T.
Reading edition
Tabae, Τάβαι, 1) stad in het perzisch-medische distrikt Paraetacēne, aan den heerweg van Persepolis naar Ecbatana.—2) bergstad aan de O. grens van Caria.
Tabella, zie tabula.
Tabellariae (leges), de 4 wetten, waarbij geheime stemming met stembordjes, tesserae of tabellae, in de comitiën werd ingevoerd. 1) lex Gabinia, van een overigens onbekenden volkstribuun A. Gabinius, voor de kiescomitiën, in 139.—2) lex Cassia, van den volkstribuun L. Cassius Longīnus, 137, voor rechterlijke comitiën, behalve in zaken van perduellio.—3) lex Papiria, van den volkstribuun C. Papirius Carbo, 131, voor wetgevende comitiën.—4) lex Caelia van den volkstribuun L. Caelius, 107, ook voor perduellio. Zie ook tabula.
Tabellarius, postbode. De ouden kenden geene geregelde postverzending, doch menschen, die geregeld in betrekking stonden met het buitenland of die een werkkring in de provinciën hadden, hielden er eigen tabellarii op na, die de correspondentie over en weer brachten en dan ook voor de vrienden hunner patroons brieven medenamen, zoodat er op deze wijze een vrij levendig brievenverkeer tusschen Rome en de verschillende deelen des rijks plaats had. De stadhouders hadden hunne koeriers, statores. Augustus organiseerde eene keizerlijke koerierpost, waartoe op verschillende punten wisselplaatsen, mutationes, waren gevestigd, om versche paarden te verkrijgen, en op sommige halten gelegenheid was te overnachten, mansiones. Behalve de keizerlijke koeriers, speculatores, en ambtenaren in dienst, mocht niemand van de postrijtuigen gebruik maken zonder speciale schriftelijke vergunning, diploma.—De perzische koningen hadden eene uitstekend ingerichte koerierpost te paard. De dépêches werden in vollen ren van het eene station naar het andere overgebracht, waar steeds een koerier, ἀγγαρεύς, met een gezadeld paard gereed stond om de dépêches van den aankomenden koerier over te nemen en onverwijld verder te brengen.
Tabernae, naam van onderscheidene pleisterplaatsen aan de rom. heerwegen, o.a. tusschen Argentorātum (Straatsburg) en Noviomagus Nemētum (Spiers), thans Rheinzabern en ééne ten O. daarvan, thans Bergzabern in den Elzas, en een versterking ten W. van Straatsburg, op weg naar Decempagi (Dieuze), gewoonlijk Tres Tabernae geheeten, tegenw. Zabern in den Elzas. Tres Tabernae was verder eene halteplaats in Latium aan de via Appia, tusschen Aricia en Forum Appii, een andere halte van dezen naam lag in Gallia Transpadāna tusschen Placentia (Piacenza) en Mediolanium (Milaan).
Tablīnum, een vertrek in rom. huizen, in den regel achter het atrium gelegen en oudtijds ingericht tot bureau van den heer des huizes, tot familie-archief en dgl., later ook tot andere doeleinden gebezigd, o. a. ook wel voor eetvertrek.
Tabula, tabella, tessera. Tabula is een plank of houten bord, tabella is er een verkleinwoord van, tessera een vierkant plaatje of blokje, onverschillig van welke stof, evengoed een plankje als een kubus. De drie benamingen werden niet streng gescheiden. Tabula picta, schilderij, ook landkaart. Tabula votīva, eene schilderij, welke iemand, die uit een groot gevaar gered was, van deze redding liet vervaardigen en als dankbewijs in den tempel van eene of andere godheid ophing, of wel eene plechtige, op eene tabula geschreven dankbetuiging aan de reddende godheid. Tabulae cerātae zijn met was bestreken plankjes, op de manier van dichtslaande leitjes, zooals ze vroeger in Indië veelvuldig werden gebezigd. Men gebruikte ze voor briefwisseling, zij werden met een draad, linum, kruiswijze omwonden en de knoop werd verzegeld. Tabulae heetten ook de rekenborden, die de kinderen op school gebruikten, zooals bij ons leien in gebruik zijn. Tabulae publicae zijn alle openbare oorkonden en bekendmakingen, b.v. tabulae proscriptionum, aankondiging van publieke verkoopingen, in de burgeroorlogen de openbaar gemaakte lijsten van vogelvrijverklaarden. Tabulae accepti et expensi, boek van ontvangst en uitgaaf, kasboek. Tabulae Caeritum, de lijsten der aerarii (z.a.). Ook de groote marmeren of koperen platen, waarop dikwerf wetten en besluiten werden gebeiteld of gegrift, worden tabulae genoemd, vandaar de naam leges duodecim tabularum. De stembordjes of stemplankjes bij de comitia en iudicia worden soms tabellae, doch meest tesserae geheeten; bij het stemmen over wetsvoorstellen beteekende A antiquo = ik ben voor het oude, dus = tegen, V. R. uti rogas = zooals gij voorstelt, dus = vóór. Bij rechterlijke comitia was L libero, D damno. Bij de quaestiones perpetuae had men nog bovendien N. L., non liquet, waardoor men te kennen gaf, nog niet voldoende te zijn ingelicht, zie Acilia lex de repetundis. Bij de eigenlijke stemming gebruikte men voor vrijspraak en veroordeeling: A absolvo, C condemno. Over de tessera frumentaria zie men het artikel annōna. Ook het toegangsbewijs voor het theatrum, den circus en dgl. heette tessera. Tesserae zijn ook dobbelsteenen, zie alea. Tessera hospitalis is het bewijs van een verbond van gastvriendschap tusschen twee familiën in verschillende plaatsen; op een plankje werden de namen der beide familiën geschreven, een aan elken kant, vervolgens werd het middendoor gebroken en kreeg elke familie de helft; op vertoon van dit stuk was men zeker van eene gastvrije ontvangst. Tessera militaris was eene, waarop het wachtwoord geschreven stond; degenen, die dit woord moesten weten, teekenden ze voor gezien, en zoo kwam zij bij den bevelhebber terug; ook bevelen in het legerkamp werden dikwerf op deze manier gegeven. Bij een zoo veelvuldig gebruik werd niet altijd de vierzijdige vorm bewaard; eene tessera theatralis, te Pompeii gevonden, heeft den vorm van een penning met het opschrift:
CAV. II CVN. III GRAD. VIII. CASINA PLAVTI
d. w. z. cavea II = 2de rang, cuneus III = 3de sector, gradus VIII = 8ste rij, voor de Casina (eene comoedia) van Plautus.
Tabularium, het rijksarchief. Voor de foedera was er een archief op het Capitool, voor alles wat het geldelijk beheer betrof, was het archief, met het aerarium vereenigd, in een achtergebouw van den Saturnustempel. Het archief der volkstribunen was evenzoo in den tempel van Ceres, hier werden de plebiscita en senatusconsulta bewaard. Na den brand van het Capitool in 83 werd er in 78 door Q. Lutatius Catulus (zie Lutatii no. 5) een algemeen rijksarchief gebouwd (tabularium) in de inzinking tusschen de twee toppen van het Capitool, met den voorkant naar het forum, op welks grondslagen in de Middeleeuwen het tegenwoordig stadhuis van Rome (Palazzo del Senatore) is opgetrokken. Het keizerlijk archief heet tabularium Caesaris.
Tabularum (leges XII), de eerste verzameling geschreven wetten, op twaalf tabulae gegrift, waarvan volgens de overlevering 10 in 451 en 450 onder de decemviri werden vervaardigd en de laatste twee in 449 onder het consulaat van M. Horatius Barbātus en L. Valerius Poplicola. Zij waren fons omnis publici privatique iuris en bleven voor het burgerlijk recht tot het einde toe de grondslag der rom. wetgeving, waaraan de edicten der praetoren (zie ius honorarium) zich aansloten. Tot meer dan twee eeuwen na C. stonden zij te Rome op het forum ten toon gesteld. Wat wij er echter van weten, berust op aanhalingen en uitleggingen van rom. rechtsgeleerden en is gedeeltelijk van jongeren datum.
Taburnus, een bergrug op de grenzen van Samnium en Campania, waardoor de bergpas van Caudium aan de Zuidzijde werd begrensd. De noordelijke helling was ruw, de zuidelijke daarentegen rijk aan vruchtboomen.
Tacfarinas (gen. -ātis), een Numidiër, die eerst onder Tiberius in de rom. gelederen diende, doch deserteerde en een opstand verwekte (17 na C.), welke eerst onderdrukt werd, doch weder opvlamde (19) en eerst met groote inspanning in 24 door P. Cornelius Dolabella werd onderdrukt.
Tachompso, Ταχομψώ, half aegyptische stad in het aethiopische distrikt Dodecaschoenus, op een eiland in den Nijl gelegen, doch overschaduwd en in verval geraakt door den aanwas van de tegenoverliggende stad Pselchis.
Tachos, Ταχώς, zoon en opvolger van Nectanabis I. Geholpen door grieksche troepen onder Agesilāus (361) en Chabrias wist hij eenigen tijd weerstand te bieden aan de aanvallen van Perzië, maar toen zijn neef Nectanabis II tegen hem opstond en Agesilāus zich bij dezen aansloot, onderwierp T. zich aan Artaxerxes, aan wiens hof hij zijn verder leven doorbracht.
Tacitus (M. Claudius), rom. keizer, geb. te Interamna, in 275 na C. op meer gevorderden leeftijd door den senaat als opvolger van Aureliānus verkozen, een ernstig, fijn beschaafd en waardig man. Hij werd na een voorspoedigen veldtocht tegen de Gothen, die van uit Zuid-Rusland langs de Oostkust van de Zwarte Zee in Klein-Azië gevallen waren, door zijn soldaten, na eene regeering van 6 maanden, waarschijnlijk te Tyana, vermoord (276). Hij regeerde geheel naar den zin van den senaat, waartoe hij behoord had.
Tacitus (P. Cornelius), beroemd rom. geschiedschrijver, schoonzoon van Cn. Iulius Agricola, met wiens dochter hij in 78 na C. huwde. In 80 of 81 werd hij quaestor, vervolgens aediel of volkstribuun, in 88 praetor en in 97 (onder Nerva) consul. Dat hij ook, evenals keizer Tacitus, die hem onder zijne voorzaten rekende, te Interamna in Umbria geboren is, is niet waarschijnlijk, hoewel er in die stad (thans Terni) in 1514 een gedenkteeken voor hem is opgericht. In 89 verliet hij met zijne vrouw Rome, naar men vermoedt als legatus pro praetore provinciae Belgicae, en keerde daarheen in 93 wegens het overlijden van zijn schoonvader terug. In 111 of 112 was hij proconsul van Asia. Hij was bevriend met den jongen Plinius. Tacitus heeft zijn naam vereeuwigd door zijne geschriften: 1º. Dialogus de oratoribus, waarschijnlijk in 81 nog in ciceroniaanschen stijl geschreven, in den vorm van een gesprek een zeer belangrijke verhandeling bevattend over de geschiedenis der romeinsche litteratuur. 2º. de vita et moribus Cn. Iulii Agricolae, in 98 uitgegeven, een levensbeschrijving van zijn schoonvader, en een historisch-geographische bespreking van Britannia bevattend. 3º. Germania of de origine situ moribus ac populis Germanorum, uitgegeven in 98; het eerste deel bespreekt in het algemeen den oorsprong en de zeden der Germanen, het tweede de verschillende volksstammen. 4º. Historiae, waarschijnlijk 14 boeken, uitgegeven na elkaar in de jaren 104–111; ze beschreven de geschiedenis van Galba tot aan den dood van Domitiānus. Over zijn nog: boek I–IV en het begin van V, waarin de jaren 69 en 70 (gedeeltelijk) behandeld worden. 5o. ab excessu Divi Augusti libri XVI, ook annales geheeten, van den dood van Augustus tot op dien van Nero, waarvan echter slechts boek I–IV in hun geheel, V en VI met eene groote gaping, van XI een gedeelte, XII-XV weder geheel en XVI gedeeltelijk over zijn. Ze zijn geschreven en uitgegeven in de jaren 115–117. De stijl van Tacitus is levendig en kernachtig, doch door zucht tot beknoptheid menigmaal duister. In weerwil zijner waarheidsliefde wordt hij door sommigen niet altijd billijk in zijne waardeering van enkele keizers geacht, met name jegens Tiberius. Het is er Tacitus niet in de eerste plaats om te doen, de waarheid mede te deelen, maar om de gebeurtenissen, door anderen beschreven te stiliseeren. Aan hem moet men vooral zijn woordkunst bewonderen. Zijne geschriften hebben niet slechts eene wetenschappelijke, maar ook eene zedelijke strekking, die hij (ann. III. 65) uitdrukt in de woorden: quod praecipuum munus annalium reor, ne virtutes sileantur, utque pravis dictis factisque ex posteritate et infamia metus sit.
Tader, rivier in het Z. van Hispania Tarraconensis, niet ver ten N. van Carthago Nova, tgw. Segura.
Tadii, rom. geslacht, waarvan een paar leden in het proces tegen Verres als diens vrienden voorkomen.
Taenarum, Ταίναρον, thans kaap Matapan, de middelste Zuidpunt van de Peloponnesus. Daar stond een tempel van Poseidon Ἀσφάλειος, ook als vrijplaats beroemd. In de nabijheid was eene grot, die een van de toegangen tot de onderwereld was en waardoor Heracles het monster Cerberus naar boven bracht. Ook zou hier Arīon (z. a.) door zijn dolfijn aan land zijn gebracht. Er lag ook eene stad Taenarus of Taenarium; in den omtrek vond men aanzienlijke marmergroeven.
Tagae, Ταγαί, stad in Parthia op de grenzen van Hyrcania, ten W. van Hecatompylus.
Taephali of -lae, westgothische stam, die in de 4de eeuw n. C. in Dacia woonde.
Tages, zoon van een genius, kleinzoon van Jupiter, kwam eens bij Tarquinii, terwijl een boer bezig was zijn land om te ploegen, als knaap uit een diepe vore te voorschijn. Op het geroep van den verschrikten landman kwamen velen toesnellen; T. onderwees hen in de etruscische voorspellingskunst (haruspicina) en stierf terstond daarop. Sommige van zijne lessen waren opgeteekend in de Acheruntici libri.
Ταγός, in Thessalië titel van den opperbevelhebber van het leger, later ook van den hoogsten overheidspersoon.
Tagus, Τάγος, rivier in Hispania, thans de Taag (Tajo, Tejo), rijk aan stofgoud, visschen en aan den mond met oesterbanken.
Taifali = Taephali.
Talaonides, Ταλα(ι)ονίδης, Adrastus, zoon van Talaüs.
Talassio, -sius, romeinsch huwelijksgod, die bij het geleiden van de bruid naar het huis van haar echtgenoot luide werd aangeroepen. Men verhaalde dat iemand, die bij den sabijnschen maagdenroof het schoonste meisje gegrepen had, om haar tegen aanranding te vrijwaren voorgewend had, dat zij voor Talassius, een aanzienlijk en algemeen bemind Romein, bestemd was. Maar het volk, dat zijn list doorzag, hield hem bij zijn woord en allen hielpen hem nu het meisje naar T. brengen, terwijl men schertsend luide riep: Talassio.
