythēra, beroemd dithyrambendichter, vroeger slaaf, later leerling van den jongen Melanippides. Hij reisde door Griekenland, Italië, Sicilië en Klein-Azië en stierf te Ephesus (380). Wegens zijne vrijmoedige afkeuring van de gedichten van Dionysius I had hij te Syracuse eenigen tijd in de gevangenis doorgebracht.—2) onder Alexander d. G. schatmeester voor de westelijke provinciën, later opvolger van Philōtas no. 2 als satraap van Cilicië.—3) van Eretria, beroemd schilder omstreeks het einde der 4de eeuw. Vooral bekend was zijne schilderij van den slag bij Issus. Een copie hiervan is waarschijnlijk het beroemde mozaiek uit Pompei.—4) geleerd grammaticus van Alexandrië, leefde in de 1ste eeuw te Rome. Hij was een tijdgenoot van Varro, die veel aan hem te danken had.

Philus, familienaam in de gens Furia (Furii no. 1 en 2).

Philyra, Φιλύρα, Oceanide, bij Cronus moeder van Chiron; uit smart over de gedaante van haar zoon veranderde zij in een lindeboom.

Philyrides, Φιλυρίδης, Chiron, zoon van Philyra.

Phineus, Φινεύς, 1) broeder van Cepheus, door Perseus met het Medusahoofd versteend, omdat hij van zijne verloofde Andromeda geen afstand wilde doen.—2) zoon van Agēnor, koning van Salmydessus, had bij Cleopatra twee zonen, wien hij op aandrijven zijner tweede gemalin, Idaea, de oogen liet uitsteken. Daarvoor werd hij door de Harpyieën gekweld, die zijne spijzen wegroofden of bezoedelden, totdat de Argonauten bij Ph. landden en de Harpyieën door Zetes en Calaïs verjaagd werden.—Ph. had van Apollo de kunst van voorspellen geleerd, maar had daarvan roekeloos gebruik gemaakt, waarom hij door Zeus van het gezicht beroofd werd.

Phintias, Φιντίας, 1) zie Damon.—2) tyran van Agrigentum.

Phintias, Φιντίας, stad aan de Zuidkust van Sicilia, door Phintias, tyran van Agrigentum, gesticht.

Phla, Φλά, eilandje in het Tritonische meer in Africa, ten W. der groote Syrte.

Phlegethon, Φλεγέθων = Pyriphlegeton.

Phlegon, Φλέγων, van Tralles, vrijgelatene van Hadriānus, schrijver van eenige onbeduidende werken over geschiedenis. Het eenige, dat bewaard is, heeft slechts zekere belangrijkheid door de daarin bevatte aanhalingen van oudere schrijvers.

Phlegra, Φλέγρα, oude naam van het schiereiland Pallēne op Chalcidice, waar Zeus de Giganten door zijn bliksems vernietigde.

Phlegraei campi, zie campi Phlegraei.

Phlegyae, Φλεγύαι, een rooversstam, die den delphischen tempel wilde plunderen, en door Zeus met donder en bliksem vernietigd werd.

Phlegyas, Φλεγύας, zoon van Ares en Chryse, mythisch stamvader der Phlegyers. Toen zijne dochter Corōnis bij Apollo moeder geworden was van Asclepius, stak hij in toorn den tempel van Apollo in brand. Daarvoor doodde de god hem met zijn pijlen en moet Ph. in de onderwereld onder een rotsblok zitten, dat steeds dreigt op hem te vallen.

Phliasia, Φλιασία, gebied van Phlius.

Phlius, gen. -untis, Φλιοῦς, stad in de Peloponnēsus, ten Z. van Sicyon. Het had slechts een klein gebied.

Φλύαξ, Φλύακες. Bij de dorische comoedia, vooral op Sicilia, is niet, zooals in Attica, de satire, maar het humoristische element de hoofdzaak (z. Epicharmus); de eenvoudigste vorm hiervan is de φλύαξ, terwijl de spelers ook φλύακες heeten. In deze stukjes worden in plaatselijk dialekt sprookjes en mythen geparodieerd (z. Sopater no. 1). Men vindt ze in later tijd vooral in Zuid-Italië. Waarschijnlijk staan de Atellanae fabulae (z. a.) onder hun invloed. Vgl. ook Mimus en Rhinton.