Talaüs, Ταλαός, zoon van Bias en Pero, koning van Argos, een van de Argonauten, vader van Adrastus, Eriphȳle e. a.
Talentum, τάλαντον, oorspronkelijk de weegschaal, vervolgens een bepaald gewicht = 26.2 kilo, eindelijk een geldsom, overeenkomend met de waarde van dit gewicht in zilver. Men rekent het attische talent = ƒ2820, het aeginetische en babylonische = 1⅔, het euboeïsche = 1-7/18 att. tal. Het talent was verdeeld in 60 minen, de mina in 100 drachmen.
Talos, Τάλος, 1) zoon eener zuster van Daedalus, vond verscheiden werktuigen uit, waarom zijn oom afgunstig werd op zijn roem en hem verraderlijk van de acropolis wierp. V. a. was zijn naam Perdix.—2) een koperen reus, die slechts één ader had, welke van het hoofd tot de voeten liep en daar met een pen gesloten was. Hij was door Hephaestus of Zeus aan Minos of Europa geschonken om Creta te bewaken; dagelijks liep hij driemaal om het eiland heen, en als hij vreemdelingen zag, maakte hij zich in een groot vuur gloeiend en drukte hij hen in zijne armen dood. Toen de Argonauten op Creta landden, doodde Medēa hem door de pen uit zijn ader te trekken, zoodat hij doodbloedde; v. a. doodde Poeas hem met zijne pijlen.
Talthybius, Ταλθύβιος, heraut van Agamemnon, te Sparta en Argos als heros vereerd. Van hem was het geslacht der Talthybiaden (Ταλθυβιάδαι) te Sparta afkomstig, waaruit de herauten genomen werden; z. ook Bulis.
Talus, dobbelsteen, zie alea.
Tamassus, Tamasus, Ταμα(σ)σός, stad op Cyprus, beroemd om hare kopermijnen, door sommigen voor het homerische Temesa gehouden.
Tamesa of -sis, Τάμεσα, rivier in Britannia, thans de Theems.
Ταμίας, in ’t algemeen rentmeester, penningmeester. Te Athene was sedert het einde der vierde eeuw de τ. of ἐπιμελητὴς τῆς κοινῆς προσόδου, ook kortweg ὁ ἐπὶ τῇ διοικήσει genoemd, een soort minister van financiën, die het beheer over de geheele schatkist voerde; hij werd door volkskeuze aangewezen en bekleedde zijn ambt vier jaar. Zijn departement was in talrijke onderafdeelingen verdeeld, waarvan ieder een eigen kas en een eigen beheerder had, die eveneens τ. heette.
Tamna, Τάμνα, groote, welvarende hoofdstad der Catabani in het Z. W. van Arabia felix, volgens het verhaal met 65 tempels en met een levendigen handel in specerijen en myrrhe.
Tamos, Ταμώς, een Aegyptenaar, onder Tissaphernes stadhouder van Ionië, later bevelhebber der vloot van den jongen Cyrus.
Tamphilus, familienaam in de gens Baebia.
Tamynae, Ταμύναι, Ταμῦναι, euboeïsche stad tot het gebied van Eretria behoorende, aan de Z. kust, ten O. van Eretria gelegen, in welker nabijheid Phocion den eretrischen tyran Callias versloeg.
Tanager, rivier in Lucania met een gedeeltelijk onderaardschen loop, bij Forum Popilii. Hij stroomt naar het N. en valt in den Silarus.
Tanagra, Τάναγρα, beroemde en belangrijke stad van Boeotia, aan den Asōpus gelegen, niet ver van de grens van Attica. In den omtrek groeide de beste wijn van Boeotia. In 457 werden de Atheners hier door de Spartanen verslagen.
Tanais, 1) rivier in Sarmatia, thans de Don, door de ouden als grensrivier tusschen Europa en Azië aangenomen. Dikwijls wordt deze stroom verward met den Jaxartes (Syr-Daria). Hij valt in den N.O. hoek der Palus Maeōtis (zee van Azow).—2) stad, milesische volkplanting, aan den Zuidermond van bovengenoemde rivier.
Tanaquil, Τανακυλλίς, gemalin van den rom. koning Tarquinius Priscus. Later schijnt zij met een rom. godin van het spinnen vereenzelvigd en te Rome onder den naam Gaia Caecilia vereerd te zijn.
Tanarus, rechter zijrivier van den Padus (Po), stroomt langs Pollentia en Hasta (Asta), en valt boven Clastidium in den Padus.
Tanaüs = Tanus.
Tanētum, Τάνητον, stad der Boii in Gallia Cispadāna, tusschen Parma en Mutina.
Tanfāna, Tamf., germaansche god of godin, had een tempel in het gebied der Marsi, die in 14 na C. door Germanicus verwoest werd.
Tanis, Τάνις, stad in de Nijldelta, op den rechteroever van den Tanitischen Nijlarm, hoofdplaats van het distrikt Tanītes, residentie van eene der oude aegyptische dynastieën.
Taniticum ostium, Τανιτικὸν στόμα, een van de Nijlmonden, ten W. van den Pelusischen Nijlmond gelegen.
Tannētum = Tanetum.
Tantalides, Τανταλίδης, Pelops, Atreus, Thyestes, Agamemnon en Orestes, zoon en verdere nakomelingen van Tantalus.
Tantalis, Τανταλίς, Niobe en Hermione, dochter en achterkleindochter van Tantalus.
Tantalus, Τάνταλος, 1) zoon van Zeus of Tmolus en Pluto, zeer rijk koning van Phrygië, Lydië, Paphlagonië, Argos of Corinthe, genoot in hooge mate de gunst der goden, zoodat hij zelfs bij hunne maaltijden en vergaderingen werd toegelaten. Maar door zijn geluk overmoedig geworden, verried hij hunne geheimen, of hij stal nectar en ambrosia van hun tafel om die aan de menschen te geven, ook liet hij door Pandareüs een gouden hond uit den tempel van Zeus stelen en zwoer hij later, dat hij hem niet gekregen had; z. ook Pelops. Tot straf voor zijne misdaden moet hij in de onderwereld in een water staan, dat tot zijne lippen reikt, terwijl de heerlijkste vruchten boven zijn hoofd hangen, maar wanneer hij van het water of de vruchten tracht te genieten, dan wijken zij onmiddellijk totdat zij buiten zijn bereik zijn, zoodat hij altijd door honger en dorst gekweld wordt. V. a. hangt steeds boven zijn hoofd een zwaar rotsblok, dat dreigt hem te verpletteren.—Zijn rijkdom en zijn straf zijn spreekwoordelijk geworden: Ταντάλου τάλαντα, χρήματα, δίψα. De vloek van zijne misdaden rustte op zijne kinderen, Pelops en Niobe, en op zijn geheel geslacht (Pelopiden).—2) een van de twee zonen van Thyestes, door Atreus (z. a.) gedood.—3) zoon van Amphīon en Niobe.
Tanus of Tanaüs, Τὰνος, Ταναός, rivier in Thyreātis of Cynuria, op de grenzen van Argolis.
Tanusii, rom. geslacht, waarvan één lid tijdens Sulla’s proscripties door Catilīna werd omgebracht en een ander, Tanusius Geminus, de samenzwering van Catilina in een historisch werk behandelde, waarin ook van Caesar als deelgenoot werd gesproken. Z. Volusii.
Taochi, Τάοχοι, volksstam in het N.O. van Pontus, aan de grens van Armenia, ten Z. van de Moschi.
Taphiae insulae, Ταφίων νῆσοι, vroeger Teleboae insulae, Τηλεβοῶν νῆσοι, geheeten, eene eilandengroep in de ionische zee tusschen het eiland Leucas en de acarnanische kust, oudtijds bewoond door de zeevarende Taphiërs of Teleboërs. Homerus noemt het grootste dezer eilanden Taphus, Τάφος, later heette het Taphius, Ταφιοῦς.
Taphius, Τάφιος, zoon van Poseidon en Hippothoë, stichter van de stad Taphus op het eiland van dien naam.
Taphrae, Τάφραι, Τάφρος (= gracht), vestingwerk tot afsluiting van den hals der Chersonēsus Taurica, op het smalste gedeelte der landengte (thans landengte van Perekop).
Taphrus, Τάφρος (= gracht, kanaal), 1) = Taphrae.—2) de doorvaart tusschen Sardinia en Corsica, fretum Gallicum (straat v. Bonifacio).
Taphus, zie Taphiae insulae.
Taprobane, Ταπροβάνη, oude naam voor het eiland Ceylon.
Tapūri, Τάπουροι, wilde volksstam in Hyrcania.
Taras, Τάρας, zoon van Poseidon, kwam van kaap Taenarum naar Italië en stichtte Tarentum.
Taras = Tarentum no. 2.
Ταράξιππος, een rond altaar in de renbaan te Olympia, staande op een plaats, waar de paarden dikwijls schichtig werden, naar men meende door den invloed van den geest van Myrtilus of Oenomaüs, die daar begraven was; z. ook Glaucus no. 2.
Tarbelli, Τάρβελλοι, volk in Aquitania, tusschen den Atūrus (Adour) en de Pyrenaeën. Hoofdstad: Aquae Tarbellicae.
Tarchon, Τάρχων, Τάρκων, zoon of broeder van Tyrrhēnus, stichter van 12 steden in Etrurië, waarvan eene naar hem Tarchonium (later Tarquinii) heette. Hij hielp Aenēas in zijn strijd tegen Turnus.
Tarentini ludi = Terentini ludi.
Tarentum, 1) = Terentum.—2) Τάρας, thans Taranto, Tarente, voorname stad in het Z. van Italia, aan een inham in den N.O. hoek van den sinus Tarentinus gesticht door Iapygiërs, doch later gekoloniseerd door de uit Sparta verdreven Partheniae onder aanvoering van Phalanthus (707), vandaar bij Horatius de benaming Lacedaemonium Tarentium. Tarentum, in eene allerbekoorlijkste streek gelegen, machtig door zeevaart, handel en nijverheid, verhief zich spoedig boven de andere grieksche volkplantingen van Magna Graecia, doch verviel ook tot een weelderigheid, die zijn ondergang ten gevolge had. De houding der Tarentijnen gedurende de samnietische oorlogen bracht hen in botsing met Rome. Zij riepen Pyrrhus, koning van Epīrus, te hulp, die echter na twee overwinningen en ééne nederlaag Italia moest verlaten (275). De strijd, thans al te ongelijk, eindigde in 272 met de verovering der stad, die daarbij half werd verwoest. In 212 trachtten de tarentijnsche gijzelaars te Rome te ontvluchten, doch werden bij Tarracīna achterhaald, teruggebracht en, na gegeeseld te zijn, van de Tarpejische rots geworpen. Op het bericht hiervan zwoeren eenige aanzienlijke jongelingen te T. samen, en hun verraad, geholpen door de zorgeloosheid van den rom. bevelhebber, speelde de stad aan Hannibal in handen. De burcht bleef echter in het bezit der Rom. In 209 werd T. door de Rom. heroverd en geplunderd, terwijl alles, wat de soldaten ontmoetten, over de kling werd gejaagd en 30000 inwoners als slaven werden verkocht. In 122 werd er door C. Gracchus eene rom. kolonie heen gebracht, en dank zij hare ligging, verhief de stad zich weder tot een ongemeenen bloei, doch met de welvaart keerden ook weelderigheid en verwijfdheid terug (molle Tarentum).
Tarichēa, -chĕae, Ταριχεῖα, -χέαι, stad in Galilaea aan den westelijken oever van het meer van Tiberias of Gennesareth. De hoofdbron van bestaan was het zouten van visch, ταριχεύειν, vandaar de naam.
Tarne, Τάρνη, stad in Maeonia, bij Homerus vermeld.
Tarpa, zie Maecius Tarpa.
Tarpēii. 1) Sp. Tarpeius, bevelhebber van den burcht op den capitolijnschen berg in den oorlog na den sabijnschen maagdenroof, zou, volgens de sage, Rome aan de Sabijnen hebben willen overleveren, doch werd door Romulus met zijne dochter Tarpēia ter dood gebracht. Volgens een ander verhaal zou Tarpeia de Sabijnen hebben binnengelaten, onder belofte dat deze haar zouden geven wat zij aan den linkerarm droegen, waarmede T. een gouden armband bedoelde. Toen zij echter het Capitool bezet hadden, wierpen zij hunne schilden, die zij ook aan den linkerarm droegen, op het meisje, dat daaronder verpletterd werd. De steile rots, op welks top dit gebeurd was, aan den zuidhoek van het Capitool, kreeg en behield den naam saxum Tarpēium. Van deze rots werden soms ter dood veroordeelde staatsmisdadigers afgeworpen. Zie Capitolinus (mons).—2) Sp. Tarpēius Montānus Capitolīnus, consul in 454; zie lex Aternia Tarpeia.
Tarpēium (saxum), zie Tarpeii no. 1 en Gemoniae scalae, en Capitolinus (mons).
Tarpēius, bijnaam van Jupiter Capitolīnus, naar de Tarpejische rots nabij zijn tempel.
Tarphe, Τάρφη, locrische stad in een boschrijke streek aan den berg Cnemis, bij Homerus vermeld, met een tempel van Hera. Later Pharygae, Φαρύγαι.
Tarquinii, een etruscisch geslacht. 1) L. Tarquinius Priscus, vijfde koning van Rome. Volgens de sage zou hij de oudste zoon geweest zijn van den te Tarquinii gevestigden Corinthiër Demarātus (z. a. no. 2), op raad zijner echtgenoote Tanaquil zou hij naar Rome verhuisd zijn en daar zijn etrurischen naam Lucumo tegen dien van Tarquinius verwisseld hebben. Op zijn tocht, toen hij Rome reeds in het gezicht had, was een arend op hem toegevlogen, had hem den hoed afgenomen en dien weder op zijn hoofd laten vallen, waaruit Tanaquil hem een luisterrijke toekomst voorspelde. Te Rome maakte hij zich door vriendelijkheid en mildheid bemind en won het vertrouwen van Ancus Marcius, die hem tot voogd over zijne zonen benoemde. Na Ancus’ dood nam Tarq. echter zelf bezit van den troon, met goedkeuring van senaat en volk. Hij verfraaide Rome, liet o. a. den circus maximus en de beroemde cloacae bouwen (volgens sommige nieuweren zijn de cloacae eerst in het begin der 2de eeuw aangelegd), legde op den Capitolinus de fundamenten van den grooten tempel van Jupiter, Juno en Minerva, nam nieuwe geslachten onder de patriciërs en 100 nieuwe leden in den senaat op (patres minorum gentium), verdubbelde het getal equites, oorloogde voorspoedig tegen Sabijnen en Latijnen, stelde de ludi Romani in, enz. Na eene 38-jarige regeering (616–579) werd hij door de zoons van Ancus Marcius vermoord en door Servius Tullius (z. a.) opgevolgd. Hetzij Tarquinius Priscus langs vreedzamen weg op den troon is gekomen, hetzij de Etruscers als veroveraars zijn opgetreden, met zijne troonsbeklimming treedt eene etrurische dynastie op, en etrurische invloed op de rom. instellingen, vooral wat koninklijke praal en godenvereering betreft, is niet te loochenen.—2) L. Tarquinius Superbus, laatste koning van Rome (534–510), schoonzoon van Servius Tullius, beklom den troon door eene omwenteling, die aan Servius het leven kostte. Hij bracht ook het zijne bij tot verfraaiing der stad, en voltooide o. a. den tempel op het Capitool; hij breidde door list zoowel als door kracht van wapenen het rom. gebied uit, versloeg de Volscen, maakte Rome tot hoofd van het latijnsche verbond en stichtte tot teeken daarvan op den Aventīnus den bondstempel van Diana. Doch hij regeerde als een dwingeland, ontzag de patriciërs evenmin als de plebejers en stoorde zich aan senaat noch wetten. De overmoed zijner zoons, waarvan een, Sextus, de kuische Lucretia met geweld onteerde, deed de maat overloopen; Tarquinius, die juist de stad Ardea belegerde, vond bij zijne terugkomst de poorten van Rome gesloten en de koninklijke waardigheid afgeschaft. Hij zocht eerst hulp bij de etrurische steden Tarquinii en Veii, daarna bij koning Porsēna van Clusium, vervolgens bij zijn schoonzoon Mamilius Octavius, dictator van Tusculum, die de Latijnen tot het verleenen van bijstand overhaalde. De slag bij het meer Regillus verijdelde ook deze laatste hoop en de verdreven koning begaf zich naar Cumae, waar hij overleed. De andere Tarquinii verhuisden naar Caere, waar hun familiegraf in 1847 ontdekt is. Toch vindt men ook later nog Tarquinii in Rome.—3) L. Tarquinius Collatīnus, aldus genoemd omdat hij te Collatia, een uur gaans van Rome, woonde, bekleedde na de onteering en den zelfmoord zijner gemalin Lucretia (zie Lucretii no. 2) in 509 met L. Iunius Brutus het eerste consulaat. Toen echter het volk besloot, dat al wie tot de gens Tarquinia behoorde, met verbanning zou worden getroffen, legde T. zijn ambt neder en trok naar Lavinium.
Tarquinii, Ταρκυνία, oude, beroemde stad in Etruria, aan de kust en de via Aurelia gelegen, wellicht eenmaal het hoofd der 12 etruscische bondssteden. Door de oorlogen met Rome geraakte de stad in een staat van verval, waaruit zij zich niet weder verhief. De necropolis der plaats (bij Corneto) heeft bij de opgravingen nog merkwaardige vondsten opgeleverd.
Tarquitii, een rom. geslacht van weinig beteekenis. Vermeld zij slechts Tarquitius Priscus, de aanklager van T. Statilius Taurus (Statilii no. 5), wiens legatus hij geweest was. In 61 n. C. werd hij zelf wegens knevelarij veroordeeld.
Tarracīna, Ταρρακίνη, latere naam van Anxur (z. a.), thans Terracina.
Tarraco, Ταρρακών, massilische volkplanting aan de hispanische kust, N.O.waarts van de monding van den Ibērus (Ebro). In den tweeden punischen oorlog werd het door de Scipio’s zeer versterkt en tot een hoofdarsenaal gemaakt. Onder Augustus werd het de hoofdplaats der provincie Hispania Tarraconensis. Thans Tarragona.
Tarsus, Ταρσός en -σοί, oude hoofdstad van Cilicia, aan den Cydnus in eene heerlijke streek gelegen, de geboorteplaats van den apostel Paulus. Het was eene groote, welvarende stad, waar de studie van letteren en wijsbegeerte bloeide, en die ook onder rom. heerschappij belangrijk bleef, ofschoon zij meermalen te lijden had door de invallen van roofzieke bergstammen, de Isauriërs. Ter eere van C. Julius Caesar nam zij den naam Iuliopolis aan. Keizer Iuliānus (Apostata) werd er begraven.
Tartarus, Τάρταρος, rivier in Gallia Transpadāna, thans Tartaro. Hij stroomt tusschen Athesis en Padus, en stort zich vervolgens te midden van moerassen in zee. Aan deze rivier lag Atria (Adria).
Tartarus, -ra, Τάρταρος, -ρα, de onderaardsche diepte, waar de Titanen, Cyclopen, Danaïden, Tantalus, Ixīon e. a. hunne straffen wegens ernstige vergrijpen tegen de goden ondergaan, even ver beneden als de hemel boven de aarde, de woonplaats der Erinyen, Nyx e. a., door eeuwige duisternis bedekt. Soms algemeen = de onderwereld. Gepersonifiëerd is T. de zoon van Aether en Gaea, de vader van Typhoëus, Echidna en de Giganten.
Tartessus, Ταρτησσός. Dit is de oude naam voor Baetica, het stroomgebied van de Baetis (Guadalquivir), die zelf ook Tartessus genoemd wordt. De bewoners, Iberiërs, in het oude Testament Tarschisch, bij de Grieken Tartessii, (Ταρτήσ(σ)ιοι), bij de Romeinen Turti geheeten, splitsen zich later in de twee stammen der Turduli (in het binnenland) en der Turdetāni (aan de kust). De hoofdstad van het land, ook Tartessus geheeten, lag op een eiland aan den mond der Guadalquivir. Het land voerde al in de hooge oudheid edele metalen, vooral zilver, uit. Bovendien zochten de inwoners met hun zeilschepen, die beter dan de phoenicische tegen eb en vloed bestand waren, de tin- en zilvermijnen van het N.W. van Spanje, en later de Cassiterides insulae (z. a.) op. Hun handel maakte hen rijk en welvarend.
Taruenna, thans Thérouanne, stad der Morīni, een volksstam op de tegenw. vlaamsche kust.
Tarusātes, volksstam in Aquitania, in de tegenw. Landes.
Tarutius, een geleerd wijsgeer, wiskunstenaar en astroloog, een vriend van Varro en Cicero.
Tatiānus, Τατιανός, bijg. ὁ Σύρος, een Assyriër, die in de laatste helft der 2de eeuw n. C. leefde, en na het bestudeeren der grieksche wijsbegeerte tot het Christendom overging, dat hij in verscheiden geschriften verdedigde. Hij hield eenigen tijd te Rome verblijf; na den dood van Justinus Martyr (in 167 onthoofd) keerde hij naar het Oosten terug, waar men hem later vindt als hoofd eener naar hem genoemde secte (Τατιανοί), die zich door een streng ascetisch leven onderscheidde.
Tatius (Titus), koning der Sabijnen, die na den sabijnschen maagdenroof op Rome lostrok, maar na de verzoening tusschen Sabijnen en Rom. vijf jaren gezamenlijk met Romulus over de vereenigde Tities en Ramnes regeerde, tot hij bij een offer te Lavinium of te Laurentum vermoord werd.
Tatta, groot zoutmeer op de grenzen van Lycaonia, Cappadocia en voor een klein gedeelte ook van Galatia.
Tauchīra, Ταύχειρα, stad op de kust van Cyrenaica, met een beroemden tempel van Cybele, later Arsinoë geheeten.
Taulantii, Ταυλάντιοι, illyrische volksstam bij Epidamnus (Dyrrachium).
Taüm, baai aan de Oostkust van Caledonia (Schotland), thans Firth of Tay.
Taunus mons, gebergte in Germania, in het latere Nassau, thans nog Taunus geheeten, bij Aquae Mattiacae (Wiesbaden).
Tauranitium, distrikt van Armenia, ten N. van Tigranocerta, ten O. grenzende aan het meer Thospītis.
Taurasia, hoofdstad der Taurīni, sedert Augustus rom. kol. onder den naam Augusta Taurinorum, thans Turijn.
Taurentum, -roëntium, -rois, Ταυρόεις, sterk kasteel in het gebied van Massilia (Marseille), op de kust van Narbonensis. Tgw. Tarente.
Tauri, Ταῦροι, wilde, ruwe volksstam in het Z.W. van de Chersonēsus Taurica, de tegenw. Krim, terwijl in het vlakke Noorden Scythen woonden. Zij stonden onder een koning en leefden van roof en oorlog. Aan hunne godin (Taurica dea, Ταυριώνη, Ταυροπόλος), die door de Grieken met Artemis vereenzelvigd werd, brachten zij menschenoffers. Schipbreukelingen en krijgsgevangenen werden tot offers bestemd, vooral als het Grieken waren. Wanneer de koning overleed, werden zij, die hem het liefst waren, met hem begraven.
Taurii ludi, taurische spelen, door Tarquinius Superbus ingesteld ter gelegenheid eener pest, tot verzoening der onderaardsche goden Dis en Proserpina, ook werden Apollo als afweerder der pest en Diana Lucīna, benevens Jupiter en Juno aangeroepen. Het offer had ’s nachts plaats vóór de Porta Carmentālis. De spelen zelf werden gehouden in het Circus Flaminius. De eenige keer, dat ze in historischen tijd gevierd zijn, was in het jaar 186.
Taurica dea, Ταυριώνη, Ταυρώ, Ταυροπόλος, Artemis, zoo genoemd naar haar tempel in Tauris, waar haar menschenoffers gebracht werden, z. Iphigenia.
Taurīni, Ταυρῖνοι of Ταυρινοί, ligurische volksstam ten Z. van den Padus (Po). Hoofdstad Taurasia (Turijn). In hun gebied lag de saltus Taurinus, waardoor de Galliërs en later Hannibal trokken bij hun inval in Italië.
Taurisci, keltische stam in Noricum, waarvan de naam nog voortleeft in het duitsche woord Tauern. Later worden ze gewoonlijk Norici genoemd.
Tauriscus, Ταυρίσκος, beeldhouwer van Tralles; van hem en zijn broeder Apollonius, is een beroemd werk, de farnesische stier, bewaard gebleven.
Taurobolia, z. Rhea (Cybele).
Tauroëntium, Taurois = Taurentum.
Tauromenium, Ταυρομένιον, thans Taormina, aanzienlijke stad aan de Oostkust van Sicilia op den berg Taurus gelegen. Na de verwoesting van het nabijgelegen Naxus in 358 door Dionysius I van Syracuse vestigden zich de overgebleven Naxiërs in T., dat hierdoor aanmerkelijk werd vergroot. In den sicilischen slavenopstand (141–132) had T. veel te lijden. In Cicero’s tijd was het eene civitas foederata, doch in de burgeroorlogen moest het boeten voor zijn heulen met S. Pompeius en werd er eene kolonie van rom. veteranen heengezonden. Nog vindt men er belangrijke overblijfselen van het gedeeltelijk in de rotsen uitgehouwen theater, dat meer dan 30000 toeschouwers kon bevatten.
Taurus, familienaam bij de Statilii (Statilii no. 4 en 5).
Taurus, Ταῦρος, het sterrenbeeld de Stier, werd gehouden voor den stier, die Eurōpa ontvoerd had, of dien Poseidon aan Minos had geschonken.
Taurus, Ταῦρος, thans nog Taurus of Ala-Dagh geheeten, groote bergketen in Asia minor, die op de kust van Lycia bij kaap Chelidonium begint en door Pisidia en langs de N. grens van Cilicia loopt. Van daar gaat een tak als Antitaurus N. O. waarts, doorsnijdt Cappadocia en Armenia minor, om zich aan den mons Moschicus aan te sluiten, die weder de verbinding met den Caucasus vormt. De andere tak behoudt den naam Taurus en blijft in oostelijke richting doorloopen tot aan de samenhangende meren Thospītis en Arsissa. De Euphraat breekt in zijn loop door het gebergte heen. Een zijtak van den Taurus vormt de Amānus (z. a.). De Taurus is tot aan zijn top met bosch begroeid.
Tavium, -via, Ταούιον, -ία, hoofdstad der keltische Trocmi in het O. van Galatia, aan het kruispunt van verschillende groote wegen gelegen en hierdoor belangrijk als stapel- en handelsplaats. Men vond er een tempel en een kolossus van Zeus.
Ταξίαρχοι, te Athene 10 officieren, een uit iedere phyle. Zij voerden het bevel over de door hun phyle geleverde troepen; in rang volgden zij terstond op den opperbevelhebber.
Taxila, τὰ Τάξιλα, hoofdstad van den indischen vorst Taxiles ten tijde van Alexander den Gr., tusschen den Indus en den Hydaspes gelegen.
Taxiles, Ταξίλης, koning van Taxila, onderwierp zich aan Alexander d. G. en voerde later voor hem tijdelijk het bewind over een deel van Indië.
Τάξις, de opstelling van een Grieksch leger vóór den slag. In den Trojaanschen oorlog, zooals die door Homerus beschreven wordt, valt het gevecht gewoonlijk uiteen in vele tweegevechten der βασιλῆες, die met hun strijdwagens vóór de infanterie uitrijden, en het voetvolk in vele φάλαγγες opgesteld, heeft in het geheel geen invloed op den uitslag van den strijd. In den historischen tijd zijn de strijdwagens verdwenen, en het Grieksche leger bestaat uit één aanééngeschakelde slaglinie (z. phalanx) van dichtopeengeplaatste zich met hun schilden dekkende hopliten (z. ὁπλῖται), die gewoonlijk 8 man diep opgesteld worden.
Naast dit hoofdwapen had men dan nog de hulpwapens der ἱππῆς, τοξόται, πελτάσται, en andere ψίλοι (zie onder deze artikelen). Talrijk waren deze burgerlegers niet; bij Marathon stonden hoogsten 5000 hopliten tegenover 4000 Perzen; bij Plataeae, de grootste slag, dien de vrije Grieken ooit geleverd hebben, stonden 20000 man tegen 18000 Perzen en op de hand der Perzen strijdende Grieken.—Ieder hopliet had tot zijn bediening een oppasser (z. ψίλοι). De hopliten waren, behalve in Sparta de 2000 eigenlijke Spartiaten, geen beroepsoldaten. Maar de algemeene voorliefde voor sport, ten minste bij de welvarenden, maakte dat ze met geringe voorbereiding bekwaam waren voor het leveren van een gevecht. Men naderde elkaar tot op 100 à 150 voet, en dan viel men in draf aan. Daar nu alleen de linkerzijde door het schild gedekt was, had elk grieksch leger de neiging, zich naar rechts te keeren, om zoodoende een aanval in zijn rechterflank te vermijden. Ook stonden op den rechtervleugel steeds de beste troepen. Zoodoende kwam het vaak voor, dat de rechtervleugel van beide partijen het won, en na het verslaan der linkervleugels met omgekeerd front met elkaar afrekende. Eerst Epaminondas heeft met deze dwaze wijze van vechten gebroken, en, door zijn kerntroepen 50 man diep op den linkervleugel op te stellen (zie Phalanx) bij Leuctra de macht van Sparta gebroken. Zie ook ἅμιπποι. Omtrent de legers van Philippus en Alexander van Macedonië zie men de artikelen: πεζέταιροι, ἕταιροι, sarissa (het verschil tusschen ἓταιροι en σαρισσόφοροι bestaat daarin, dat de eersten van adel zijn).