Phobētor, Φοβήτωρ, zoon van Hypnus, broeder van Morpheus (z. a.).

Phocaea, Φωκαία, noordelijkste der aziatisch-ionische steden, eene belangrijke handelsstad met twee havens, gedekt door het eilandje Bacchium, dat rijk was aan tempels en prachtige gebouwen. De inwoners (Phocaei, Φωκαῆς, terwijl de bewoners van Phocis Phocenses, Φωκῆς, genoemd worden) waren onder de eersten, die koloniën stichtten, o.a. Massilia (Marseille). Toen Cyrus’ veldheer Harpagus de grieksche steden op de aziatische kust veroverde, weken de Phocaeërs uit naar Alalia op Corsica (zie Aleria); een gedeelte stichtte toen Elea of Velia op de W.kust van Lucania. Later keerde echter het meerendeel uit Corsica naar Phocaea terug. In den syrischen oorlog werd Ph. door de Rom. geplunderd (190).

Phoceae, Φωκέαι, sterkte in het gebied der sicilische stad Leontīni.

Phocion, Φωκίων, Athener van geringe afkomst, leerling van Plato. Wegens zijne dapperheid en bekwaamheid herhaaldelijk tot strateeg gekozen, won hij den slag bij Tamynae (349/8), verjoeg hij de tyrannen Philistides en Clitarchus, nam hij Oreüs en Eretria in (341), en verdedigde hij Byzantium tegen Philippus en Megara tegen de Thebanen. Maar terwijl hij dus in het veld voor de belangen van Athene tegen Macedonië streed, was hij bij zichzelf overtuigd, dat het volk van zijn tijd voor de vrijheid ongeschikt was, en dat op den duur tegenstand tegen Philippus vruchteloos moest zijn. Daarom was hij, in tegenstelling met Demosthenes, altijd voor vrede, ried hij na den slag bij Chaeronēa tot het aannemen der voorwaarden van Philippus, en trachtte hij na diens dood de democratische bewegingen te Athene tegen te houden. Zijne eerlijkheid bleef ondertusschen boven allen twijfel verheven; wat Philippus en na hem Alexander hem ook mochten aanbieden, Ph. nam nooit geschenken of gunsten van hen aan, wel bewerkte hij, dat Alexander de redenaars vrijliet, wier uitlevering hij geëischt had, ofschoon hijzelf voor de inwilliging van dien eisch gestemd had. Het uitbreken van den lamischen oorlog zocht hij met alle kracht te beletten, en ook het aanvankelijk gunstig verloop er van stelde hem niet gerust; toen de oorlog ongelukkig voor de Grieken was afgeloopen, ging hij met Demādes naar Antipater om over den vrede te onderhandelen. In weerwil van de harde voorwaarden van den vrede, stond Ph. nu eenige jaren aan het hoofd van den staat, maar toen Antipater gestorven was, Polyperchon het herstel der oude toestanden beloofde, en Ph. zich hiertegen trachtte te verzetten, werd het volk ontevreden, vooral toen hij, hoewel gewaarschuwd, niet belette dat de bevelhebber der troepen van Antipater den Piraeus innam. Bij de nadering van Alexander, den zoon van Polyperchon, werd Ph. gevangen genomen, van verraad aangeklaagd en door de geheele volksvergadering ter dood veroordeeld (318). Hij was 81 jaar oud geworden. Kort daarna werd voor hem een standbeeld opgericht.