Voor de uitrusting van den soldaat zie men onder: πανοπλία.
Taygete, Ταϋγέτη, eene van de Pleiaden, bij Zeus moeder van Lacedaemon en Eurōtas. V. a. werd zij door Artemis in eene hinde veranderd om haar aan de vervolgingen van Zeus te onttrekken.
Taygetus, -um, Ταΰγετος, -ον, ruw en woest grensgebergte tusschen Laconica en Messenia, in kaap Taenarum (Matapan) uitloopende, met loodmijnen en marmergroeven.
Teānum, Τέανον, 1) Teānum Apulum, in het N. van Apulia nabij de kust, aan den Frento.—2) Teānum Sidicīnum, stad der Sidicini, geheel in het N. van Campania, met warme baden.
Tearus, Τέαρος, rivier in Thracia, waarvan het water eene genezende kracht uitoefende op huidziekten. De Tearus was een zijtak van den Agriānes, die zich op zijne beurt in den Beneden-Hebrus stortte.
Teāte, hoofdstad der Marrucīni, op een steilen heuvel gelegen, niet ver van de Adriatische zee.
Tecmessa, Τέκμησσα, dochter van den phrygischen koning Teuthras. Zij werd door Aiax, den zoon van Telamon, op een strooptocht gevangen genomen en werd bij hem moeder van Eurysaces.
Tectosages, Τεκτόσαγες, een hoofdstam der keltische Volcae in het Z. van Gallia Narbonensis, met de hoofdstad Tolōsa (Toulouse). Ook Narbo Martius (Narbonne) lag in hun gebied. Een gedeelte van dit volk vindt men na verschillende zwerftochten in het W.-deel van Galatia (z. a.) in Asia minor; hoofdstad: Ancȳra.
Tegea, Τεγέα, belangrijke stad in het Z.O. van Arcadia in het landschap Tegeātis, Τεγεᾶτις, met een krijgshaftige bevolking, die herhaaldelijk hare vrijheid verdedigde tegen de aanslagen van Sparta. Bij de Thermopylae en bij Plataeae gaven zij bewijzen van groote dapperheid. Uit haat en naijver tegenover Mantinēa koos Tegea in den peloponnesischen oorlog partij voor Sparta, waaraan het ook in den corinthischen oorlog trouw bleef; de slag bij Leuctra evenwel (371) maakte de Tegeaten voor hunne eigene toekomst bezorgd en zij sloten zich bij Epaminondas en de Thebanen aan. Later verloor Tegea veel van zijn gewicht. Tegeaea, Atalante, dochter van Iasus uit Tegea.
Tegȳra, Τέγυρα, stad in Boeotia, ten N. van het meer Copāis, met een tempel van Apollo.
Τειχοποιοί, eene commissie te Athene, die het toezicht had over de werken tot onderhoud en vernieuwing van de stadsmuren, en de daarvoor bestemde gelden beheerde.
Telamon, Τελαμών, zoon van Aeacus en Endēis. Na den moord van zijn stiefbroeder Phocus vluchtte hij naar Salamis, hij huwde met de dochter van koning Cychreus en volgde hem in de regeering op. Hij nam deel aan den tocht der Argonauten en aan de calydonische jacht, ook volgde hij Heracles op zijne tochten tegen de Amazonen en tegen Laomedon en was hij de eerste die den muur van Troje beklom. Tot loon voor zijne dapperheid werd hem de schoone Hesione, de dochter van Laomedon, gegeven. Hij werd bij haar vader van Teucer en Trambēlus, bij eene andere gemalin, Eriboea, van Aiax. De stad Telamon in Etrurië was door hem op zijn terugreis van den Argonautentocht gesticht.
Telamon, stad aan de kust van Etruria, ten N.W. van Cosa.
Telamoniades, -nius, Τελαμωνιάδης, -νιος, Aiax en Teucer, zonen van Telamon.
Telchin, Τελχίν, zoon of v. a. vader van koning Apis (z. a.)
Telchīnes, Τελχῖνες, een priestergeslacht, dat in overoude tijden van Creta naar Cyprus en van daar naar Rhodus trok. Zij worden zonen van Thalassa en opvoeders van Poseidon genoemd. Zij waren groote kunstenaars en uitvinders van de meeste handwerken, vooral waren zij bekwaam in het bearbeiden van metaal, vandaar dat zij dikwijls met de Cyclopen en idaeïsche Dactylen en verder met de Cureten en Corybanten verwisseld werden. Ook waren zij machtige toovenaars, doch daar zij hun macht ten nadeele van goden en menschen gebruikten, werden zij door Apollo of door Zeus gedood.—V. a. verlieten zij Rhodus, omdat zij eene overstrooming voorzagen, en begaven zij zich deels naar Sicyon, deels naar Teumessus.—Naar hen wordt Rhodus Τελχινίς, Creta en Sicyon Τελχινία genoemd.
Telchinia, Τελχινία, oude naam van Crēta en Sicyon.
Telchinius, -nia, Τελχίνιος, -νία, bijnaam van Apollo, Hera en Athēna, wier eeredienst door de Telchinen op Rhodus was ingevoerd.
Teleboae, Τηλεβόαι, z. Taphilae insulae.
Teleboas, Τηλεβόας, zijtak van den Euphraat, in Armenia.
Teleclīdes, Τηλεκλείδης, dichter der oude attische comedie, tegenstander van Pericles.
Telegonus, Τηλέγονος, 1) z. Proteus.—2) zoon van Odysseus en Circe. Door zijne moeder uitgezonden om Odysseus te zoeken, landde hij bij toeval op Ithaca, waar hij, door honger gedreven, begon te plunderen en veel schade aanrichtte. Odysseus en Telemachus trokken hem te gemoet, en in den strijd, die hierop ontstond, doodde T. zijn vader zonder hem te kennen. Later huwde hij met Penelope en trok hij naar Italië, waar hij Tusculum en Praeneste stichtte.
Telemachus, Τηλέμαχος, zoon van Odysseus en Penelope, was nog een zeer jong kind, toen zijn vader naar Troje vertrok. Toen deze 20 jaar afwezig was geweest, ging T., op raad en gedeeltelijk onder geleide van Athēna, Nestor en Menelāus bezoeken om inlichtingen omtrent zijn vader in te winnen. Bij zijne terugkomst ontkwam hij gelukkig aan een hinderlaag, hem door de vrijers van Penelope gelegd; kort daarop vond hij zijn vader weder on hielp hij dezen bij de wraak, die hij op de vrijers nam. Na den dood van zijn vader ging hij met Telegonus naar Aeaea, hij huwde met Circe en kreeg bij haar een zoon, Latīnus, die echter v. a. een zoon van Odysseus en Circe was. Of hij huwde met de dochter van Circe, Cassiphone, die hem doodde, nadat hij hare moeder had omgebracht. V. a. huwde hij met Nausicaa, de dochter van Alcinous, of met Polycaste, de dochter van Menelāus, en had hij bij eene van deze beide een zoon, Ptoliporthes. Ook wordt nog verhaald, dat hij naar Italië gegaan zou zijn, en dat daar zijne dochter Roma met Aenēas huwde.
Telemus, Τήλεμος, zoon van Eurymus, waarzegger bij de Cyclopen.
Τελέοντες, v. s. betere lezing voor Γελέοντες.
Telephanes, Τηλεφάνης, 1) van Sicyon, een van de oudste grieksche teekenaars.—2) bekwaam metaalgieter van Phocis of Phocaea, weinig populair, omdat hij voor Darīus en Xerxes werkte of omdat hij in Thessalië woonde.
Telephassa, Τηλέφασσα, echtgenoote van Agēnor, vergezelde haar zoon Cadmus op zijne tochten, totdat zij in Thracië stierf.
Telephus, Τήλεφος, zoon van Heracles en Auge, werd na zijne geboorte te vondeling gelegd en door herders opgevoed. Toen hij volwassen was, ging hij op raad van het delphische orakel naar Mysië, waar hij zijne moeder vond, met de dochter van koning Teuthras trouwde en zijn schoonvader in de regeering opvolgde. Toen de Grieken op hun tocht naar Troje bij vergissing een inval in Mysië deden, werden zij door T. teruggeslagen, maar hijzelf struikelde over een wijnstok en werd door Achilles gewond. Bij deze gelegenheid vernamen de Grieken wie hij was, maar aan hun verzoek om mede tegen Troje op te trekken weigerde hij te voldoen, daar hij met een dochter van Priamus, Astyoche of Laodice, gehuwd was. De Grieken vertrokken daarop, maar werden door een storm naar hun vaderland teruggedreven. Daar de wond van T. niet genezen wilde, raadpleegde hij een orakel en ontving hij tot antwoord, dat alleen degene, die de wond had toegebracht, haar ook konde genezen. Hij begaf zich nu als bedelaar verkleed naar Griekenland en bad Agamemnon, terwijl hij met den kleinen Orestes in de armen als smeekeling aan den haard zat, hem te helpen. Daar Agamemnon intusschen een orakel had gekregen, dat alleen met de hulp van T. Troje konde genomen worden, bewerkte hij bij Achilles dat deze aan zijne bede zoude voldoen; door een weinig roest van de lans, waarmede de wond was toegebracht, genas zij terstond, waarop T. den Grieken de noodige inlichtingen gaf, zonder echter zelf aan den tocht deel te nemen.—Hij werd te Pergamus en op den berg Parthenius, waar hij te vondeling gelegd was, als heros vereerd.
Teles, Τέλης, Cynicus uit het midden van de 3de eeuw.
Telesia, Τελεσία, stad in Samnium, ten N. W. van Beneventum. Hier was Pontius Telesīnus, de beroemde veldheer in den marsischen oorlog, geboren.
Telesilla, Τελέσιλλα, van Argos, beroemde lierdichteres. Toen de spartaansche koning Cleomenes een inval in Argos deed, omstreeks 510, trok zij hem aan het hoofd der argivische vrouwen te gemoet en vuurde zij door hare liederen de mannen tot dapperheid aan. Van hare gedichten is zeer weinig bewaard gebleven.
Telesphorus, Τελέσφορος, zoon van Asclepius, een genezing aanbrengend god, soms ook bijnaam van Asclepius.
Telestes, Τελέστης, 1) laatste koning van Corinthe, 758–747.—2) van Selīnus, beroemd dithyrambendichter omstreeks het midden der 4de eeuw.
Τελετή, ieder zoenoffer of godsdienstige handeling, die van zonde bevrijdt, in het bizonder wordt de inwijding in mysteriën zoo genoemd met het oog op hun van schuld reinigende kracht.
Teleutas, Τελεύτας, z. Teuthras.
Teleutias, Τελευτίας, broeder van Agesilāus, voerde met roem het bevel over de spartaansche vloot in den corinthischen oorlog. In 382 werd hem het opperbevel in den oorlog tegen Olynthus opgedragen, waar hij het volgende jaar door onbezonnenheid een slag verloor en sneuvelde.
Tellēnae, Τελλῆναι, oude stad in Latium, vermoedelijk een paar uren gaans van Rome naar den kant van Antium of van Ardea gelegen, door Ancus Marcius verwoest.
Telliadae, Τελλιάδαι, oud beroemd geslacht van waarzeggers in Elis.
Tellias, Τελλίας, z. Gellias.
Tellumo, z. Tellus.
Tellus mater, bij de Rom. de godin van het bouwland, later gelijkgesteld met de grieksche Gaea. Aan haar zijn de Fordicidia (z. a.) gewijd. Als voortbrengster van alle voedsel is zij nauw verwant met Ceres. Ter eere van beide godinnen te samen worden de feriae sementivae (z. a.) gevierd. Tellus behoort oorspronkelijk ook tot de goden van de onderwereld; onder den invloed van de grieksche Demeter komt hiervoor later Ceres in de plaats. Nevens Tellus stond een mannelijk wezen van geheel gelijken aard, Tellumo.
Telmessus, Τελμησσός = Telmissus.
Telmissis, Τελμισσίς, kaap in Lycia, zie Telmissus no. 1.
Telmissus, Τελμισσός, 1) stad aan de Westkust van Lycia aan de Telmissische golf en nabij kaap Telmissis, een uitlooper van den Anticragus. Er zijn o. a. nog overblijfselen van een theater en van grafkelders, in de rotsen uitgehouwen.—2) stad in Pisidia, ook Termessus geheeten, sterke vesting, aan een bergpas in den Taurus gelegen.
Telo Martius, havenstad in Gallia Narbonensis aan de Middellandsche zee, thans Toulon.
Τελῶναι, te Athene pachters der staatsinkomsten. Voor de behoorlijke betaling der pachtsom werden borgen gesteld, bleef de betaling niettemin achterwege, dan verloor de schuldenaar zijne burgerrechten, ofschoon hem uitstel gegeven werd tot de 9de prytanie; had hij dan echter nog niet betaald, dan werd de schuld verdubbeld, en indien zij niet terstond betaald werd, werden zijne goederen verbeurd verklaard, bovendien kon de nalatige pachter gevangen genomen worden. Deze straffen troffen, naar het schijnt, zoowel den pachter als zijne borgen.—Voor zaken, die veel kapitaal vereischten, vereenigden zich dikwijls verscheiden pachters tot een vennootschap onder het bestuur van een τελωνάρχης of ἀρχώνης.
Telōnus, onzekere lezing voor Tolenus.

Tempelruïnen te Paestum.
Telphūsa, Τέλφου(σ)σα, Τελφοῦ(σ)σα, stad in het N.W. van Arcadia aan den Ladon, die haren naam heeft gekregen naar een stroomnimf, dochter van den stroomgod Ladon.
Telus, Τῆλος, klein eiland, tot de Sporaden gerekend, halverwege tusschen de eilanden Rhodus en Cos, met dorische bevolking.
Telys, Τῆλυς, tyran van Sybaris, toen de stad door de inwoners van Croton verwoest werd.
Temenītis of -tes, Τεμενῖτις, -ιτής, bergkruin met een aan Apollo gewijde plek of τέμενος, waarnaar de geheele kruin ook Τέμενος werd genoemd en Apollo ook wel Temenītes wordt bijgenaamd. Deze plaats werd vervolgens onder den naam Neapolis bij Syracusae getrokken.
Temenus, Τήμενος, oudste zoon van Aristomachus, een van de Heracliden, die de Peloponnēsus veroverden. Bij de verdeeling van het schiereiland kreeg hij de regeering over Argos, die zijne nakomelingen, de Temeniden (Τημενίδαι), bleven behouden. Hij werd door zijn eigen zoon gedood, omdat hij zijn dochter en haar echtgenoot Deiphontes boven hem begunstigde. Ook de koningen van Macedonië noemden zich afstammelingen van T., zie Perdiccas no. 1.
Temesa, Τεμέση, 1) zie Tamassus.—2) ook Tempsa, Τέμψα, genoemd, oude ausonische stad op de Westkust van Brutii, iets ten N. van Terīna en den sinus Terinaeus, sedert 194 rom. kolonie.
Temnus, Τῆμνος, 1) stad in het aeolisch-aziatische kustland, aan den Hermus, een eind boven de monding gelegen, onder keizer Tiberius door eene aardbeving verwoest.—2) Τῆμνον ὄρος, gebergte in Mysia, dicht bij de grenzen van Lydia.
Tempe, τὰ Τέμπη, eene meestal smalle vallei of bergkloof in het N.O. van Thessalia, tusschen den Olympus ten N. en den Ossa ten Z., thans de bergpas van Lycostomo. Door dit dal stroomt de Penēus naar zee. Voordat Poseidon door eene aardbeving dezen uitweg voor de wateren van Thessalië opende, zou dit gewest een groot meer zijn geweest. Xerxes beweerde dat, zoo de Thessaliërs zich niet hadden willen onderwerpen, hij het dal Tempe slechts door een dam had behoeven af te sluiten, om hen allen te doen verdrinken. Wegens hare stoute en verhevene, doch tevens liefelijke en bekoorlijke natuur is deze vallei door de ouden veelvuldig geprezen. Dichters hebben den naam ook op andere liefelijke dalen toegepast, b.v. Heloria Tempe = het dal van den Helōrus op Sicilia, Heliconia Tempe in Boeotia, enz.

Romeinsche tempel (maison carrée) te Nîmes.

Templum, τέμενος, elke afgebakende en van de omringende ruimte afgescheiden plaats. Bij de Rom. heet aldus het waarnemingsveld, dat de augur onder het uitspreken van een zeker formulier aan den hemel met zijn staf afbakent, zie auguria. Op aarde verstaan de Rom. er eene plek gronds onder, die onder zekere vormen tot gewijden grond is gemaakt en van de omliggende ongewijde ruimte zichtbaar is afgescheiden, onverschillig hoe, hetzij door een muur, een wal, een staketsel, ja zelfs door een andere ligging van het plaveisel. Zoo was o.a. eene rom. legerplaats een templum, evenzoo het comitium; een tempel werd eerst tot templum wanneer hij volgens bepaalde regelen gewijd was (zie aedes).—Wat de tempelgebouwen betreft, zij stonden altijd op een vierzijdig voetstuk, waartoe men langs een of meer zijden met trappen opklom. Was het voorportaal, πρόναος, of πρόδομος geheeten, aan drie zijden open, dan heette de tempel prostylus, πρόστυλος. Was het alleen aan de voorzijde open, dan was de tempel een antentempel, zie antae. Loopt er een zuilengang rondom den tempel (zie blz. 101 en 102), dan heet deze peripterus, περίπτερος; waren er ter zijde in plaats van zuilen alleen pilasters tegen den muur aangebracht, die dus alleen tot versiering dienden en niet om het dak te dragen, dan noemde men dit pseudoperipterus, ψευδοπερίπτερος. Deze laatste vorm werd door de Rom. boven den anderen verkozen. Soms had men achter den tempel, die dan ναὸς ἀμφιπρόστυλος heet, nog een achterbouw, ὀπισθόδομος, onder hetzelfde dak, doch met een afzonderlijken ingang, welk gedeelte wel gebezigd werd tot bewaarplaats van zaken, niet met den godsdienst in verband staande, als staatsarchieven, schatkist en dgl. Vroege grieksche tempels hebben in plaats van een ὀπισθόδομος een ἄδυτον, zie adytum. Ook had men dubbeltempels, zooals dien van Roma en Venus te Rome, twee tempels, geheel aan elkander gelijk, onder één dak, met de achterzijde tegen elkander gebouwd, zoodat de beelden elkander den rug toekeeren. De gesloten binnenruimte van den eigenlijken tempel heette de cella, ναός, σηκός. Bij de Grieken was deze meestal langwerpig, bij de Rom. in navolging der Etruscers een kwadraat, dikwijls groot genoeg voor senaatsvergaderingen. Een voorbeeld van een griekschen dubbeltempel, uit twee niet gelijke gebouwen bestaande levert het Erechthēum op, waarvan de plattegrond op blz. 102 te zien is. De Rom. bouwden ook nog ronde tempels met gewelfd koepeldak, zooals het Pantheon (z. a.), soms peripteri, soms ook als geheel open koepels, alleen bestaande uit het voetstuk en het door zuilen gedragen dak, die monopteri heetten. Eene groote, dubbele deur verleende toegang tot den tempel, gaf deze geen licht genoeg, dan werd er in het dak eene schuine opening gelaten, die het licht liet vallen op het godenbeeld; was de hoogte van het dak boven den beganen grond te hoog voor de lengte van eene zuil, dan plaatste men twee rijen zuilen boven elkander, zoodat de tweede door den architraaf der benedenrij gedragen werd, zooals in de bijgevoegde teekening van een tempel te Paestum is te zien. Een driedubbele tempel was die van Jupiter, Juno en Minerva op het Capitool, waarvan hiervóór de plattegrond is weergegeven volgens het vermoeden van den italiaanschen bouwkundige L. Canina. Het voetstuk vormt een zuiver kwadraat, langs drie zijden zijn trappen. De aan drie zijden open voorhal gaf toegang tot de drie cellae, waarvan de middelste voor Jupiter was bestemd. Ten slotte is hier nog bijgevoegd eene afbeelding van den buitengewoon goed bewaard gebleven tempel te Nemausus (Nîmes), door Agrippa gebouwd.
Tempsa = Temesa no. 2.
Tempȳra, τὰ Τέμπυρα, vlek in Thracia, dicht bij de kust, ten W. van Doriscus. Bij T. lag een enge bergpas.
Tenc(h)tēri, Τέγκτηροι, Τέγκτεροι, germaansch volk, meestal met de stamverwante Usipetes verbonden. Door de Suēbi opgejaagd, trokken zij over den Rijn naar Gallia, doch werden door Caesar teruggedreven en vestigden zich toen aan den rechteroever (tusschen Ruhr en Sieg). Zij waren uitstekende ruiters.
Tenea, Τενέα, stad tusschen Corinthus en Mycēnae met een Apollo-tempel.
Tenedus, Τένεδος (= Τέννου ἕδος, zie Tenes of Tennes), eiland met een gelijknamige stad en twee havens, tegenover de kust van Troas gelegen. Er was een beroemde tempel van Apollo Smintheus. In de perzische oorlogen werd T. eerst perzisch, later een trouwe bondgenoot van Athene, doch door den vrede van Antalcidas opnieuw aan Perzië prijsgegeven, door Alex. d. Gr. vrij verklaard, later rom.
Te(n)nes, Τέ(ν)νης, zoon van Cycnus (z. a. no. 2). Hij werd op Tenedus als heros vereerd en had er een tempel, waar de naam van Achilles niet mocht worden genoemd en geen fluitspeler mocht binnentreden, omdat een fluitspeler bij Cycnus valsche getuigenis tegen T. had afgelegd.
Tensa, thensa, een praalwagen, met goud en ivoor versierd en van een hemel voorzien, waarin bij plechtige optochten, o. a. bij de opening der ludi Romani en der Megalesia, de beelden van verschillende godheden, op matrassen en kostbare spreien uitgestrekt, door de straten en over het forum te Rome werden gevoerd.
Tentyra, τὰ Τέντυρα, hoofdstad van den nomus Tentyrītis in Boven-Aegypte, stroomafwaarts van Thebae. De inwoners waren bekend als voortreffelijke krokodillenjagers. Thans Denderah met belangrijke overblijfselen, o. a. van de tempels van Isis en Hathor. In dien van Hathor (1ste eeuw n. C.) heeft men den beroemden dierenriem gevonden, die thans te Parijs is.
Tenus, Τῆνος, een der cycladische eilanden, tusschen Delus en Andrus, met een beroemden tempel van Poseidon, die het eiland bevrijd had van de talrijke slangen, waarnaar het oudtijds Ophiussa heette. De hoofdstad heette ook Tenus. Hier zou de dichteres Erinna geboren zijn.
Teos, Τέως, ionische stad op de aziatische kust, ten Z. van Clazomenae en ten N.W. van Ephesus, geboorteplaats van den lierdichter Anacreon, daarom spreekt Horatius van Teia fides = anacreontische lier. Omstreeks het midden der 6de eeuw verhuisde een groot gedeelte der inwoners, de perzische heerschappij moede, deels naar het verwoeste Abdēra, dat zij herbouwden, deels naar Phanagoria. Teos had twee havens.
Tepidarium, zie balneum.
Terēdon, Τερηδών, stad in Babylonia aan den Euphraat nabij de Perzische golf, belangrijke stapelplaats voor den arabischen handel, vooral voor wierook.
Terentia Cassia (lex) frumentaria van 73, z. Cassia Terentia (lex). Het koren, dat voor deze uitdeelingen noodig was, moest door Sicilië geleverd worden tegen een vastgestelden prijs.
Terentiānus Maurus, uit Africa, leefde in de 2de helft van de 3de eeuw na C., en schreef een werk in dichtmaat in 4 boeken: de litteris, syllabis, pedibus et metris.
Terentii, rom. geslacht, misschien van sabijnsche afkomst, dat geen andere vermeldenswaardige familie heeft opgeleverd, dan de Varrōnes.—1) C. Terentius Varro, de zoon van een slachter, die eerst in zijns vaders vleeschhal werkzaam was, maar als voorvechter van de rechten des volks door dit laatste tot verschillende ambten werd verheven en in 216 consul werd. Door zijne onberadenheid verloor hij den noodlottigen slag bij Cannae, waaruit hij zelf ter nauwernood met een gevolg van 70 ruiters ontkwam. Toch betuigde de senaat hem dank, dat hij niet aan het behoud van den staat wanhoopte, en droeg hem in 215 het bevel in Picēnum op.—2) A. Terentius Varro, streed in 184–182 als propraetor zegevierend tegen de Celtiberiërs in Hispania.—3) A. Terentius Varro werd in 75 aangeklaagd wegens afpersingen, in Asia gepleegd en had zijne vrijspraak slechts te danken aan de schaamtelooze wijze, waarop zijn verdediger en bloedverwant, de redenaar Q. Hortensius Hortalus, de rechters omkocht. Daar Hortensius echter de rechters niet te best vertrouwde, liet hij de stembordjes met was van verschillende kleur bestrijken, zoodat hij kon zien, welke stem ieder in de bus wierp.—4) M. Terentius Varro Reatīnus, uit Reāte in het sabijnsche land (116–27), een der geleerdste mannen van zijn tijd en een vruchtbaar schrijver, was volkstribuun en in 67 legaat van Pompeius in den zeerooversoorlog; in 49 streed hij in Hispania tegen Caesar, met wien hij zich na den slag bij Pharsālus verzoende. Vervolgens leefde hij stil en afgezonderd geheel voor de wetenschap, doch had de grievende smart, bij de vogelvrijverklaringen van Octaviānus zijne kostbare boekerij te zien plunderen en vernielen, terwijl hij ter nauwernood zijn leven redde. Om zijne buitengewone werkzaamheid als schrijver wordt hij door Cicero πολυγραφώτατος genoemd. Het aantal zijner werken beliep meer dan 74. De voornaamste zijn: de lingua Latina in 24 boeken, waarvan er 6 vrij volledig zijn bewaard gebleven, antiquitates rerum humanarum (25b.) et divinarum (16 b.), over Italia en Rome en den ouden godsdienst loopende, waarvan belangrijke gedeelten bij Augustīnus voorkomen, hebdomades of imagines, 700 beeltenissen van beroemde mannen, met schetsen uit hun leven, waarvan er telkens 7 bijeengevoegd waren, vandaar de titel hebdomades (het werk was verdeeld in 15 boeken), de ora maritima, waaruit Plinius voor het geographische gedeelte van zijn encyclopaedie geput heeft, de re rustica, door hem op zijn 80ste jaar geschreven en dat nog bestaat, satirae Menippēae, in 150 boeken over allerlei onderwerpen, waarvan slechts fragmenten bewaard zijn, zie Satira.—5) P. Terentius Varro Atacīnus (zie Atax), in 82 geboren te Narbo, een uitstekend kenner der grieksche letteren, maakte gedichten, o. a. de bello Sequanico, eene Argonautica (naar Apollonius Rhodius), en schreef ook een sterrenkundig werk. Verder moet hij nog satiren en elegieën gedicht hebben.—6) M. Terentius Varro Lucullus of M. Terentius Licinianus Varro, consul in 73, zie Licinii no. 25 en lex Cassia Terentia.—7) A. Terentius Varro Murēna, zie Licinii no. 32.—8) Terentia, echtgenoote van Cicero, zette haar man tot strengheid tegen de Catilinarii aan. Na Cicero’s terugkeer uit zijne ballingschap waren zijne geldelijke omstandigheden in de war. Huiselijke oneenigheden waren hiervan het gevolg, die zóó hoog liepen, dat zij eindigden met eene scheiding (46).—9) Terentia, echtgenoote van Maecēnas, leefde eenigen tijd van haren man gescheiden, doch verzoende zich weder met hem.—10) P. Terentius Afer, beroemd blijspeldichter, was in 185 te Carthago geboren en reeds vroeg als slaaf te Rome in het bezit van den senator P. Terentius Lucānus gekomen, in wiens huis hij den naam Afer droeg. Om zijne schoone gestalte en zijn voortreffelijken aanleg liet zijn meester hem een goede opvoeding geven en liet hem vervolgens vrij. Het eerste stuk, dat de dichter den aedielen ter opvoering aanbood, de Andria, opgevoerd in 166, moest hij eerst aan het oordeel van den gevierden dichter C. Caecilius Statius onderwerpen. Diens onverdeelde goedkeuring verzekerde het welslagen van Terentius, wiens karakter en beschaving hem bovendien de achting en vriendschap verwierven van Scipio (later Africānus minor) en diens vriend Laelius. In 159 stierf Terentius op een reis door Griekenland. De zes stukken, die wij van hem bezitten, Andria, Hecyra, Heautontimorumenos, Ennuchus, Phormio, Adelphoe, behooren tot de fabulae palliatae en zijn naar grieksche modellen bewerkt, vooral naar Menander, in zooverre echter, dat Ter. niet grieksche stukken gewoon vertaalde, maar uit verschillende blijspelen verschillende karakters overnam en daaruit wat hem aanstond tot één geheel verwerkte. Zijne stukken, op het tooneel vertolkt door den beroemden acteur Ambivius Turpio, oogstten grooten bijval, doch het ontbrak hem niet aan benijders, waaronder een overigens onbekende dichter voorkomt, Luscius Lanuvīnus, door Terentius een malevolus vetus poëta genoemd. O. a. strooide men uit, dat zijne aanzienlijke vrienden Scipio en Laelius hem bij het maken zijner stukken hielpen, welk verwijt Ter. zich echter niet tot schande, maar tot eer rekent. Van zijne stukken bestaan nog de officiëele didascalia (z. a.), alsmede een commentaar van Aelius Donātus.