Phocis, Φωκίς, bergachtig en niet vruchtbaar landschap van Midden-Griekenland. In de geschiedenis is het het meest bekend door de zoogenaamde heilige oorlogen. Over den eersten z. Crissa. Crisa werd verwoest en zijn gebied aan den delphischen god gewijd (± 590). De tweede oorlog had in 355 plaats, toen de Phocensers een stuk der crisaeïsche vlakte hadden bebouwd. Tot een boete veroordeeld die zij niet konden betalen, maakten zij zich van de delphische tempelschatten meester en wierven huurtroepen, die spoedig hun zelven te machtig werden. Philippus van Macedonia, door de Thebanen te hulp geroepen, drong in 346 Phocis binnen, het huurleger sloot een verdrag en liet de Phocensers aan hun lot over, die het nu ontgelden moesten. Zij werden uit het Amphictyonenverbond gestooten en hun plaats daarin werd aan Philippus gegeven. Zie verder ook Amphissa. De Parnassus met den delphischen tempel lag wel in Phocis, doch Delphi behoorde er niet toe, maar was een gemeenschappelijk gebied der Amphictyonen. In de stad Daulis behoort de mythe te huis van het zusterpaar Philomēla en Procne. De bewoners van Phocis worden Phocenses, Φωκῆς, genoemd (zie Phocaea).

Phocus, Φῶκος, 1) zoon van Poseidon, verhuisde van Corinthe naar het land, dat naar hem Phocis genoemd wordt.—2) zoon van Aeacus en Psamathe, werd door Telamon en Peleus gedood.

Phocylides, Φωκυλίδης, van Milētus, gnomisch dichter uit de 6e eeuw; de korte fragmenten (gnomen), die van zijne werken bewaard zijn, zijn ernstig en eenvoudig; een langer gedicht, dat zijn naam draagt, is van veel lateren tijd.

Phoebe, Φοίβη, 1) bijnaam van Artemis.—2) dochter van Uranus en Gaea, bij Coeüs moeder van Asteria en Leto, vóór Apollo bezitster van het orakel van Delphi.—3) eene van de Leucippides.—4) dochter van Leda.

Phoebēum, Φοιβεῖον, vlek bij Sparta, met een tempel der Dioscuren.

Phoebidas, Φοιβίδας, spartaansch veldheer, liet zich, toen hij met troepen op weg was naar Olynthus, door de oligarchische partij te Thebe overhalen om de Cadmēa te bezetten (382). Hij werd wel teruggeroepen en beboet, omdat hij zonder voorkennis der regeering gehandeld had, doch later werd hij als harmost naar Thespiae gezonden, in welke betrekking hij bij een aanval der Thebanen sneuvelde (378).

Phoebus, Φοῖβος, bijn. van Apollo en Helius.

Phoenīce, Φοινίκη, handelsstad in Chaonia in Epīrus, ten N. van Buthrōtum, hoofdstad van den epirotischen bond, zie Epirus.

Phoenīce of -cia, Φοινίκη, het smalle kustland ten N. van Palaestina, tusschen de Middellandsche zee en den Libanon, een land, bloeiende door zeevaart, handel en nijverheid, waaronder de glasfabricatie, de purperververijen, weverijen en metaalfabrieken de hoofdtakken waren. In dien bloeitijd waren de bosschen van den Libanon nog niet geveld en ondervond het land, wat klimaat en bodem betrof, nog den weldadigen invloed daarvan. Het land vormde niet één staat, maar een bond van steden, waaronder Tyrus en Sidon de meest beroemde waren. De Phoeniciërs (Phoenīces, Φοίνικες) strekten hunne tochten uit tot ver langs de kusten van den Atlantischen oceaan, doch de kennis, op die tochten opgedaan, behoorde tot de staatsgeheimen en ging met hen verloren.

Phoenīcus, gen. -untis, Φοινικοῦς, naam van verschillende steden, o. a. 1) in Ionia, aan den voet van den Mimas, tegenover het eiland Chius.—2) een zeerooversnest in Lycia, door P. Servilius Vatia in 78 vernield. Eigenlijk is het een in zee uitstekend gebergte aan de O.-kust van Lycia = Olympus no. 4.—3) op de Zuidkust van Messenia.—4) op het eiland Cythēra.