Terentilla (lex) of v.s. lex Terentilia tot het bekomen van geschreven wetten, de legibus scribendis, van den volkstribuun C. Terentillus (of -lius) Arsa (Harsa). Het wetsvoorstel werd in 462 voor het eerst in het concilium plebis te berde gebracht, doch eerst in 454 door de patriciërs aangenomen. Zie tabularum (leges XII).
Terentīni ludi, spelen ter eere van Dis en Proserpina, gedurende de rom. republiek viermaal gevierd op het Terentum of Tarentum, eene vulkanische plek op den campus Martius te Rome, met wedrennen en lectisternia. Zij zouden bij gelegenheid eener pest in 509 ingesteld zijn door den consul P. Valerius Poplicola. Volgens een ander verhaal, zou een Sabijn, Marius Valesius Tarentīnus op de bovengenoemde plek diep onder den grond een altaar van Dis en Proserpina ontdekt hebben, ook tijdens het heerschen eener pest. In werkelijkheid zijn deze spelen voor het eerst gehouden in 249, volgens een uitspraak der Sibyllijnsche boeken, en moesten zij elke 100 jaar herhaald worden, hetgeen in 146 en tijdens Augustus gebeurd is. Zie Saeculares ludi.
Terentum, zie Terentini.
Tereus, Τηρεύς, zoon van Ares en Bistōnis, koning der Thraciërs in Daulis (Phocis); z. Procne.
Tergeste, Τεργέστη, stad in Histria, thans Triëst aan den sinus Tergestīnus, reeds onder de Rom. eene belangrijke handelsplaats, sedert Vespasiānus rom. kolonie.
Tergiversatio, intrekking eener aanklacht door den aanklager (van tergum vertere).
Terias, Τηρίας, riviertje op de Oostkust van Sicilia, dat dicht bij Leontīni langs stroomde.
Terillus, Τήριλλος, tyran van Himera, werd door Theron van Agrigentum verdreven. Op zijn verzoek zonden de Carthagers een groot leger om hem in de regeering te herstellen, dat echter door Theron en Gelo volkomen verslagen werd (480).
Terīna, Τέρινα, Τέρεινα, kol. van Croton aan de Westkust van het land der Bruttii, door Hannibal verwoest en niet weder opgebouwd. De aanliggende golf heette sinus Terinaeus, Τεριναῖος κόλπος, ook sinus Hipponiātes naar de stad Hipponium.
Teriolis, ook Teriola castra, sterkte in Raetia. Hiervan wordt de naam Tyrol afgeleid.
Termera, τὰ Τέρμερα, dorische stad in Caria, aan den mond van den sinus Ceramicus, tegenover het eil. Cos.
Termerus, Τέρμερος, een roover in Thessalië, die met zijn sterk voorhoofd zijn tegenstanders den schedel placht te verbrijzelen. Heracles doodde hem.
Termes, Termentia, Τερμησός, stad der Arevaci in Hispania Tarraconensis, in het brongebied van den Durius (Douro), ten Z.W. van Numantia. De Rom. stieten bij herhaling het hoofd voor de sterke, op eene hoogte gelegen stad. In 98 noodzaakten zij de inwoners, hunne woonplaats te verlaten en in de vlakte eene nieuwe stad te bouwen.
Termessus = Telmissus no. 2.
Termilae, Τερμίλαι, Τερμιλῆς, oude, inheemsche naam voor de Lyciërs, zie Lycia.
Terminalia, zie Terminus.
Terminus, romeinsch god der grenssteenen. Men offerde hem bij het plaatsen van een nieuwen grenssteen, en op zijn feestdag, de Terminalia (23 Februari), kwamen buren bij den gemeenschappelijken grenssteen bij elkander en brachten er een offer, dat door een gemeenschappelijken maaltijd besloten werd. Ook van staatswege werden op dien dag aan de grenzen Terminalia gevierd. Toen bij het bouwen van het Capitolium het beeld van Terminus in den weg stond, verboden de auspicia het te verplaatsen, het bleef daarom in den tempel van Jupiter staan, die vandaar eveneens als een beschermer der grenzen (J. Terminalis of Terminus) beschouwd werd. In werkelijkheid was Terminus een nevenvorm van Jupiter, die dus zelf als beschermer der grenssteenen (termini) optreedt.
Terpander, Τέρπανδρος, van Antissa op Lesbus, de eigenlijke schepper der grieksche muziek en uitvinder der citer met 7 snaren. Op bevel van het orakel van Delphi werd hij naar Sparta geroepen om er burgertwisten te beslechten en sedert dien tijd schijnt hij er gebleven te zijn. Hij behaalde o. a. den prijs bij den eersten muzikalen wedstrijd ter gelegenheid der Carnēa (z. Carnēus), 676. Sparta was in de 7de eeuw, na de verovering van Messene, de plaats waar muziek het meest beoefend werd.
Terpsichore, Τερψιχόρα, Muze van reidansen en koorzangen; zij wordt gewoonlijk afgebeeld in dansende houding, met een lier en een plectrum in de handen.
Terracīna = Tarracīna.
Tertulliānus, 1) beroemd rom. jurist en schrijver van onderscheidene juridische geschriften, tijdgenoot van Papiniānus, ± 200 na C.; v. s. is deze identisch met no. 2.—2) Q. Septimus Florens Tertullianus, uit Carthago, (± 150 tot 230 n. Chr.), één der eersten, die het Christendom in vele latijnsche geschriften verdedigd heeft. Zijn stijl is vurig en heftig, maar duister.
Teruncius, rom. gewicht en zilveren muntstukje = 3 unciae of ¼ as.
Tervingi, naam der Visi-Gothi of West-Gothen, tijdens hun verblijf in Dacia (± 257–± 376).
Tessera, zie tabula.
Testa, zie Trebatius.
Testamentum. Er zijn oudtijds in Rome drie soorten van testamenten:—1) het testamentum in comitiis calatis (zie comitia), waartoe tweemaal in het jaar (waarschijnlijk op 24 Maart en 24 Mei) gelegenheid werd gegeven. Oorspronkelijk gold dit slechts voor de patriciërs.—2) het testamentum in procinctu, dat de soldaten vóór den slag konden maken, en waarbij het leger getuige was.—3) het testamentum per aes et libram, waarbij de erflater door mancipatio (z. a.) zijn goed tegen een schijnprijs verkocht aan den erfgenaam, later aan een tusschenpersoon (familiae emptor), die na den dood van den erflater de nalatenschap volgens diens wil verdeelde. Het werd langzamerhand gebruik dezen wil op schrift te brengen (tabulae testamenti), en de praetor gaf aan zulk een geschreven testament rechtskracht, ook al waren de formaliteiten der mancipatio daarbij verzuimd, indien het stuk maar voorzien was van de zegels van zeven getuigen (testamentum praetorium), zie cera en de afbeeldingen op bl. 161 en 162. Zie verder hereditas.
Testūdo, schildpad, 1) een muziekinstrument, eene soort van lier of citer, vermoedelijk in den oudsten vorm eene met snaren bespannen schildpadschaal, hetgeen later weder de kunstenaars op het denkbeeld gebracht kan hebben, onder de snaren een klankbodem aan te brengen.—2) een schutdak, gevormd doordat eene afdeeling soldaten de schilden boven hun hoofd aaneengesloten hielden en aldus voortmarcheerden om tegen projectielen van belegerden beveiligd te zijn. De rom. soldaten waren hierin zóó geoefend, dat soms boven op dit schildendak eene andere afdeeling strijders post vatte.—3) een schutdak van balken, waaronder de stormram werkte, testudo arietaria, zie aries.
Tethys, Τηθύς, dochter van Uranus en Gaea, bij Oceanus moeder der Oceaniden en riviergoden.
Tetradrachmum, τετράδραχμον, attische zilveren munt ter waarde van 4 drachmen.
Τετρακόσιοι, een raad van 400 personen, die gedurende eenige maanden van het jaar 411 te Athene de regeering in handen had. Ontevredenheid en mismoedigheid wegens den loop, dien de peloponnesische oorlog begon te nemen, vooral wegens het ongelukkig einde van de onderneming tegen Sicilië, had reeds vroeger bij velen het verlangen naar een of andere verandering in het staatsbestuur doen ontstaan, en bij de verkiezing der πρόβουλοι (z. a.) in 413 had, naar het schijnt, de oligarchische partij een belangrijke overwinning behaald. Van den daardoor verkregen invloed wist men, voor zoover de omstandigheden het toelieten, behendig gebruik te maken om de gemoederen op de voorgenomen omwenteling voor te bereiden, en toen er geruchten verspreid werden, dat door Alcibiades, die toen bij Tissaphernes in hoog aanzien stond, een bondgenootschap met den koning van Perzië tot stand gebracht zou kunnen worden, mits de regeering in oligarchischen zin veranderd was, achtte men het tijd handelend op te treden. Aan Pisander (z. a.) en de zijnen gaf het volk, hoewel met grooten tegenzin, volmacht om met Alcibiades en Tissaphernes te onderhandelen, en ofschoon deze onderhandelingen tot niets leidden, meende de oligarchische partij nu niet te moeten terugtreden. Te Athene hadden zich ondertusschen de oligarchische clubs (ἑταιρίαι, z. a.) vereenigd en voerden er in het duister een soort schrikbewind, de hevigste voorstanders der democratie werden heimelijk uit den weg geruimd en den anderen daardoor zoo groote schrik aangejaagd, dat de volksvergadering bij de terugkomst van Pisander alles aannam wat hij wilde. Wel werd vooreerst slechts besloten, dat de πρόβουλοι, voor deze gelegenheid ten getale van 30, zouden belast worden met het doen van de noodige wetsvoorstellen, en bepaalde zich ook de door hen voorgestelde verandering tot de opheffing der γραφὴ παρανόμων, maar de oligarchen, zonder twijfel hierop voorbereid, kwamen terstond na aanneming daarvan met verschillende voorstellen voor den dag, waarvan de strekking was, dat zoolang de oorlog duurde geen ambt meer bezoldigd zou worden, dat de regeering voorloopig zou berusten in handen van een raad van 400, dat de volksvergadering tot de meergegoeden, minstens 5000 personen, beperkt zou worden en bijeengeroepen, wanneer de raad het noodig vond. Deze raad werd aldus saamgesteld: het volk wees 5 mannen aan, die op hun beurt 100 kozen, van welke ieder zich 3 moest coöpteeren. Doch hoewel dit alles gereedelijk werd aangenomen, was de nieuwe toestand niet van langen duur. De vloot, die bij Samus lag, verklaarde zich reeds dadelijk tegen de regeering der 400, riep Alcibiades uit de ballingschap terug, en liet zich slechts met moeite door dezen weerhouden van pogingen tot gewelddadig herstel van den ouden regeeringsvorm. Ook in de stad zelve openbaarde zich spoedig groote ontevredenheid; de 5000 werden nooit ter vergadering opgeroepen, van het beloofde bondgenootschap met Perzië zag men niets komen, en in plaats van den oorlog krachtig te voeren, trachtten de 400 met Sparta te onderhandelen. Het duurde niet lang of ook onder henzelf ontstond verdeeldheid; de meesten (Phrynichus, Pisander, Antiphon) bleven pogingen doen tot het verkrijgen van een vrede, op welke voorwaarden dan ook, en werden zelfs wel niet geheel zonder grond van verraderlijke plannen beschuldigd, anderen, waaronder Theramenes, die niet zoo ver wilden gaan of, bij den te verwachten omkeer van zaken, de gunst van het volk niet wilden verbeuren, onthielden zich van al wat verdacht kon schijnen en traden zelfs in het openbaar tegen hunne ambtgenooten op. Toen nu onder deze omstandigheden Euboea inderdaad door verraad verloren ging, kwam het tot een uitbarsting, de 400 werden na eene regeering van vier maanden afgezet, de verdachten onder hen vluchtten, en de oude toestanden werden hersteld, ofschoon nog eenigen tijd de volksvergadering tot 5000 (v. a. 9000) personen beperkt en eenige ultra-democratische instellingen afgeschaft bleven.
Tetralogia, τετραλογία. Te Athene was het sedert Phrynichus of Aeschylus gebruikelijk, dat ieder dichter, die bij den tragischen wedstrijd naar den prijs mededong, vier stukken ten tooneele bracht; deze vier stukken werden te zamen tetralogie genoemd. Drie er van waren eigenlijke treurspelen en vormden eene trilogie, het vierde was een satyrdrama (z. satyrica fabula). De oudere dichters behandelden gewoonlijk in de drie treurspelen, en soms ook in het satyrdrama, mythen, die in nauw verband met elkander stonden; bij Sophocles en lateren is er tusschen de verschillende deelen der tetralogie geen samenhang. De Agamemnon, Choëphori en Eumenides van Aeschylus zijn de eenige thans nog bewaard gebleven treurspelen, die eene trilogie vormen, zij hebben achtereenvolgens tot onderwerp: den moord van Agamemnon, de wraak van Orestes, de verzoening der wraakgodinnen van Clytaemnestra. Het bijbehoorend satyrdrama Proteus is verloren gegaan. Van geen andere tetralogie bezitten wij nu nog meer dan één stuk.
Tetrapolis, vierstedenverbond; 1) in Attica de vlekken Oenoë, Marathon, Probalinthus en Tricorythus.—2) in Doris de stadjes Erineüs, Boeüm, Pindus en Cytinium.—3) in Syria de steden Antiochīa, Apamēa, Laodicēa en Seleucīa.—4) in Lycia: Cibyra, Oenoanda, Bubon en Balbūra.
Tetrica rupes, steile, woeste berg in het sabijnsche land nabij de grenzen van Picēnum.
Tetricus (P. Esuvius), een der zoogenaamde 30 tyrannen onder de rom. keizers, regeerde van 270–274 na C. over Gallia en Hispania, doch riep, toen hij met boerenopstanden en muiterij onder zijn troepen te kampen had, Aureliānus heimelijk te hulp. In den slag bij Durocatalauni (Châlons-sur-Marne) werden toen de opstandelingen door Aurelianus verslagen (274) en Tetricus afgezet.
Τετταράκοντα, z. δικασταί.
Teucer, Τεῦκρος, 1) zoon van den riviergod Scamander en de nimf Idaea, eerste koning van Troje, naar wien de Trojanen Teucriërs genoemd worden. Hij nam Dardanus gastvrij bij zich op en gaf hem zijne dochter Batēa of Arisbe tot vrouw. V. a. kwam hij met Scamander van Creta en werden zij door Dardanus in Troas ontvangen, waar zij den dienst van Apollo Smintheus instelden.—2) zoon van Telamon en Hesione, de bekwaamste boogschutter onder de Grieken voor Troje. Toen hij na de inneming van Troje naar zijn vaderland terugkeerde, werd hij door Telamon verstooten, omdat hij den dood van Aiax niet had gewroken, hij ging naar Cyprus en stichtte daar de stad Salamis, waar zijne nakomelingen de regeering behielden. V. s. keerde hij na den dood van zijn vader nogmaals naar zijn vaderland terug, maar werd nu door Eurysaces, den zoon van Aiax, verdreven, waarop hij zich naar Gallaecia in Hispania begaf.
Teucri, Τεῦκροι, dichterlijke naam der Trojanen, naar Teucer.
Teumessus, Τευμησσός, berg en stad in Boeotia ten N.O. van Thebae.
Teuta, Τεῦτα, koningin van Illyrië, die na den dood van haar gemaal Agron (231) de voogdij voerde over haar minderjarigen zoon Pinnes. De Rom. zonden de gebroeders C. en L. Coruncanius als gezanten tot haar om op beteugeling van den zeeroof aan te dringen, doch Teuta werd zoo toornig over hunne vrijmoedige taal, dat zij een van beiden liet vermoorden. Daarop volgde een wreedaardige oorlog, 229–228. Door het verraad van Demetrius van Pharus, Teuta’s stadhouder op Corcȳra, moest zij om vrede vragen, oorlogsschatting betalen, het zuidelijk gedeelte van haar gebied (meest veroverd land) afstaan ten behoeve van Demetrius (z. a. no. 7) en ook de voogdij aan hem overgeven.
Teutātes, Theut., gallisch god, wien soms menschenoffers gebracht werden, door de Rom. met Mercurius vergeleken.
Teuthrania, Τευθρανία, het Z.W. gedeelte van Mysia, aldus genoemd naar eene oude stad Teuthrania, de residentie der oude mysische koningen, aan den Caīcus door Teuthras gesticht.
Teuthras, Τεύθρας, 1) koning van Mysië, die Auge en later Telephus gastvrij opnam.—2) of Teleutas, vader van Tecmessa.—3) een van de tochtgenooten van Aenēas.
Teutobochus (Teutobodus), vorst der Teutones in den slag bij Aquae Sextiae tegen Marius (102).
Teutoburgiensis silva, het tegenw. Teutoburgerwoud, waar in 9 na C. Varus met drie legioenen door den Cheruscer Arminius overvallen en verslagen werd.
Teutones, -ni, Τεύτονες, een germaansche volksstam, in 102 door C. Marius vernietigd. Ze woonden in de nabijheid der Cimbren, en worden reeds in de 4de eeuw genoemd als opkoopers van het barnsteen, dat op de Noordzee-eilanden en vooral op Borkum (zie Glaesariae Insulae) gewonnen werd. Evenals van de Cimbren was ook van de Teutonen bij den uittocht van 113 een gedeelte in het land achter gebleven. Zie verder Cimbri. V. s. zijn de Teutones identisch met de keltische Toygeni, een gouw der Helvetii.
Texuandri of Toxandri, waarschijnlijk een afdeeling der Menapii, woonden in Braband, in de latere gouw Toxandria.
Thaenae, stad in het Z. van Africa vetus, aan de kust.
Thais, Θαΐς, eene om haar schoonheid beroemde hetaere van Athene, ging met Alexander d. G. naar Azië, en werd na zijn dood de bijzit van Ptolemaeus Lagi. V. s. zou zij Alex. aangespoord hebben Persepolis in brand te steken.
Thala, Θάλα, groote stad in Numidia, in het Z.O. aan den rand der woestijn; later behoorde het tot Africa vetus; het ligt in den N.W. hoek van Byzacium.
Thalamae, Θαλάμαι, 1) stad in Messenia, aan de Messenische golf nabij Pherae.—2) stad aan de Westkust van Laconië, aan diezelfde golf, eenigszins zuidelijker.—3) sterkte in Acrorēa, in Elis.
Thalassio, -sius = Talassio.
Thales, Θαλῆς, van Milētus (640 of 624–546), de eerste der grieksche wijsgeeren, nam als grondstof van het bestaande het water aan, waarop volgens hem de aarde, die den vorm van een schijf heeft, drijft. Hij wordt ook de grondlegger van de grieksche wis- en sterrenkunde genoemd en zoude de zonsverduistering van 28 Mei 585 voorspeld hebben. Hij hielp Croesus op zijn tocht tegen Cyrus bij het afdammen van de rivier Halys en stelde de vorming van een ionischen bondsstaat voor ter verdediging tegen de aanvallen der Perzen. Als een van de zeven wijzen, onder welke hij de wijste genoemd wordt, had hij tot spreuk, τί δύσκολον; τὸ γνῶναι ἑαυτόν. τί δ’ εὔκολον; τὸ ἄλλῳ ὑποτίθεσθαι. Geschriften heeft hij waarschijnlijk niet nagelaten.
Thalētas, Θαλήτας, beroemd lierzanger en toonkunstenaar van Creta, die op bevel van het delphische orakel naar Sparta geroepen werd om na een pest de stad door godsdienstige plechtigheden te reinigen. Hij bleef er verder verblijf houden en voerde er verscheiden godsdienstige gezangen in, door dans begeleid. Hij leefde waarschijnlijk op het einde der 7de eeuw, hoewel hij soms een vriend van den wetgever Lycurgus genoemd wordt.
Thalīa, Θάλεια, 1) de Muze van het blijspel, wordt afgebeeld met een comisch masker en een thyrsusstaf in de hand en een klimopkrans op het hoofd.—2) moeder der Palīci.
Thalia, Θαλία, eene van de Charites.
Thallo, Θαλλώ, te Athene eene van de Horae.
Θαλλοφόροι, z. Panathenaea.
Thalna, familienaam in de gens Iuventia.
Thamugadi, stad door Traiānus aangelegd in de provincie Numidia of Africa Nova, ten N. van het Audusgebergte. De stad, die onder het woestijnzand bedolven was, is in de laatste jaren der vorige eeuw door de Franschen weer opgegraven, en wordt om zijn goed bewaard gebleven gebouwen uit den keizertijd het afrikaansche Pompeii genoemd. Tgw. Timgad.
Thamyris, Θάμυρις, Θαμύρας, zoon van Philammon en de nimf Argiope, oud-thracisch zanger, een van de oudste grieksche epische dichters. Nadat hij bij de pythische spelen verscheiden overwinningen had behaald, werd hij zoo trotsch, dat hij de Muzen tot een wedstrijd durfde uitdagen, hij werd overwonnen en tot straf van het gezicht en van de gave van het gezang beroofd.
Thapsacus, Θάψακος (= vadum), aan den Euphraat, belangrijke oude stad en de zuidelijkste plaats waar de rivier nog te doorwaden was voor kameelen. Seleucus Nicātor herdoopte het in Amphipolis. Th. was eenmaal de noordelijkste stad in het rijk van Salomo.
Thapsus, Θάψος, 1) stad op de kust van Byzacium in Africa propria, bekend door de overwinning, die Caesar in 46 op het pompejaansche leger en op Juba behaalde.—2) megarensische volkplanting op de Oostkust van Sicilia ten N. van Syracuse.
Thargelia, Θαργήλια, het voornaamste feest der Atheners ter eere van Apollo, den 6en en 7den Thargelion, de geboortedagen van Artemis en Apollo, gevierd. Oorspronkelijk een feest ter eere van het rijpen der veldvruchten of v. a. tot afwering van booze geesten, werd het later hoofdzakelijk een reinigings- en verzoeningsfeest, waarop men nog tot in de zesde eeuw twee ter dood veroordeelde misdadigers onder fluitspel buiten de stad voerde en als zoenoffers voor den geheelen staat ter dood bracht. Overigens was het een vroolijk feest, waarbij men den tocht van Theseus naar Creta en zijne overwinning op den Minotaurus herdacht. Ter herinnering hieraan vertrok jaarlijks omstreeks denzelfden tijd een schip uit Athene, om een feestgezantschap naar Delus te voeren, dat daar aan Apollo offers brengen moest.—Ook in de ionische koloniën werden de Th. gevierd.
Thargelion, Θαργηλιών, 11de maand van het Attische jaar (Mei–Juni), z. Annus.
Thasus, Θάσος, eiland nabij de thracische kust tegenover den mond van den Nestus, een eiland, rijk aan wit marmer en hout, oudtijds ook aan koren, wijn en goud. De goudmijnen, door de Phoeniciërs ontdekt, zijn geheel uitgeput. Het werd in de 7de eeuw van uit Parus gekoloniseerd. De Thasiërs onderwierpen zich in 492 aan de Perzen, doch traden later tot het attische zeeverbond toe, waarvan zij wel in 465 en 411 poogden af te vallen, doch zonder ander gevolg dan dat hun eiland in 463 door Cimon, in 407 door Thrasybūlus heroverd werd. Na den peloponnesischen oorlog legde Sparta de hand op het eiland, later kwam het onder Macedonia.
Thaumantias, Θαυμαντιάς, -τίς, Iris, dochter van Thaumas.
Thaumas, Θαύμας, zoon van Pontus en Gaea, een zeegod, bij de Oceanide Electra vader van Iris en de Harpyieën.
Thaumacia, Θαυμακία, zeestad aan de kust van Magnesia, in Thessalia.
Thea, Θεία, dochter van Uranus en Gaea, bij haar broeder Hyperīon moeder van Helius, Eos en Selēne.
Theaetētus, Θεαίτητος, van Sunium, leerling van Socrates, naar wien Plato een van zijne dialogen genoemd heeft.
Theagenes, Θεαγένης, 1) van Thasus, zoon van Heracles of van Timosthenes, een priester van Heracles. Hij muntte uit door buitengewone lichaamskracht en behaalde bij alle wedstrijden de overwinning, zoodat hem op vele plaatsen standbeelden werden opgericht. Ook op Thasus stond zulk een beeld, en toen Th. gestorven was, ging een zijner vijanden des nachts naar dit beeld en geeselde het, totdat het van zijn voetstuk viel en den man verpletterde. Toen echter de Thasiërs het beeld daarom in zee geworpen hadden, kwam er hongersnood in het land, en deze eindigde eerst, toen het beeld door visschers weder opgehaald en op bevel van een orakel op zijn oude plaats hersteld was.—2) van Rhegium, wordt genoemd als de eerste, die over Homerus geschreven heeft. Hij was een tijdgenoot van Cambȳses.—3) van Nisaea, wist zich den steun der armere burgers tegen de rijken en edelen te verzekeren en maakte zich zoo van de tyrannie over Megara meester, later werd hij echter verdreven. Hij was de schoonvader van Cylon, dien hij bij zijn aanslag met troepen steunde.—4) veldheer der Atheners in den slag bij Chaeronēa.
Theāno, Θεανώ, 1) eene van de Danaiden.—2) dochter van Cisseus, gemalin van Antēnor, priesteres van Athēna te Troje.—3) echtgenoote, dochter of leerlinge van Pythagoras, aan wie eenige werken over zijn leven en leer toegeschreven werden.—4) priesteres te Athene, die weigerde te gehoorzamen aan het bevel, dat alle priesters en priesteressen Alcibiades zouden vervloeken.

Plattegrond van het theatrum te Herculaneum.

Theatrum te Aspendus.
Theātrum, θέατρον. Na hetgeen onder het artikel amphitheatrum over de zitplaatsen is gezegd, zal de inrichting van het theater der ouden gemakkelijk te begrijpen zijn uit achterstaande teekeningen, waarvan de eene den plattegrond van het theater te Herculaneum voorstelt, de andere een gedeelte der overblijfselen van het theater te Aspendus in Pamphylia. Op de eerste ziet men de concentrische rijen zitbanken (B B), door de trapsgewijze oploopende tusschenpaden (a a) in wiggen (cunei, κερκίδες) afgedeeld. Deze cunei hebben uitgangen (b b) op de rondloopende corridors, διαζώματα (A A, zie de afbeelding bij balteus). C is de orchestra, ὀρχήστρα, bij de Grieken bestemd voor de reidansen der koren, te Rome sedert 194 tot zitplaatsen voor de senatoren dienende; c is de lage voormuur van het tooneel D D, waarvan de gemetselde achterwand drie openingen (e e e) heeft; dat deze achterwand niet recht doorloopend, maar gebogen is, zal aan den smaak van den bouwmeester hebben gelegen. Het tooneel vóór dezen wand heette scena, σκηνή, en wordt ook proscenium, προσκήνιον, genoemd in tegenstelling van de ruimte (E E) daarachter, het postscenium, (wij zouden zeggen: achter de schermen), waar zich kleedkamers, bergplaatsen en machinerieën bevonden. De ruimte onder het tooneel was het ὑποσκήνιον; moesten er schimmen of riviergoden opstijgen, dan kwamen zij uit deze benedenruimte langs een trap of ladder, den zoogenaamden charonischen trap χαρώνειοι κλίμακες, door een luik op het tooneel. Παρασκήνια zijn de zijwanden van het tooneel, rechts en links. Ook had men toestellen, waarmede men goden uit de zoldering liet nederdalen; vandaar de uitdrukking deus ex machina, om een knoop door te hakken en het stuk tot een slot te brengen, wanneer geene natuurlijke ontknooping mogelijk was. De ruimten ƒ zijn misschien eereplaatsen of loges voor personen van rang geweest. De achterwand van het tooneel en ook het postscenium waren met verdiepingen, zooals de tweede teekening te zien geeft. De gemetselde uitstekken, die men er op aantreft, dienden tot bevestiging van het houten raamwerk, waarop de schermen of coulissen gespannen waren. Het tooneel had dus eene groote breedte, doch eene geringe diepte. De ruimte vóór het achterscherm (dat natuurlijk uit verschillende naast elkander geplaatste stukken bestond), heette vermoedelijk pulpitum, λογεῖον. De zijschermen waren op eene eigenaardige manier ingericht. Zij heetten περίακτοι, versūrae, en bestonden uit vertikale driehoekige prisma’s, die op een spil draaiden en dus drie verschillende decoraties vertoonden, terwijl het achterscherm door verschuiving werd veranderd. Het θεολογεῖον was een zweeftoestel, van waar in sommige stukken een god uit den hoogen zijn wil verkondigde. Over enkele verschillen tusschen het rom. en grieksche theater, b.v. dat de ruimte voor het publiek bij het eerste juist een halven cirkel vormde, bij het tweede nog over de middellijn vooruitsprong, kunnen wij hier heenstappen. Te Athene begon men met den bouw van het eerste steenen theater in het begin der 5de eeuw, nadat de houten zitplaatsen en stellingen, waarop men tot dien tijd de voorstellingen aanschouwd en gegeven had, waren ingestort. Te Rome heeft het lang geduurd, eer er een steenen theater gebouwd werd. Bij ludi scenici werd er een tooneel van hout opgeslagen en na afloop der feesten weder afgebroken. Zitplaatsen waren niet aangebracht, men moest staan of een stoel medebrengen. In 174 lieten de censoren Q. Fulvius Flaccus (Fulvii no. 6) en A. Postumius Albīnus (Postumii no. 12) eene vaste steenen scena bouwen. Twintig jaar later beproefden de censoren M. Messalla en C. Cassius Longīnus (Cassii no. 6) aan de helling van den Palatīnus een steenen theater te bouwen, doch P. Cornelius Scipio Nasica, die op dat tijdstip nog consul was (ten tweeden male) liet het afbreken en de materialen publiek verkoopen, terwijl bij senaatsbesluit het zitten bij tooneelvoorstellingen werd verboden. In 146 verrees een volledig theater met zitplaatsen, doch wederom van hout en slechts tijdelijk. Eerst in 55 liet Pompeius een geheel steenen theater bouwen met 40000 zitplaatsen, in 13 verrees het tweede, door L. Cornelius Balbus (Cornelii no. 29) bekostigd en voor 30000 personen ingericht, en later het theatrum Marcelli, door Augustus aan de nagedachtenis van zijn schoonzoon gewijd, ook met 30000 plaatsen. De toeschouwers zaten in de open lucht; later spande men zeilen boven hun hoofd uit (zie amphitheatrum). Te Athene werd een entree van 2 obolen geheven (zie θεωρικόν); te Rome betaalde men geen entree, want de spelen waren geschenken, aan het volk aangeboden; evenwel moest men een bewijs van toegang (tessera, zie onder tabula) hebben. Het voorscherm werd bij het begin der voorstelling niet opgehaald, maar zakte weg en werd bij het einde weder omhoog getrokken (zie aulaeum), vandaar aulaeum manere = tot het einde toe blijven, het einde afwachten.