Phoenix, Φοίνιξ, 1) vader of broeder van Eurōpa, mythisch stamvader der Phoeniciërs.—2) zoon van Amyntor en Cleobūle, een van de calydonische jagers. Op aansporen van zijn moeder knoopte hij liefdesbetrekkingen aan met een vrouw, die door Amyntor bemind werd, waarvoor zijn vader hem vervloekte en wegjoeg. Hij vluchtte naar Peleus, werd de opvoeder en vriend van Achilles en ging met hem naar Troje.—3) van Colophon, iambendichter tegen het einde der 4de eeuw. Van hem zijn enkele gedichten, moraliseerende choliamben, in een papyrus teruggevonden.—4) fabelachtige heilige vogel der Aegyptenaren. Over de wijze, waarop hij sterft, waren verschillende verhalen in omloop, het meest gewone is, dat hij, na een leven van 500 (of 1461, of 7006) jaar, op een door hemzelf gemaakten brandstapel den dood vindt en daarna verjongd uit de asch herboren wordt.

Phoenodamas, Φοινοδάμας, Trojaan, wiens dochter door Laomedon (z. a.) geofferd zou worden aan het door Poseidon gezonden zeemonster en die daarom een opstand verwekte, zoodat Laomedon zijn eigen dochter moest offeren. Hij was de vader van Segesta, de moeder van Acestes.

Pholoë, Φολόη, grensgebergte tusschen Arcadia en Elis, zijtak van den Erymanthus.

Pholus, Φόλος, Centaur, die Heracles gastvrij ontving. Toen de andere Centauren Heracles lastig vielen, ontstond een gevecht, waarin bij ongeluk ook Ph. door Heracles gedood werd.

Phorbas, Φόρβας, zoon van Lapithes en Orsinome, werd ingevolge een orakel door de Rhodiërs uit Thessalië geroepen om hun eiland van slangen te zuiveren. Daarvoor werd hij later door hen als heros vereerd. Hij stond Alector van Elis tegen Pelops bij, en kreeg daarvoor een deel van zijn land en zijne zuster Hyrmine; zijn afstammelingen werden koningen van Elis. Hij plunderde den delphischen tempel en werd door Apollo zelf gewond.

Phorcides, Phorcynides, Φόρκιδες, de Gorgonen en Graeën, dochters van Phorcys.

Phorcys, -cus, Φόρκυς, -κυν, -κος, 1) zoon van Pontus en Gaea, een van de zeegoden, vader van de Gorgonen, de Graeën, de Hesperiden, den draak Ladon en de nimfen Thoōsa en Scylla.—2) aanvoerder der Phrygiërs in den trojaanschen oorlog, door Aiax gedood.

Φόρμιγξ, het oudste snareninstrument der Grieken, had veel overeenkomst met de lier en harp. Bij het bespelen hing het aan een band of riem over den schouder.

Phormio, Φορμίων, 1) verdienstelijk atheensch veldheer in het begin van den peloponnesischen oorlog, behaalde o.a. bij Naupactus eene overwinning op een sterkere vloot der Spartanen (429).—2) van Ephesus, peripatetisch wijsgeer, wilde Hannibal theoretisch onderricht in de krijgskunst geven. Vandaar spreekwoordelijk voor iemand die anderen iets wil leeren, wat hij zelf minder goed verstaat.

Phorōneus, Φορωνεύς, zoon van Inachus, koning van de Peloponnēsus, die den dienst van Hera invoerde, de menschen in steden vereenigde en hun het gebruik van vuur leerde. Hij werd in Argos als heros vereerd. Naar hem werden de Argiven Phoronīdae, en zijne zuster Io Phorōnis genoemd.

Phosphorus, Lucifer, Eōus, Φωσφόρος, Φαεσφ., Ἑωσφ., 1) de morgenster, zoon van Astraeus of Cephalus en Eos.—2) bijnaam van de lichtgodinnen Artemis, Hecate, Eos.

Phraātes, Φραάτης, naam van eenige parthische koningen uit het huis der Arsaciden. Zie Arsaces.

Phragandae, thracische stam op de macedonische grenzen.

Phraortes, Φραόρτης, zoon en opvolger van Deïoces, regeerde over Medië (647–625); hij onderwierp de Perzen e. a. volken, maar sneuvelde in een strijd tegen de Assyriërs.

Phrataphernes, Φραταφέρνης, satraap van Parthië onder Darīus Codomannus; hij streed in den slag bij Gaugamēla, maar onderwierp zich daarna aan Alexander. Deze liet hem zijne satrapiën Parthia en Hyrcania, die hij gedurende zijn verder leven behield.