Thebaansche oorlog, 1) de oorlog, door Adrastus (z. a.) en zijne bondgenooten tegen Thebe gevoerd om Polynīces in diens rechten te herstellen.—2) de oorlog tusschen Thebe en Sparta, die volgde op de verdrijving der Spartanen uit de Cadmēa en de omverwerping der oligarchische regeering te Thebe (378). In dezen oorlog, waarvan het doel was de oppermacht van Sparta te fnuiken, werden de Thebanen in het begin bijgestaan door de Atheners, later door de meeste peloponnesische staten; toen het echter bleek, dat de Thebanen naar de hegemonie streefden, koos Athene de zijde der Spartanen, en de verdeeldheden onder de Peloponnesiërs maakten, dat het bondgenootschap met hen weinig waarde had. Wel behaalden de Thebanen in de groote slagen bij Leuctra (371) en Mantinēa (362) schitterende overwinningen, deed Epaminondas tweemaal (369 en 362) een tocht naar Sparta, werden de Messeniërs in hun land teruggebracht en eene nieuwe hoofdstad Messēne gebouwd, vereenigden de Arcadiërs zich tot één staat en stichtten zij de bondsstad Megalopolis, maar hoezeer de Spartanen door dit alles vernederd werden, het gelukte Thebe niet zich tot den eersten staat van Griekenland te verheffen. Na den dood van Epaminondas en Pelopidas was er niemand om hen op te volgen, en bij den vrede (362) werden alle grieksche staten autonoom verklaard.
Thebae, Θῆβαι, 1) oudtijds Θήβη, hoofdstad van Boeotia, aan de rivier Ismēnus en de bron Dirce, met den burcht Cadmēa, volgens de sage door Cadmus gesticht. De stad lag in eene heuvelachtige, bronrijke en vruchtbare streek, zeer geschikt voor paardenfokkerij; zij was ommuurd door een hoogen, zwaren muur, waarvan de steenen op de tonen van Amphīons gouden lier zichzelven hadden opeengestapeld. Zij had zeven poorten en wordt hiernaar ἑπτάπυλος genoemd. Buiten de Electrische poort lagen de zeer heilige tempel van den ismenischen Apollo en de tempel van Amphiarāus (z. a.). Aan den laatsten was een droomorakel verbonden, waartoe echter den Thebanen de toegang was ontzegd, omdat zij op de vraag, of zij den heros als waarzegger of als strijdmakker hebben wilden, het laatste hadden verkozen. Thebae was de geboorteplaats van Heracles, van Amphīon, van Tiresias, van Oedipus, ook Semele, de moeder van Dionȳsus, behoorde er te huis. Tot den mythischen tijd behooren de oorlog der zeven vorsten tegen Thebe (zie Adrastus) en die der Epigonen. In den perzischen oorlog gaf Thebe zich gewillig aan Xerxes over. In den peloponnesischen krijg koos het als bittere vijandin van Athene de partij van Sparta. De overrompeling der Cadmēa door den Spartaan Phoebidas in 383 en de daarop gevolgde instelling eener oligarchische regeering bracht een ommekeer te weeg, en na de bevrijding der stad in 379 was het Thebe, dat onder de leiding van Epaminondas en Pelopidas Sparta’s overmacht gevoelig fnuikte (slagen bij Leuctra, 371, en bij Mantinēa, 362). Later liet het zich eerst door Philippus van Macedonia om den tuin leiden, doch sloot zich op het laatste oogenblik nog bij Athene aan, hoewel vergeefs (nederlaag bij Chaeronēa, 338). Bij de troonsbeklimming van Alexander den Gr. viel Thebe af (334); tot straf werd het door Alex. verwoest, op de tempels en het gewezen huis van den dichter Pindarus na. Van de 40000 inwoners werden 6000 gedood en 20000 als slaven verkocht. Cassander liet wel in 316 de stad herbouwen, doch zij had in 290 weder veel te lijden van Demetrius Poliorcētes en in 86 van L. Cornelius Sulla. Thans Thiva.—2) groote stad van Aegypte, volgens Diodōrus Siculus de oudste stad ter wereld, aan den Nijl, hoofdstad van Opper-Aegypte, later Diospolis magna, Διόσπολις ἡ μεγάλη, geheeten. Het was de residentie van de aegyptische koningen van verschillende dynastieën. Het was rijk aan grootsche en prachtige tempels, paleizen en andere gebouwen. Boven alles muntte de tempel van Ammon uit, van waar een weg tusschen twee rijen sphinxen, elk van 100 stuks, naar het paleis van Amenhotep of Amenophis III (zie Memnon no. 1) voerde. Thebae had, volgens het verhaal, 100 poorten, en werd ἑκατόμπυλος genoemd, en was 140 stadiën = 4⅔ uur gaans in den omtrek. Het had een drukken handel. Aan den tegenoverliggenden rechter Nijloever lag de necropolis, waar men ook nog tempels en paleizen aantrof. Na de plundering door Cambȳses was het met Thebe’s grootsten bloei gedaan. Tusschen de puinhoopen liggen thans 4 dorpen, Luxor en Karnak op den rechter-, Goernah en Medinet-Aboe op den linkeroever van den Nijl.—3) stad in het thessalische landschap Phthiōtis, Θῆβαι Φθιώτιδες, havenstad, aan de golf van Pagasae.
Thebais, Θηβαΐς, 1) Boven-Aegypte, van de aethiopische grenzen (24° N.B.) tot omstreeks 27⅔° N.B. Het omvatte dus in lengte ongeveer de helft van het aegyptische Nijldal.—2) het gebied der stad Thēbae in Boeotia.
Thebe, Θήβη, stad in Mysia, aan den boschrijken berg Placus en daarom ὑποπλακίη geheeten. Andromache was hier geboren, evenals Chrysēis, die buit gemaakt werd, toen Achilles de stad verwoestte. Thebe lag landinwaarts achter de golf van Adramyttium, waar men later nog den Thebānus campus, τὸ Θήβης πεδίον, had. Zie ook Thebae no. 1.
Theches, Θήχης, een der toppen van den Paryādres op de pontisch-armenische grenzen, vanwaar de 10000 Grieken onder Xenophon het eerst de zee in het gezicht kregen.
Thelepte, stad in het binnenland van Africa vetus, in Byzacium, ten Z. van Thala.
Thelpūsa, Θέλπουσα = Telphusa.
Thelxion, Θελξίων, zoon van koning Apis (z. a.).
Themis, Θέμις, dochter van Uranus en Gaea, bij Zeus moeder der Moerae en Horae, godin van wet en orde, die zoowel op den Olympus als in de vergaderingen der menschen recht en orde handhaaft. Zij is de verstandige raadgeefster van Zeus, zit bij hem, wanneer hij zijne besluiten neemt, en verkondigt zijn wil als orakelgevende godin, vóór Apollo was zij in het bezit van het delphische orakel. Hare beelden gelijken op die van Pallas Athēna, gewoonlijk heeft zij een horen van overvloed en een weegschaal in de handen.
Themiscȳra, Θεμίσκυρα, water- en grasrijke vlakte, tot het gebied der stad Amīsus in Pontus behoorende, tusschen de rivieren Iris en Thermōdon gelegen, en als het gebied der Amazonen beschouwd. De stad Themiscyra, aan den mond van den Thermodon, was in Augustus’ tijd reeds verdwenen.
Themiso, Θεμίσων, tyran van Eretria, tijdgenoot van Demosthenes, ontnam den Atheners bij verrassing in vredestijd Orōpus; later werd hij door de Thebanen aangevallen, maar door de Atheners tegen hen geholpen.
Themista, Θεμίστα, uit Lampsacus, vriendin en volgelinge van Epicūrus. Leonteus no. 2.
Themistius, Θεμίστιος, van Paphlagonië, leeraar van en schrijver over rhetorica en wijsbegeerte (ongeveer 317–390 n. C.), leefde meestal te Constantinopel. Hij stond in hoog aanzien bij de keizers Constantius en Iuliānus en bekleedde verscheiden hooge betrekkingen; onder Theodosius werd hij praef. urbi (384); tot zijne leerlingen behoorde ook de latere keizer Arcadius. Van zijne werken zijn 34 redevoeringen en 4 paraphrasen op Aristoteles bewaard gebleven.
Themisto, Θεμιστώ, dochter van Hypseus. Athamas nam haar tot vrouw, toen hij Ino verstooten had, toen hij echter later vernam, dat Ino nog leefde, liet hij deze terughalen. Hierover vertoornd, wilde Th. Ino’s kinderen des nachts dooden en liet hen daarom in het zwart kleeden, terwijl zij haar eigen kinderen witte kleederen aantrok, doch Ino, die het plan bemerkt had, verwisselde heimelijk de kleederen, zoodat Th. in het donker haar eigen kinderen om het leven bracht; toen zij dit ontdekte, doodde zij ook zichzelve.
Themistocles, Θεμιστοκλῆς, Athener, zoon van Neocles. In zijn jeugd weinig geacht om zijn losbandig leven en misschien ook omdat zijn moeder een vreemdelinge was, trad hij, toen hij begon zich aan staatszaken te wijden, door zijne buitengemeene begaafdheden spoedig op den voorgrond. Hij was de eerste die inzag, dat de toekomstige macht van Athene op de zee berustte, daarom werd reeds in 493 onder zijn archontaat met den aanleg van den Piraeus begonnen, en overreedde hij het volk om de opbrengst van de zilvermijnen in Laurium, die vroeger verdeeld werd, voor het bouwen eener vloot te besteden. Het verzet, dat deze maatregelen bij de meer behoudende partij vonden, moest opgegeven worden, toen Aristides in 483 door het ostracisme verbannen was. Bij de nadering van Xerxes tot strateeg gekozen, deed Th. in de eerste plaats zijn best om te zorgen, dat de verdediging door alle grieksche staten eendrachtig volgens een vast plan en vooral op zee zou gevoerd worden; de houten muur, die volgens het delphische orakel Athene tot redding zou strekken, was naar zijne verklaring de vloot. Toch werd hij gezonden om in vereeniging met een spartaansch leger de Tempepassen te bezetten, toen de Grieken zich echter wegens de ongeschiktheid van het terrein van hier teruggetrokken hadden, voegde hij zich met de atheensche schepen bij de vloot, die bij Artemisium lag. In weerwil van de verliezen, die deze vloot door een hevigen storm leed, werd hier op aanmoediging van Th. drie dagen lang tegen de Perzen slag geleverd, maar hoewel deze slag onbeslist bleef, moest men zich na de nederlaag der Spartanen bij de Thermopylae terugtrekken. Bij den terugtocht trachtte Th. nog door list de Ioniërs in het perzische leger onschadelijk te maken. Te Athene teruggekeerd, bewerkte hij nu dat de Atheners hun stad verlieten, hun vrouwen, kinderen en bezittingen naar Salamis en Troezen overbrachten, en zich op de vloot bij Salamis begaven. Toen nu Athene door de Perzen ingenomen en verbrand was, en men op aandringen der Corinthiërs en andere Peloponnesiërs op het punt stond de voordeelige positie bij Salamis op te geven om zich tot de verdediging van de Peloponnēsus te beperken, maakte Th., nadat hij zich vruchteloos met alle macht tegen dit plan verzet had, de uitvoering er van door list onmogelijk. Hij liet namelijk Xerxes in het geheim verwittigen, dat de Grieken op het punt waren zich te verspreiden en dat hem daardoor de gelegenheid zou ontsnappen, hen in één slag ten onder te brengen. Hierdoor aangemoedigd, waagde Xerxes den aanval, de grieksche vloot werd omsingeld en tot tegenweer genoodzaakt en won den beroemden zeeslag bij Salamis (Sept. 480). Door nieuwe boodschappen, waarin den Grieken het plan toegedicht werd, de brug over den Hellespont af te breken, wist Th. daarop Xerxes tot een overhaasten terugtocht uit Europa te bewegen. Nadat hij nog de eilanden, die met de Perzen geheuld hadden, had getuchtigd, hield hij zich meer met binnenlandsche aangelegenheden bezig. Op zijn raad werd Athene met muren omgeven, terwijl hij door list en met levensgevaar den tegenstand der Spartanen tegen dezen maatregel verijdelde; ook werd de Piraeus vergroot en versterkt. Th. was toen op het toppunt van zijn roem, maar met het terugkeeren van rustiger tijden stak zijn tegenpartij het hoofd weder op; vooral wegens de vijandige houding, die hij tegen Sparta aannam, trachtte men hem onschadelijk te maken, hij werd beschuldigd van oneerlijkheid, knevelarij en persoonlijke eerzucht, en eindelijk bracht men het zoo ver, dat hij door het ostracismus verbannen werd. Hij ging naar Argos, maar na eenige jaren werd hij van medeplichtigheid aan de plannen van Pausanias beschuldigd, waarop hij zich te Argos niet meer veilig achtte; hij vluchtte naar Corcȳra, van daar afgewezen naar Admētus, koning der Molossers, die zorgde dat hij veilig naar Pydna kwam (± 466), van waar hij naar Ephesus overstak. Hij wendde zich nu tot Artaxerxes, beriep zich op zijne diensten, aan Xerxes bewezen, en beloofde hem zijne medewerking bij de onderwerping van Griekenland; de koning overlaadde hem met gunstbewijzen en gaf hem de steden Magnesia, Lampsacus en Myus voor zijn levensonderhoud. Maar voordat van perzische zijde weder iets tegen Griekenland was ondernomen, stierf Th. (omstreeks 459), v. s. door eigen hand, omdat hij zijne beloften aan Artaxerxes niet konde of wilde vervullen. Zijn gebeente werd door zijne vrienden heimelijk naar Attica overgebracht en daar begraven.