Φρατρία, oudtijds eene afdeeling van den atheenschen adel. Door Clisthenes werd het aantal phratriën uitgebreid, en ook niet-adellijke burgers erin opgenomen. Tot Clisthenes waren in iedere phyle drie phratriën, in welke verhouding zij tot de latere phylae stonden is niet bekend. Ieder burger moest tot eene phr. behooren, jonggeboren kinderen werden op de Apaturia (z. a.) in de phr. van hun vader ingeschreven, terwijl de medeleden (φράτορες, φράτερες) tegen de inschrijving van onechte kinderen of om andere redenen onbevoegden moesten waken. Vrouwen gingen bij huwelijk in de phr. van haar man over. Ook verrichtten de leden eener phr. zekere gemeenschappelijke godsdienstige plechtigheden.

Phrixa, Φρίξα of -αι, stad in Elis ten Z. van den Alphēus.

Phrixus, Φρίξος, zoon van Athamas (z. a.) en Nephele. Door zijne moeder wonderdadig van den dood gered, vluchtte hij naar Aea, waar hij den ram, die hem overgebracht had, aan Zeus offerde en de gouden vacht aan Ares wijdde. Hij huwde met Chalciope, de dochter van Aeētes.

Phrontis, Φρόντις, zoon van Onētor, stuurman van Menelāus. Apollo doodde hem op de terugreis van Troje, ten einde Menelāus op te houden.

Phrygia, Φρυγία, gewest van Asia minor, ten O. van Lydia. Men onderscheidde Phrygia minor of Phrygia ad Hellespontum (zie Mysia), waartoe ook Troas behoorde, en Phrygia maior. Onder de Rom. werd alleen het laatste met den naam van Phrygia bedoeld. De Phrygiërs waren een uitgebreid volk, dat reeds vroeg op beschaving en kunst kon bogen, doch op dit gebied bleef stilstaan, sedert zij door Croesus lydische, en later met de Lydiërs perzische onderdanen werden. Onder hun eigen koningen, de Gordiussen en Midassen, hadden zij eenmaal een machtig rijk uitgemaakt, dat zich zelfs over Lydia uitstrekte. Zij noemden zichzelven autochthonen, doch reeds bij de ouden heerschte de meening, dat de Phryges in den voorhistorischen tijd uit Thracia waren overgekomen. Eene phrygische eigenaardigheid was het uithouwen van woningen en zelfs steden in rotsen. Bij de rom. dichters is dikwijls Phrygius = trojaansch, Phryges = Trojanen, bij Vergilius zelfs = Romeinen.

Phrygia Mater = Rhea Cybele.

Phrygius of Phryx, Φρύγιος, rivier in Lydia, zijtak van den Hermus.

Phryne, Φρύνη, van Thespiae, een schoone hetaere, die ten tijde van Alexander d. Gr. te Athene leefde, zeer rijk was, en tot model diende voor de cnidische Aphrodīte van Praxiteles en voor de Aphrodite Anadyomene van Apelles. Praxiteles plaatste haar beeld naast dat van Aphrodite in den tempel van Eros te Thespiae.

Phrynichus, Φρύνιχος, 1) Athener, zoon van Polyphradmon, een van de oudste treurspeldichters, behaalde zijne eerste overwinning in 511. Hij was de eerste die vrouwenrollen in zijne stukken bracht en v. s. ook de eerste die zijne stukken tot trilogieën en tetralogieën vereenigde. Den meesten roem behaalde hij door de schoonheid der lyrische partijen. Zijne Μιλήτου ὰλωσις, waarin de inneming van Milētus na den ionischen opstand bezongen werd, trof de Atheners zoo, dat het stuk verboden en de dichter met 1000 drachmen beboet werd (496). In 476 werden zijne Φοίνισσαι, ook een historisch stuk, opgevoerd.—2) blijspeldichter te Athene, zoon van Eunomides, tijdgenoot van Aristophanes, door wien hij dikwijls bespot wordt.—3) tooneelspeler en danser, tijdgenoot van Aristophanes.—4) Athener, zoon van Stratonides, speelde als bevelhebber der vloot bij Samus eene zeer dubbelzinnige rol bij de onderhandelingen over de terugkomst van Alcibiades. Onder de regeering der 400 werd hij als veldheer afgezet, maar vreezende voor de wraak van Alcibiades, sloot hij zich niettemin bij de oligarchische partij aan; door deze werd hij met Antiphon als gezant naar Sparta gezonden om over vrede te onderhandelen; bij zijne terugkomst werd hij door zekeren Thrasybūlus van Calydon op straat vermoord (411).—5) grammaticus uit de tweede eeuw n. C., schrijver van een woordenboek van attische woorden en uitdrukkingen, waarvan eenige uittreksels bewaard zijn.

Phrynis, Φρῦνις, van Mitylēne, beroemd dithyrambendichter tegen het einde der 5de eeuw.

Phtha(s), Φθᾶ, Φθάς, aegyptisch god, vooral te Memphis vereerd, door de Grieken met Hephaestus geïdentificeerd. Hij wordt afgebeeld als een dwerg met stok en zweep, soms met een valkekop.

Phthia, Φθία, 1) = Phthiōtis.—2) stad in Phthiotis, de zetel van Peleus en Achilles, waarschijnlijk in den omtrek van het latere Thebae Phthiotides.

Phthiōtis, Φθιῶτις, bij Homerus Phthia, het Z. O. gewest van Thessalia, oudtijds ook wel als Achaia bekend, het stamland der Achaeërs. Hier behoorde Achilles te huis.

Φυλή, bij de Grieken eene afdeeling van het volk, waarvan de leden oorspronkelijk door werkelijke of vooronderstelde gemeenschappelijke afkomst of door gemeenschappelijke woonplaatsen in nauwere betrekking tot elkander stonden. In Attica worden uit den mythischen tijd vele indeelingen vermeld, waarvan de beteekenis niet duidelijk is; de zoog. indeeling van Theseus in Εὐπατρίδαι, Γεωμόροι, Δημιοῦργοι berust blijkbaar op verschil van standen. Tot aan Solon had men de gewone ionische verdeeling in 4 phylae (Γελέοντες, Ὅπλητες, Ἀργαδεῖς, Αἰγικορῆς), die aan Ion toegeschreven wordt. Solon verdeelde de burgers naar hun vermogen in 4 klassen met verschillende staatkundige rechten: Πεντακοσιομέδιμνοι, Ἱππῆς, Ζευγῖται, Θῆτες, de oude ionische phylen bleven voor godsdienstige doeleinden daarnevens bestaan, ook toen Clisthenes eene geheel nieuwe verdeeling in 10 phylae invoerde, waaraan hij de namen van inheemsche heroën gaf. Deze phylae waren geene plaatselijke eenheden, maar werden uit drie τρίττυες (z. a.), dus uit dikwijls ver van elkander verwijderde demen samengesteld, ten einde in dezelfde phyle personen van verschillende afkomst en stand te vereenigen. Aan het hoofd van iedere phyle stonden ἐπιμεληταί. Voor het leger en den raad leverde iedere phyle een gelijk aandeel. Bij de 10 phylae werden in 301 nog twee gevoegd, die naar Antigonus en Demetrius genoemd werden, in 221 kwam eene dertiende er bij, die naar Ptolemaeus (Euergetes) heette, kort daarop werden de beide eerstgenoemde opgeheven, maar in 200 werd het aantal weder op 12 gebracht door toevoeging van eene, die den naam van Attalus kreeg (z. ook Φρατρία).—In de dorische staten is de dorische bevolking overal in 3 phylae verdeeld: Ὑλλῆς, Πάμφυλοι, Δυμᾶνες, zoo genoemd naar den zoon van Heracles en de beide zonen van Aegimius; de niet dorische bevolking vormt, waar zij eenig aandeel aan het burgerrecht heeft, eene afzonderlijke phyle, zooals in Argos en Sicyon. Iedere phyle is in 10 obae (ὠβαί) verdeeld. Waarop hier de verdeeling berustte is onbekend, v. s. zijn zoowel phylae als obae plaatselijk van elkander gescheiden, ofschoon ten minste in Sparta ook eene plaatselijke indeeling in 5 κῶμαι bestond.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings